- Gevraagd door Jean-Luc Crucke, Minister van mobiliteit, klimaat en ecologische transitie, belast met duurzame ontwikkeling, in een brief van 17 oktober 2025
- Dit advies werd voorbereid door de werkgroep energie en klimaat
- Samen met de CRB
- Goedgekeurd door de Algemene Vergadering via schriftelijke procedure op 21 januari 2026
Advies (pdf)
1. Verwijzing
- [1] In het kader van de opvolging van de federale klimaatwet van 15 januari 2024, brengt de dienst klimaatverandering een voortgangsrapport uit. Dat maakt de jaarlijkse balans op van het gevoerde beleid van 1 maart tot 1 maart van het volgende jaar. Door de wettelijke invoering van de beleidscyclus behandelt het huidige rapport de periode van 1 juli 2024 tot 1 maart 2025.
- [2] In het kader van die werkzaamheden heeft minister Jean-Luc Crucke, in een brief van 17 oktober de FRDO in samenwerking met de andere federale adviesraden, waaronder de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB), gevraagd om tegen 15 december 2025 een advies over de inhoud van het rapport te coördineren en uit te werken. De raden[1] krijgen uitstel tot 31 januari 2026.
2. Inleiding en context
- [3] Dit advies past binnen een context van de klimaaturgentie. De raden zijn van mening dat deze urgentie voldoende politieke wil vereist binnen de verschillende entiteiten van het land om op complementaire wijze samen te werken en elkaar te versterken.
- [4] In dit verband willen de raden de aandacht vestigen op enkele belangrijke elementen die hieronder worden vermeld.
- [5] De wet van 15 januari 2024 houdende de organisatie van het federale klimaatbeleid voert een cyclus in voor een transparante opvolging van het federale klimaatbeleid. Die heeft tot doel het kader voor klimaatgovernance te verbeteren. Het voortgangsrapport 2025 dat ter advies aan de raden wordt voorgelegd, maakt dan ook deel uit van deze governance.
- [6] De Wetenschappelijke Klimaatraad voor de opvolging en evaluatie van het federale klimaatbeleid, opgericht bij koninklijk besluit van 18 april 2024[2], moet advies uitbrengen over de uitvoering van het klimaatbeleid. Op het moment van het maken van dit advies is de benoeming van de leden van de Wetenschappelijke Klimaatraad nog niet afgerond.
- [7] Tijdens de periode waarop dit rapport betrekking heeft, was de regering in lopende zaken. Sommige beleidsmaatregelen die in het regeerakkoord van de nieuwe regering zijn vastgelegd, worden evenwel al in dit rapport genoemd.
- [8] Aan de adviesraden werd gevraagd in onderstaand advies te focussen op de plaats en het gewicht van het voortgangsrapport binnen de beleidscyclus en de werking van de klimaatgovernance in zijn geheel. Het opzet van dit advies is dus niet de evaluatie van individuele maatregelen.
- [9] In deze specifieke context (regering in lopende zaken, gedeeltelijke integratie van maatregelen die door de nieuwe regering zijn genomen en een Wetenschappelijke Klimaatraad die nog niet operationeel is), en aangezien dit het eerste voortgangsrapport is, geven de raden er de voorkeur aan zich te richten op de komende verslagen en beleidscycli, in plaats van uitspraak te doen over het beleid en de resultaten van vorige regeringen. Zij voegen hieraan toe dat dit advies op geen enkele wijze vooruitloopt op toekomstige adviezen, die betrekking zullen hebben op voortgangsrapporten die onder meer ‘normale’ omstandigheden worden opgemaakt.
