- 26 maart 2010
- gevraagd door de minister van Energie en Klimaat, de heer Paul Magnette
Advies (pdf)
Krachtlijnen van het advies
- [a] Het huidige voedingssyteem stuit over de ganse keten op economische, sociale en milieugrenzen. De manier waarop we voedsel produceren, transformeren en uiteindelijk consumeren dient te worden gewijzigd in functie van een transitie naar een duurzamer voedingssysteem.
- [b] De Minister verwacht dat de FRDO:
- een definitie geeft van een duurzaam voedingssysteem ;
- aangeeft op welke vlakken bijkomend onderzoek nodig is ;
- voorstellen formuleert voor maatregelen op federaal niveau ;
- een inventaris maakt van bestaande maatregelen op alle niveaus in ons land.
- [c] De FRDO gaat in dit advies niet in op de eiwitproblematiek, die nochtans door alle leden wordt erkend als een belangrijke uitdaging. De raad meent dat het de moeite loont om dieper in te gaan op deze kwestie en er een specifiek debat aan te wijden (over zowel de import van plantaardige eiwitten als de productie en consumptie van dierlijke eiwitten). De Raad verbindt zich ertoe om hierover tegen half 2010 een advies uit te brengen.
Definitie
- [d] Een duurzaam voedingsysteem garandeert het recht op voedsel, respecteert het principe van voedselsoevereiniteit, zorgt voor voldoende en gezond voedsel voor iedereen wereldwijd tegen een aanvaardbare prijs, zorgt ervoor dat de eindprijs van een product niet alleen alle productiekosten, maar ook alle externe sociale en milieu-kosten internaliseert. Dit systeem gebruikt grondstoffen en hulpbronnen (met inbegrip van arbeid en natuurlijke hulpbronnen zoals bodem, water en biodiversiteit) “at their rate of recovery” en respecteert de culturele eigenheid van voeding. Alle actoren uit de keten en de overheid moeten een bijdrage leveren om dit duurzaam voedingssysteem mogelijk te maken.
Onderzoek
- [e] De raad beveelt bijkomend onderzoek aan om een meer duurzaam voedingssysteem te bevorderen:
- naar uitvoerbare strategieën om landbouw en voedingsystemen duurzamer te maken ([79]) ;
- naar correcte gegevens over de impact van het voedingsysteem, ondermeer door een opvolging en vervollediging van de voedselenquête uit 2004 ([79]-[80]) ;
- naar verdere evaluatie, verfijning en ontwikkeling van bestaande informatie inzake duurzaamheid ([81]) om op lange termijn idealiter tot één methode en/of instrument te komen op Europees niveau ([82] – [83]) ;
- naar de noodzakelijke transitie van ons voedingsysteem en de begeleiding en financiering hiervan ([85]) ;
- naar de aard van verspilling: wie, wat, waar, wanneer, hoeveel verspilt ([86]).
Federale maatregelen
- [f] De FRDO formuleert in consensus volgende voorstellen voor beleid op federaal niveau:
Een langetermijnvisie voor een transitie naar een duurzamer voedingssysteem
- [g] De FRDO is voorstander van de ontwikkeling van een lange termijnvisie over hoe een duurzaam voedingssysteem er uit moet zien ([48]). Hij vraagt om een nationaal, beleidsoverschrijdend platform op te zetten om de transitie naar een duurzaam voedingssysteem te begeleiden ([49] – [50]).
Een coherent beleid is nodig
- [h] De FRDO vraagt om er voor te zorgen dat de visie op lange termijn op een geïntegreerde manier in het beleid opgenomen wordt om een coherent beleid te verzekeren ([51] – [52]).
- [i] Daarnaast dient het regelgevingkader beter aangepast te worden aan kleine bedrijven. ([53]).
- [j] De overheid kan binnen het EU en internationale kader initiatieven nemen waarbij in de nodige ondersteuning van bedrijven wordt voorzien. Op EU en internationaal niveau moet worden aangedrongen op meer coherentie en het uitwerken van maatregelen voor een duurzaam voedingsysteem wereldwijd ([54]).
- [k] De principes van het recht op voedsel, voedselsoevereiniteit en de sociale rechten van voedselproducenten en arbeiders uit de sector moeten bevestigd worden ([55]).
Naar een duurzaam landbouw- en visserijmodel wereldwijd
- [l] De FRDO vraagt om werk te maken van een duurzaam landbouw- en visserijmodel wereldwijd ([56] – [59], te zorgen voor een verdere verduurzaming van het GLB (Gemeenschappelijk Landbouw Beleid van de EU) en te ijveren voor een meer duurzame visserij ([64] – [65]).
- [m] Via ontwikkelingssamenwerking kan de familiale landbouw worden ondersteund in de ontwikkelingslanden. De FRDO vraagt om 15% van de Belgische ontwikkelingshulp aan landbouw effectief te spenderen, conform wat reeds eerder besloten werd ([61]).
Een leefbaar inkomen
- [n] In een duurzaam voedingsysteem beschikken werknemers, producenten en andere actoren van de hele productieketen over een voldoende inkomen dat hun aanvaardbare leef- en werkomstandigheden garandeert.
Rechten van werknemers
- [o] De raad is voorstander om de middelen van het nationaal OESO contactpunt voor de toepassing van de OESO richtlijnen bij multinationale ondernemingen te versterken ([70]).
Evenwichtige relaties tussen de verschillende schakels van de keten en een correcte prijs zijn nodig
- [p] De FRDO vraagt om de conclusies van de mededeling van de EU Commissie A better functioning food supply chain in Europe te ondersteunen ([71]).
- [q] Daarnaast is beleid nodig om vraag en aanbod beter op elkaar af te stemmen ([72]) en dienen initiatieven voor een betere transparantie over prijsvorming van voedingsproducten en voor een correcte verdeling van de toegevoegde waarde in de keten te worden ondersteund ([73]).
- [r] De raad meent ook dat bijkomende marktregulerende maatregelen , zoals aanbodbeheer, interprofessionele akkoorden, marktgestuurd aanbodbeheer, strategisch voorraadbeheer en andere, moeten getroffen kunnen worden om extreme prijsschommelingen te kunnen voorkomen ([77]).
Bestaande concepten verbeteren en ondersteunen
- [s] Hoewel de FRDO van mening is dat geen enkele van de bestaande concepten een volledige garantie biedt inzake duurzaamheid, vraagt de FRDO bestaande concepten reeds aan te wenden, te evalueren en te verfijnen ([87]) :
- korte keten en verkorting van de keten ([88] – [90]) ;
- seizoensproducten ([91]) ;
- biologische producten ([92]) ;
- geïntegreerde teelt ([93] – [94]).
- [t] Hij vraagt ook om een gezonde en evenwichtige voeding te promoten ([102]).
Toegang tot informatie en sensibilisering
- [u] De FRDO meent dat de administratieve lasten voor informatie-uitwisseling over producten moeten worden beperkt en dat sensibilisering via aangepaste informatiekanalen aangewezen is ([105]). Daarnaast is het ook nodig om jongeren beter vertrouwd te maken met een meer duurzame voeding ([109]).
- [v] De raad vraagt om de verschillende actoren samen te brengen om één éénduidige seizoenskalender voor verse groenten en fruit uit te bouwen ([110]). Daarnaast dienen de bestaande viswijzers te worden gecombineerd en verder te worden uitgebouwd met alle betrokken actoren ([112]). Ook een evaluatie binnen de 2 jaar van de Europese regelgeving rond ecologische- en / of gezondheidsclaims voor producten is nodig ([113]).
Het aanbod vergroten
- [w] De FRDO is voorstander van het systematisch vergroten van het aanbod van producten uit duurzame voedingssystemen door financiële of technische ondersteuning ([114]). Hij vraagt om na een evaluatie, het proefproject in overheids- en schoolrestaurants inzake een meer duurzaam aanbod uit te breiden en hiervoor voldoende budget te voorzien ([115].
- [x] De overheid kan concreet aan haar leveranciers vragen om normen inzake duurzaamheid te onderschrijven en in hun keten te gebruiken ([116]). Hij kan ook initiatieven omtrent choice editing in de keten aanmoedigen, ondersteunen en eventueel begeleiden ([117]).
- [y] De door de overheden afgesloten contracten vormen niet het enige kanaal waarlangs de veranderingen moeten worden uitgevoerd. De FRDO vraagt dat de overheid, als instantie die het algemeen belang vrijwaart, een duurzamer voedingssysteem bevordert en het nut evalueert om een reglementair kader te ontwikkelen om deze doelstelling te garanderen. ([118]).
Bewaring, verpakking en verspilling
- [z] De FRDO vraagt om verder te bouwen op de behaalde resultaten inzake selectieve inzameling en recyclage van verpakkingen en de nodige aandacht te besteden aan operatoren die aan het systeem ontsnappen ([119]). Daarnaast dient de omschakeling naar energie-efficiëntere systemen in de sector te worden bespoedigd ([120]) en initiatieven om consumenten te sensibiliseren inzake verspilling in stand te worden gehouden ([121]).
Andere maatregelen (geen akkoord binnen de FRDO)
- [aa] Over volgende onderwerpen konden de leden van de FRDO geen consensus bereiken:
- het gebruik van producten die potentieel schadelijk zijn voor de gezondheid, zoals sommige additieven, glucosestroop, hormoonverstorende stoffen, transvetzuren ([43]-[44]);
- de nood aan een verminderde afhankelijkheid van het gebruik van biociden en pesticiden, en een vermindering van de schadelijke effecten van het gebruik ervan ([62]-[63]);
- het invoeren van reguleringsmechanismen die het verplicht maken de rechten van de werknemers te respecteren, het wettelijk verplichten en opleggen van criteria inzake transparantie en sociale traceerbaarheid in de ganse keten, en het onderschikken van het handels- en investeringsbeleid aan het naleven van de internationale arbeidsnormen van de IAO ([66] – [69]) ;
- het naar voor schuiven van Fair Trade als best practice inzake duurzame handelsproducten ([95] – [101]) ;
- het uitwerken van een wetgeving om jongeren ook buiten de school te beschermen tegen reclame-invloeden ([106] – [108]) ;
- het gebruik van palmolie in de voeding ([122] – [124]).