3. Klimaatgovernance
- [10] De raden zijn van mening dat een versterkte intra-Belgische coördinatie, zowel verticaal als horizontaal, onontbeerlijk is om de samenhang van het beleid te waarborgen en de toepassing van het mutualiteitsbeginsel[3] mogelijk te maken. Zo zouden bijvoorbeeld de verhoging van de federale accijnzen op gas en de regionale steunmechanismen voor de renovatie van gebouwen elkaar moeten versterken. In dit verband verwijzen de raden naar het punt over interfederale coördinatie in het regeerakkoord.[4]
- [11] Deze intra-Belgische coördinatie vereist met name
- een systematisch voorafgaand overleg tussen de federale en regionale autoriteiten bij Europese onderhandelingen
- gezamenlijke impactbeoordelingen van federale en regionale maatregelen
- gemeenschappelijke indicatoren voor de opvolging van nationale doelstellingen
- een duidelijke verdeling van verantwoordelijkheden met controlemechanismen. De raden benadrukken dan ook dat er dringend een akkoord moet worden bereikt over de burden sharing 2021-2030, met name over de verdeling van de inkomsten uit de ETS-mechanismen en het CBAM.
- [12] De raden stellen vast dat het proces om tot een Belgisch standpunt te komen vaak moeizaam en langdurig is. Ze benadrukken dat een goede intra-Belgische coördinatie cruciaal is om te wegen op het Europees beleid en om de geloofwaardigheid van België op internationaal vlak te verzekeren. Zij betreuren dan ook ten zeerste dat België zich heeft onthouden bij de stemming over de Europese klimaatdoelstellingen voor 2040, wat het gevolg lijkt te zijn van een disfunctioneren op het vlak van governance en een zeer slecht signaal geeft, zowel op Belgisch als op Europees niveau. Zij verzoeken daarom het federaal parlement deze disfuncties te evalueren.
- [13] De raden nodigen het parlement ook uit om de samenhang tussen de Europese klimaatdoelstellingen en de op federaal niveau genomen maatregelen te controleren.
- [14] Volgens de raden is het belangrijk een langetermijnvisie te hebben en nu al een transitieproces op gang te brengen, rekening houdend met:
- het respecteren van de milieugrenzen en de wil om de klimaatverandering te bestrijden, volgens het beginsel van de gemeenschappelijke maar gedifferentieerde verantwoordelijkheid;
- het belang van een performante economie met een gegarandeerde energievoorziening en een mondiale aanpak, die onder meer leidt tot een ‘gelijk speelveld’ voor de bedrijven;
- het belang van sociale rechtvaardigheid en een rechtvaardige transitie, met inachtneming van de vijf pijlers: sociale dialoog, het creëren van werkgelegenheid (investeringen, onderzoek en ontwikkeling, innovatie), opleiding en vaardigheden, respect voor de mensenrechten en de rechten van werknemers, en een krachtige, gecoördineerde sociale bescherming. De raden herinneren eraan dat de Internationale Arbeidsorganisatie richtlijnen[5] heeft uitgewerkt voor de implementatie van een beleid en maatregelen voor een rechtvaardige transitie;
- het belang van beleidscoherentie voor klimaat en duurzame ontwikkeling, met aandacht voor het feit dat de transitie in België niet ten koste mag gaan van de duurzame ontwikkeling in ontwikkelingslanden.
- [15] De raden vragen de regering om een duidelijk overzicht te maken van de verschillende instellingen die op nationaal niveau actief zijn op het gebied van klimaat, hun respectieve rol en hun onderlinge interacties. Dit overzicht moet regelmatig worden bijgewerkt.
- [16] Van deze instellingen is de Wetenschappelijke Klimaatraad nog steeds niet operationeel. De raden roepen de regering dan ook op om ervoor te zorgen dat de leden zo snel mogelijk worden benoemd.
4. Voortgangsrapport
- [17] De raden waarderen de leesbaarheid van de ingediende tekst en de inspanningen om dit rapport aangenaam en intuïtief te maken, met name door het gebruik van pictogrammen. Deze transparantie stelt stakeholders en burgers in staat om de klimaatuitdagingen en het daarmee samenhangende beleid beter te begrijpen, waardoor het maatschappelijk draagvlak en de betrokkenheid van de burgers worden versterkt.
- [18] De raden vinden het positief dat de federale regering zich ertoe verbindt de uitvoering van haar beleidsvoornemens te controleren en daarover verslag uit te brengen. Zij betreuren echter dat het rapport geen getrouw beeld geeft van de maatregelen die op het moment van het opstellen van dit advies zijn genomen, aangezien de periode waarop het verslag betrekking heeft, eindigt op 1 maart 2025 en slechts enkele beslissingen uit het nieuwe regeerakkoord erin zijn opgenomen.
- [19] De raden herinneren eraan dat het voortgangsrapport de door de regering vastgestelde federale maatregelen moet bevatten. Deze maatregelen zijn opgenomen in het federale deel van het Nationaal Energie- en Klimaatplan (FEKP) en kunnen – volgens de vorige regering die ze heeft ingevoerd en op voorwaarde dat ze worden uitgevoerd – bijdragen tot een vermindering van 55 % van de broeikasgasemissies op Europees niveau tegen 2030. De raden vragen ervoor te zorgen dat alle maatregelen die in het FEKP zijn opgenomen, daadwerkelijk worden opgevolgd in het volgende rapport.[6]
- [20] Anderzijds stellen zij vast dat maatregelen in verband met adaptatie in dit verslag nauwelijks aan bod komen. Zij vragen een specifiek rapport over de opvolging van het federale adaptatiebeleid.
- [21] De raden stellen vast dat figuur 1[7] hieronder een aanzienlijk verschil laat zien tussen de verwachte broeikasgasemissies met de geplande maatregelen en de emissiereducties die nodig zijn om de doelstellingen voor 2030 te halen. Zoals in het voortgangsrapport wordt benadrukt, zal de kloof die tegen 2030 moet worden gedicht slechts gedeeltelijk worden verkleind door de federale maatregelen die al tot 1 maart 2025 zijn genomen. Met een federale bijdrage die naar schatting slechts 8-9 % van de totale inspanning voor 2026-2030 bedraagt, bedraagt de te overbruggen kloof meer dan 50 MtonCO₂ tegen 2030. Bovendien zou het niet behalen van de doelstellingen voor 2030 het bereiken van de doelstellingen voor 2040 en 2050 des te moeilijker maken.

Figuur 1 – Impact op de emissies van de goedgekeurde en geplande federale PAM’s
- [22] De raden vragen zich dan ook af of de door de vorige federale regering genomen maatregelen voldoende zijn om de beoogde doelstellingen voor de vermindering van de broeikasgasemissies te halen.
- [23] De raden stellen bovendien vast dat talrijke maatregelen vertraging hebben opgelopen of niet zijn uitgevoerd zoals oorspronkelijk gepland, wat het bereiken van de gestelde doelstellingen in gevaar brengt. Dit geldt met name voor mobiliteit en vervoer, maar ook voor gebouwen.
- [24] Ze stellen ook vast dat bepaalde “maatregelen” in werkelijkheid doelstellingen zijn. Ze roepen dan ook op om deze twee begrippen niet door elkaar te halen en de concrete maatregelen om de vastgestelde doelstellingen te bereiken duidelijk te omschrijven. De uitvoering van deze concrete maatregelen kan dan vervolgens worden opgevolgd. Zo is bijvoorbeeld “maatregel” 3F, die erin bestaat “het goederenvervoer per spoor tegen 2030 te verdubbelen”, geen specifieke maatregel, maar een doelstelling.
- [25] Ze voegen hieraan toe dat elke maatregel gepaard moet gaan met een budget dat de uitvoering ervan mogelijk maakt.
- [26] Herhaaldelijk worden het gebrek aan personeel en budgettaire middelen aangehaald als redenen voor het niet realiseren van de routekaarten. De raden zijn zich terdege bewust van de moeilijke begrotingssituatie waarin de federale regering zich bevindt, maar zijn van mening dat deze de uitvoering moet garanderen van de maatregelen die nodig zijn om de klimaatdoelstellingen te halen. Bovendien moeten de bevoegde administraties over de nodige budgettaire en personele middelen beschikken om het klimaatbeleid te kunnen blijven evalueren.