Inventaris
- [bb] Tot slot bevat bijlage 1 van dit advies een inventaris van bestaande maatregelen op alle niveaus rond een duurzaam voedingssysteem.
1. Inleiding: context en structuur van het advies
- [1] De wijze waarop we ons als maatschappij organiseren en de manier waarop we produceren, verwerken, distribueren en consumeren heeft een grote impact op duurzame ontwikkeling, niet alleen in België maar ook wereldwijd. Ons voedingssysteem – van de initiële productie over distributie tot de uiteindelijke consumptie of verwerking – maakt hier wezenlijk onderdeel van uit. Eten is daarbij als menselijke activiteit geen banale bezigheid. We voorzien ons lichaam van de nodige voedingsstoffen om te functioneren en gezond te blijven. Maar daarnaast is eten ook een sociale activiteit en sterk cultuurgebonden. Het is een menselijke activiteit die de aandacht mag krijgen die ze verdient.
- [2] In de Lente van het leefmilieu uit 2008 boog een werkgroep zich over de problematiek van een duurzame voeding, zonder een consensus te bereiken over wat een duurzaam voedingssysteem inhoudt. Daarom vroeg de minister van Energie en Klimaat, Paul Magnette, om in het verlengde van deze werkgroep van de Lente van het Leefmilieu de discussie binnen FRDO verder te zetten.
- [3] Concreet vraagt de minister de FRDO:
- een definitie van een duurzaam voedingssysteem ;
- aan te geven op welke vlakken bijkomend onderzoek nodig is om tot een duurzaam voedingssysteem te komen ;
- voorstellen voor maatregelen op federaal niveau te formuleren ;
- een inventaris te maken van bestaande maatregelen op alle niveaus.
- [4] Daarom gaat de FRDO in dit kaderadvies in op volgende elementen:
- een korte algemene beschrijving van het huidige voedingssysteem en de impact hiervan op duurzame ontwikkeling ;
- een definitie van een duurzaam voedingssysteem waarin de FRDO ingaat op de verschillende aspecten die in deze definitie voorkomen ;
- de nood aan de ontwikkeling van een lange termijnvisies op een duurzaam voedingssysteem ;
- voorstellen voor beleidsmaatregelen ;
- een inventaris van bestaande initiatieven.
- [5] Het advies gaat daarentegen niet in op de eiwitproblematiek, die nochtans door alle leden van de Raad als een belangrijke uitdaging wordt beschouwd. Het loont inderdaad de moeite om dieper in te gaan op en een specifiek debat te wijden aan zowel de import van plantaardige eiwitten als de kwestie van de productie en consumptie van dierlijke eiwitten. Daarom verbindt de Raad zich ertoe verder na te denken over dit specifieke thema en er tegen midden 2010 een advies over uit te brengen.
- [6] Gezien de complexiteit van de vragen en de duidelijke interactie van de verschillende punten die in dit advies zijn opgenomen, moet dit advies altijd in zijn geheel bekeken worden.
2. Een voedingssysteem onder druk
- [7] De FRDO baseert zich voor deze korte algemene beschrijving van het huidige voedingssysteem op de hearings die door de werkgroep ad hoc duurzaam voedingssysteem werden georganiseerd in de loop van de maanden juni tot september 2009 en de discussies daarna door de leden van de FRDO in de werkgroep.
- [8] Het voedingssysteem bestaat uit de consumptie en de productie van voedingsmiddelen en uit alle positieve en negatieve druk die deze activiteiten uitoefenen op mens, economie en milieu. Het omvat de volledige keten vanaf de landbouwproductie over handel, voedingsmiddelenproductie en distributie tot de voedingsconsumptie. Het voedingssysteem is daarbij tijdens de laatste vijftig jaar grondig gewijzigd.[1]
- [9] Na WOII streefde Europa er naar de voedselvoorziening van de bevolking op eigen kracht te verzekeren. Hiertoe werd een GLB (Gemeenschappelijk Landbouw Beleid) ontwikkeld, dat de Europese landbouw grondig zou beïnvloeden. Het GLB en de opeenvolgende hervormingen ervan leidden tot een stijging van de productiviteit per werknemer en per oppervlakte-eenheid of vee-eenheid en een sterke evolutie van de gebruikte productiemethoden en -technieken van voedsel. Hierdoor kon de voedselveiligheid beter worden gegarandeerd en verdween de bedreiging van algemene hongersnood. De productiviteitsstijging leidde er tevens toe dat het aantal familiale landbouwbedrijven
- Ook de druk op milieufactoren werd door de intensivering van de landbouw sterk verhoogd: het gebruik van meststoffen en bestrijdingsmiddelen had een sterke impact op de biodiversiteit, de waterkwaliteit en de bodemkwaliteit. Op Europees niveau is men zich hiervan bewust geworden en bepaalde richtlijnen en verordeningen houden deels rekening met deze gevolgen.
- [10] Aan de vraagzijde hebben de consumenten het aandeel in hun budget voor voeding aanzienlijk teruggeschroefd. Bovendien is het voedingspatroon gewijzigd en ook de tijd die uitgetrokken wordt om maaltijden te bereiden is de laatste jaren sterk afgenomen. Voor sommige mensen blijft het een moeilijke opdracht om voldoende en gezond te eten.
- [11] Het voedingssysteem situeert zich dus duidelijk op het kruispunt van economische, sociale en milieubekommernissen. De productie, verwerking, distributie en consumptie van ons voedsel heeft dan ook op de drie dimensies van duurzame ontwikkeling een impact. De vraag naar de duurzaamheid van het systeem is dus een DO vraagstuk bij uitstek.
- [12] Hoewel de voedselketen zowel in België, als in Europa als in de rest van de wereld een complex gegeven is van activiteiten, productieprocessen en producten[4], beperkt dit FRDO advies zich tot het voedingssysteem in België en de invloed van productie en consumptie op derde landen, met name op ontwikkelingslanden. De bestaande stromen – van productie over verwerking en distributie tot de uiteindelijke consumptie – zijn complex. De weg van productie tot eindgebruiker kan lang zijn en op verschillende manieren verlopen. De landbouw en de visserij bevinden zich vooraan in de keten aan de productiezijde, samen met een deel van de voedingsindustrie. Deze sectoren produceren plantaardig en dierlijke grondstoffen voor de keten. De volgende schakels in de keten zijn de sectoren die voor de handel in, verwerking van en de distributie van ons voedsel zorgen. Daarna komt het voedsel bij de eindgebruiker, consumenten terecht. Tot slot vertrekken er vanuit alle schakels van de keten (productie, handel, verwerking, consumptie) ook nevenstromen en bijproducten en is er een input van grondstoffen, ondermeer energie en water. Deze nevenstromen en bijproducten worden ook vaak opnieuw in de keten gebruikt. In het bijzonder is er een intensieve recyclage in de primaire productie van grondstoffen voor bemesting, veevoeder en energieproductie.
- [13] De economische relevantie van de sector is zeer groot. Zo zijn in België bijvoorbeeld enorm veel bedrijven en mensen betrokken bij het voedingssysteem[5]. Daarnaast is globalisering en internationale handel binnen het voedingssysteem een feit. Ook in België wordt heel wat geïmporteerd en (na verwerking opnieuw) geëxporteerd. Daarbij moet wel worden benadrukt dat slechts gemiddeld 10% van de geproduceerde voedingsgrondstoffen internationaal verhandeld wordt.[6]
- [14] Dit huidige internationale voedingssysteem heeft dringend nood aan meer duurzaamheid. Het stuit over de ganse keten op economische, milieu- en sociale grenzen, zowel op Belgisch als Europees als internationaal niveau. Zo worden bestaande hulpbronnen (bv. visstocks) vaak op een niet duurzame wijze aangeboord[7], ontvangen niet alle schakels binnen de voedselketen een leefbaar inkomen, worden externaliteiten wereldwijd vaak niet meegerekend in de eindprijzen, legt de huidige en toekomstige productie en consumptie van voedsel wereldwijd een groot beslag op de belangrijkste ecosystemen in de wereld, het klimaat en de natuurlijke hulpbronnen (water, land, biodiversiteit), veroorzaakt de huidige productie en consumptie wereldwijd een verandering in landgebruik, zijn arbeidsomstandigheden wereldwijd niet altijd conform internationale conventies[8] en zijn er wereldwijd meer dan 1 miljard mensen die onvoldoende toegang hebben tot voldoende en of gezonde voeding[9] of die een niet duurzaam eetpatroon aanhouden. Daarnaast oefenen ook externe factoren zoals de klimaatverandering en de bevolkingsgroei druk uit op het voedingssysteem. Bovendien kan het verdwijnen van bepaalde reguleringsmechanismen om vraag en aanbod beter op elkaar af te stemmen of om de eigen duurzame productie te beschermen, enerzijds, armoede in andere regio’s van de wereld verhogen, en anderzijds, initiatieven van sommige producenten of schakels van de voedingsketen om tot meer duurzaamheid te komen, bemoeilijken. Het is belangrijk te vermijden dat positieve maatregelen die in een bepaalde regio worden genomen leiden tot een verplaatsing van die productie naar andere regio’s in de wereld waar minder aandacht is voor duurzame productie.