- [27] De raden benadrukken dat het rapport een goed beeld geeft van de voortgang van de talrijke federale routekaarten. Zij zijn echter van mening dat het rapport ook zou moeten aangeven of elke maatregel het verwachte effect heeft, voor zover dat vooraf is gedefinieerd en de maatregel is uitgevoerd.
- [28] Zij benadrukken dat de precieze oorzaken van de slechte uitvoering van de maatregelen niet duidelijk zijn vastgesteld en gekwantificeerd. Dit geldt met name voor de sector mobiliteit en vervoer.[8]
- [29] Tot slot zijn de raden van mening dat er een meer gedetailleerde analyse van de opvolging van de maatregelen moet worden uitgevoerd. Om de opvolging van deze routekaarten te faciliteren, een volledige en correcte diagnose te stellen met betrekking tot de voorgestelde maatregel en – indien nodig – de nodige corrigerende maatregelen te nemen, moet elke doelstelling of routekaart vergezeld zijn van:
- gedetailleerd beleid en maatregelen
- een prognose van het effect van elke maatregel (CO2-reducties)[9]
- het toegewezen budget, de daadwerkelijk vastgelegde en uitgegeven bedragen
- de bevoegde dienst
- tussentijdse en definitieve termijnen
- een evaluatie van de interacties met andere routekaarten.
[1] De raden : de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling (FRDO) en de Centrale raad voor het bedrijfsleven (CRB)
[2] 18/04/2024: Koninklijk besluit betreffende de oprichting van een Wetenschappelijke Klimaatraad voor de opvolging en evaluatie van het federale klimaatbeleid
[3] Mutualiteitsbeginsel: principe dat ieder beleidsniveau zodanig probeert te handelen dat de effectiviteit van alle andere beleidsniveaus wordt versterkt (Advies over de concretisering van de transitie van België naar een koolstofarme maatschappij in 2050, FRDO, ESRBHG, RLBHG, Minaraad, SERV, CESW, CWEDD, 03/06/2014)
[4] Federaal Regeerakkoord 2025-2029, pagina 2: “Om tegemoet te komen aan de specifieke noden en dynamieken in de verschillende gebieden van het land en om coherent en sterker te kunnen hervormen in nauw verbonden en verweven bevoegdheden zoals gezondheidszorg, arbeidsmarkt, mobiliteit en klimaat, kiest de federale overheid voor een interfederale samenwerking om haar beleid en dat van de deelstaten op elkaar af te stemmen. Dit met respect voor eenieders bevoegdheden, de grondwet, en het bindend Europese en internationale recht. De regering gaat in overleg met de deelstaten met het oog op het bereiken van een soortgelijke dynamiek van hun zijde.”
[5] International Labour Organisation (ILO), Guidelines for a just transition towards environmentally sustainable economies and societies for all, 2015, 23 pp.
[6] De raden vragen zich bovendien af welke gevolgen er zullen worden gegeven aan de “vierde federale inventaris van subsidies voor fossiele brandstoffen”.
[7] Betreft figuur 2 van de Opvolging van de uitvoering van het Federale klimaatbeleid, Voortgangsrapport 2025, september 2025, pagina 49.
[8] Zie met name de routekaarten 3F “Optimalisatie van het spoorvervoer: goederen” en 3 G “Optimalisatie van het spoorvervoer: passagiers”. De raden herinneren in dit verband ook aan hun aanbeveling in [21].
[9] Bijvoorbeeld, op het gebied van vervoer maakt het huidige rapport het niet mogelijk om een onderscheid te maken tussen de CO2-uitstoot die verband houdt met maatregelen voor het goederenvervoer en die welke verband houdt met het personenvervoer.