- [15] Een transitie naar een duurzamer voedingssysteem is dringend nodig . De manier waarop voedsel geproduceerd, verwerkt en geconsumeerd wordt, dient te worden geanalyseerd, geëvalueerd vanuit nieuwe gezichtshoeken en zij moet evolueren. Deze transitie verwezenlijken, vereist een inspanning van alle actoren met inbegrip van een verandering van ons gedragspatroon, van onze eetgewoonten.
3. Een definitie voor een duurzaam voedingssysteem:
- [16] Om beleidsvoorstellen voor een duurzaam voedingssysteem te kunnen formuleren, vindt de FRDO het raadzaam om eerst op zoek te gaan naar een definitie. De raad formuleert deze definitie als volgt:
- [17] Een duurzaam voedingssysteem garandeert het recht op voedsel, respecteert het principe van voedselsoevereiniteit, zorgt voor voldoende en gezond voedsel voor iedereen wereldwijd tegen een aanvaardbare prijs, zorgt ervoor dat de eindprijs van een product niet alleen alle productiekosten, maar ook alle externe sociale en milieu-kosten internaliseert. Dit systeem gebruikt grondstoffen en hulpbronnen (met inbegrip van arbeid en natuurlijke hulpbronnen zoals bodem, water en biodiversiteit) “at their rate of recovery” en respecteert de culturele eigenheid van voeding. Alle actoren uit de keten en de overheid moeten een bijdrage leveren om dit duurzaam voedingssysteem mogelijk te maken.
- [18] De FRDO is van mening dat een voedingssysteem, om duurzaam te zijn, dus aan een aantal voorwaarden moet voldoen die beschouwd kunnen worden als instrumenten om het dynamisch proces van een systeem in transitie in de juiste richting te sturen. Deze voorwaarden dienen als één geheel beschouwd en benaderd te worden. Een mondiaal voedingssysteem, om duurzaam te zijn, beantwoordt daarbij volgens de raad aan volgende voorwaarden:
- garandeert het recht op voedsel en voedselsoevereiniteit ;
- mag geen nadelige gevolgen hebben op duurzame productie in derde landen;
- leidt niet tot import van producten die niet voldoende duurzaam zijn ;
- vindt plaats binnen een kader dat minstens internationale sociale conventies en fundamentele arbeidsnormen van IAO (Internationale Arbeiders Organisatie) respecteert,ondermeer de basisrechten van werknemers ;
- maakt duurzaam gebruik van het economische, ecologische en menselijke kapitaal[10] van DO ;
- garandeert voor alle werknemers, producenten en andere actoren van de keten een leefbaar inkomen ;
- voorziet in voedsel aan een betaalbare prijs die niet alleen alle productiekosten, maar ook alle externe sociale en milieukosten en –voordelen reflecteert ;
- brengt mechanismen aan die waarborgen dat er geen misbruik is van dominante marktposities tussen de verschillende schakels van de keten;
- garandeert aan producenten de toegang tot productiemiddelen (land, water, zaaigoed, …) ;
- integreert de milieu-uitdagingen door internationale milieuverdragen na te leven (klimaat, biodiversiteit, woestijnvorming,…), door de bijdrage tot de klimaatopwarming te beperken, door de hernieuwbare natuurlijke hulpbronnen (waaronder biodiversiteit, water en bodem) te bewaren, door de goede werking van de grote ecosystemen in de wereld niet in het gedrang te brengen en door geleidelijk minder een beroep te doen op niet-hernieuwbare hulpbronnen ;
- moet worden bewerkstelligd door alle actoren uit de voedselketen en de overheid ;
- zorgt voor de productie, verwerking en distributie van voldoende en gezond voedsel ;
- garandeert dat binnen een evenwichtige voedingspatroon producten geen negatieve impact hebben op de gezondheid en dat gestreefd wordt naar een dergelijk evenwichtig voedingspatroon ;
- respecteert de culturele eigenheid van voeding bij bevolkingsgroepen.
- Hierna worden bepaalde van deze voorwaarden verder uitgelegd.
Het recht op voedsel en voedselsoevereiniteit
- [19] Het voedingssysteem heeft een grote impact op sociaal vlak, zowel in België als daarbuiten. Het huidige systeem schiet daarbij duidelijk te kort als het gaat om het garanderen van het recht op voedsel en voedselsoevereiniteit. Het aantal hongerigen in de wereld is sinds 2008 terug gestegen tot meer dan 1 miljard mensen[11]. De FRDO wijst in de eerste plaats op het recht op voedsel als onderdeel van een definitie van een duurzaam voedingssysteem. Een aantal basiselementen van het recht op voeding zijn: het respecteren van het recht op toegang tot voedsel, het beschermen van deze toegang en het actief versterken van dit recht op voedsel. Het recht op voedsel zit verankerd in een aantal internationale verdragen:
- de universele verklaring van de rechten van de mens (artikel 25) ;
- het internationaal Convenant on Economic, Social and Cultural Human Rights (1966) ;
- de wereldtop over voedsel uit 1996 ;
- een aantal aanbevelingen van een expertcomité over economische en sociale rechten (nr12 slaat op voeding) ;
- enkele vrijwillige richtlijnen in 2004 in opvolging van het expertcomité.
- [20] De overheid heeft dus de plicht om dit recht te verzekeren. Een progressieve realisatie van dit recht wereldwijd wordt verwacht. Ondertussen integreerden ongeveer 20 landen dit recht al in de wetgeving, en in een groeiend aantal landen is het proces lopende.[12] België heeft dit nog niet gedaan. Een duurzaam voedingssysteem in de EU moet daarbij de voedselonafhankelijkheid van de EU versterken.
- [21] De FRDO hecht er in deze context ook belang aan om de definitie van een duurzaam voedingssysteem en het recht op voedsel te kaderen in het bredere begrip van voedselsoevereiniteit. Voedselsoevereiniteit wordt gedefinieerd als het recht van landen en regio’s om een eigen beleid te voeren op vlak van landbouw, veeteelt, visserij, het recht op werk, op voedsel en op grondbezit, zodat dit beleid in overeenstemming is met de eigen economische, ecologische en sociale context. Voedselsoevereiniteit heeft zowel betrekking op het recht op voedsel als op het recht om enerzijds de eigen voedselproductie te beschermen en te ondersteunen indien nodig en om anderzijds een voldoende toegang tot de productiemiddelen en grondstoffen te behouden. Elk mens heeft immers recht op een gezonde, voldoende, evenwichtige en cultureel aanvaarde voeding en op de middelen die nodig zijn om dit voedsel te produceren of te verkrijgen. Het principe veronderstelt ook een algemeen recht op voedsel en gaat er van uit dat het uitoefenen van dit recht binnen een land of regio niet verhindert dat dit recht ook gerealiseerd kan worden in anderen landen of regio’s. De FRDO wijst er wel op dat het begrip van voedselsoevereiniteit verschilt van de legale context van het recht op voedsel.
Geen nadelige gevolgen hebben op duurzame productie in derde landen
- [22] Handelsstromen mogen geen destructurerende gevolgen hebben op de familiale landbouw in andere regio’s. Ongewenste impact door oneerlijke concurrentie veroorzaakt door dumping-praktijken op landbouwsystemen in andere landen moet worden vermeden. De FRDO behandelde deze problematiek al in zijn advies uit 2005 over de WTO (hoofdstuk i.v.m. landbouw). De FRDO wijst er wel op dat bepaalde zaken in dit dossier sindsdien geëvolueerd zijn en dat hiermee rekening moet worden gehouden.
Leidt niet tot import van producten die niet voldoende duurzaam zijn
- [23] Ook hier verwijst de FRDO naar het advies WTO uit 2005 (hoofdstuk i.v.m. landbouw) en dat rekening moet worden gehouden met de evoluties die zich sindsdien in dit dossier voordeden.
Rechten van de arbeiders en naleving van de sociale conventies en internationale normen van IAO
- [24] Sommige leden[13] menen dat een duurzaam voedingssysteem een systeem is dat de fundamentele arbeidsnormen in aanmerking neemt.
- [25] Voor andere leden[14], schrijft een duurzaam voedingssysteem zich in binnen een structuur losgekoppeld van het voedingssysteem, die de IAO normen in aanmerking neemt.
Duurzaam omspringen met de drie kapitalen van Duurzaam Ontwikkeling
- [26] De FRDO is van mening dat de productie, verwerking, distributie en consumptie binnen de ganse keten van het voedingssysteem op een zo duurzaam mogelijke wijze dient te gebeuren rekening houdend met de economische, ecologische en sociale effecten ervan. Er moet duurzaam worden omgesprongen met deze drie kapitalen met als doel het gebruik ervan door de huidige en toekomstige generaties niet in het gedrang te brengen.
- [27] Duurzaamheid moet daarbij vanuit de drie kapitalen van DO bekeken worden. Er is nood aan instrumenten om de sociale, economische en ecologische kapitalen te waarderen en te integreren. Daarnaast moet bij het nastreven van duurzaamheid ook uitgegaan worden van een ketenbenadering. Duurzaamheid moet doorheen de ganse keten nagestreefd worden, van grondstof ontginning, initiële productie over verwerking en transport tot de uiteindelijke consumptie of verwerking van een product en de afvalstoffen.
Integratie van milieu-uitdagingen
- [28] Het voedingssysteem heeft onmiskenbaar een impact op het leefmilieu. Er bestaan talrijke studies die de impact van bepaalde gedeelten van de keten bestudeerden (FAO, UNEP, GIEC, …). De FRDO stelt echter vast dat er weinig globale cijfers beschikbaar zijn over de impact van het voedingssysteem in zijn geheel, en dat deze cijfers voor België bijna niet bestaan.
- [29] Er bestaat nochtans een studie van de Europese Commissie over de milieu-impact van de geconsumeerde producten in Europa, waarbij rekening wordt gehouden met hun volledige levenscyclus.[15] Deze studie vermeldt de impact van voedingsproducten (inclusief dranken) in vergelijking met alle geconsumeerde producten in Europa:
- In het algemeen vertegenwoordigen de voedingsproducten 20 à 30 % van de milieu-impact van producten. Uit de studie blijkt dat twee groepen van voedingsproducten de belangrijkste impact hebben (vlees en vleesproducten enerzijds, zuivelproducten anderzijds).
- Voor bepaalde specifieke milieueffecten op basis van de methode van de levenscyclusanalyse, vermeldt de studie de volgende cijfers:
| Voeding (dranken inbegrepen) | Vlees en zuivelproducten | |
| % ten aanzien van de impact van alle producten geconsumeerd in de EU | ||
| Impact op abiotische hulpbronnen | 22.2 % | |
| Klimaatopwarming | 31.1 % | 8 à 12 % |
| Fotochemische oxidatie | 27.4 % | |
| Verzuring | 31.2 % | |
| Eutrofisering | 59.7 % | 24 à 36% |
| Toxicologische impact op de mens | 25.5 % | |
| Ecotoxiciteit | 33.7 % | |
-
- Daarnaast wordt op wereldniveau 67% van de drinkbaar-waterreserves gebruikt voor landbouwdoeleinden, voornamelijk voor irrigatie.[16] In België daarentegen wordt irrigatie zelden toegepast en blijft het gebruik van water voor de landbouw beperkt tot 9% van de totale waterconsumptie.
- [30] Bovendien heeft het voedingssysteem, globaal genomen, een impact op de biodiversiteit, meer bepaald op de visbestanden. In het VN rapport, wordt verwezen naar landbouw en voedingsconsumptie als, naast andere factoren, belangrijke indirecte en directe ‘drivers’ achter veranderingen in ecosystemen en biodiversiteit. [17]–[18]
- [31] Een voedingssysteem, om duurzaam te zijn, moet ook meer bepaald:
- De internationale milieuconventies en -verdragen die van kracht zijn, naleven (klimaat, woestijnvorming, biodiversiteit, …);
- De uitstoot van BKG langs de ganse keten (van productie tot consumptie) verminderen, o.a. door voedingsgewoonten te veranderen (seizoensgroenten en –fruit);
- Landbouwtechnieken en –systemen ondersteunen die meer compatibel zijn met de biodiversiteit en tot het behoud en zelfs het herstel ervan bijdragen, waarbij ook het behoud van andere natuurlijke hulpbronnen (bodem, water, lucht) en het leefmilieu in het algemeen wordt verzekerd ;
- Vermijden dat soorten (meer bepaald vissen) met uitsterven worden bedreigd of onder een drempel komen die nodig is voor een goed functioneren van het betrokken ecosysteem ;
- De verschillende eigenschappen van landbouwgronden bewaren (structuur, aandeel organisch materiaal, microbiologisch leven, ..) om onder andere zo de productiecapaciteit te behouden ;
- Het gebruik van water beperken en de vervuiling ervan verminderen zodat bijgedragen wordt aan een goede waterkwaliteit.
- [32] Bovendien vermindert een dergelijk systeem progressief het gebruik van niet hernieuwbare energiebronnen, met name fossiele energiebronnen, en de exploitatie van ondergrondse watervelden. Een duurzaam voedingssysteem maakt daarnaast ook omzichtig gebruik van mijnproducten en beperkt tot slot verspilling tot een minimum.
Leefbaar inkomen
- [33] Een duurzaam voedingssysteem garandeert dat de werknemers, de producenten en alle andere actoren uit de ganse productieketen een inkomen krijgen dat hen in staat stelt een waardig leven te leiden en garandeert waardige werkomstandigheden.
Een correcte en betaalbare prijs
- [34] Een voorwaarde voor een duurzame voedselketen is dat alle kosten (sociaal, milieu en economisch) in de prijs van een product worden opgenomen. Bovendien worden een aantal maatschappelijke bekommernissen zoals de productie van veilig voedsel, het in stand houden en ontwikkelen van duurzame productiewijzen, het op lange termijn in stand houden van ecosystemen en vruchtbaarheid van de bodem, de ontwikkeling van leefbaarheid op het platteland, het eerlijk vergoeden van alle kosten, inclusief milieukosten, kwaliteitsvol werk in de sector en een eerlijke toegang tot productiemiddelen, niet overal in dezelfde mate of op dezelfde manier in aanmerking genomen. Indien het internaliseren van externe kosten en van maatschappelijke bekommernissen (zie hierboven) in de prijs van een product, niet overal ter wereld op dezelfde manier gebeurt, veroorzaakt dit verstoringen van de markt waardoor producenten die wel rekening (moeten) houden met deze bekommernissen uit de markt geprijsd worden. Dit zou er op termijn kunnen toe leiden dat de productie wordt verplaatst naar landen waar deze kosten niet worden geïnternaliseerd.
- [35] Daarnaast moet een duurzaam voedingssysteem een leefbaar inkomen voor elke schakel in de keten verzekeren. Soms is het zo dat de eerste schakel in de keten – met name de landbouwers – niet meer een leefbaar inkomen krijgen voor hun product. De FRDO gaat in [66] tot [70] op deze problematiek dieper in.
- [36] Tot slot dient ook de eindconsument een betaalbare prijs voorgeschoteld krijgen voor zijn basisvoedsel.
- [37] De FRDO is zich er daarbij van bewust dat de combinatie van een correcte prijs, die externaliteiten integreert, die een leefbaar inkomen verzekert voor alle schakels in de keten en die tegelijk betaalbaar is voor de eindconsument een moeilijke evenwichtsoefening is, die een maatschappelijk draagvlak vereist. Deze eisen veroorzaken duidelijk een spanningsveld dat beleidsmatige oplossingen en waar nodig, openbare correctiesystemen, vereist.
Geen misbruik van dominante marktposities tussen de verschillende schakels van de keten
- [38] Een duurzaam voedingssysteem vereist sterke schakels over de ganse keten. Daarbij zijn evenwichtige relaties tussen de verschillende schakels nodig. Familiale landbouwbedrijven[19] zijn nu wereldwijd de zwakste schakel in de keten. Eén van de uitdagingen voor de toekomst is het uitbouwen van een keten waarvan elke schakel sterk staat en de ganse keten als geheel competitief wordt uitgebouwd.
Betrokkenheid van alle actoren
- [39] Alle actoren zijn verantwoordelijk voor de realisatie van een duurzaam voedingssysteem. De overheid dient hiervoor een coherent beleid over alle sectoren heen te voeren. Er moet ook coherentie zijn met internationale sociale en milieu conventies, naast de bestaande economische- en handelsakkoorden.
Voldoende en gezond voedsel en een evenwichtig voedingspatroon
- [40] Een duurzaam voedingssysteem zorgt er voor dat iedereen overal voldoende en gezond voedsel ter beschikking heeft.
- [41] Voor wat de situatie van de problematiek in België betreft, verwijst de FRDO naar het Nationaal Plan Voeding en Gezondheid (NPVG). Het eerste deel van dit Plan beschrijft de determinerende factoren voor voeding en gezondheid in België. Hiervoor wordt verwezen naar de resultaten van de voedselconsumptiepeiling uit 2004[21]. Volgende conclusies[22] zijn van belang voor het NPVG:
- 12-18% van de bevraagde populatie gebruikt minder dan eens per week melk of melkproducten ;
- Er is een extreem laag gebruik van fruit. Amper een derde tot de helft van de mensen gebruikt dagelijks fruit. 10-15 % van de ondervraagde bevolking eet zelfs minder dan één maal per week een stuk fruit. Gelijkaardige cijfers stelt men vast voor het gebruik van groenten ;
- Er is een dagelijkse gebruiksfrequentie van zoute en zoete snacks bij de helft tot twee derde van de volwassen bevolking en tot drie vierde van de jongeren (15-18 jaar) ;
- Ongeveer 10 % van de bevolking gebruikt voedingssupplementen ;
- Vegetarische producten worden slechts sporadisch gebruikt.
- [42] Op basis van dezelfde consumptiepeiling wordt ook gesteld dat de gemiddelde BMI (Body Mass Index) binnen de range ligt die als normaal wordt bestempeld in de wetenschappelijk literatuur. Toch stelt het NPVG vast dat 3,4 % van de bevolking lijdt aan ondergewicht terwijl 10,8 % obees is. Andere analyses en gegevens tonen aan dat het percentage van de bevolking dat lijdt aan ondergewicht, overgewicht en obesitas stijgt. Het NPVG legt ook de nadruk op het gebrek aan fysieke activiteit en maakt duidelijk dat meer fysieke activiteit niet enkel aan te bevelen is voor mensen met overgewicht maar voor de ganse bevolking. Op basis van deze vaststellingen heeft het NPVG een reeks prioritaire maatregelen vastgelegd inzake Energie-balans, consumptie van fruit en groenten, inname van vetten, verbruik van koolhydraten en voedingsvezels, verbruik van zout, tekorten aan bepaalde mineralen, spoorelement, vitamines en andere voedingsbestanddelen en drinken van water.[23] Een evenwichtige voeding is niet de enige bezorgdheid van de FRDO. Een duurzaam voedingssysteem mag de gezondheid van de consument op geen enkele manier in gevaar brengen.[24]
- [43] Sommige leden[25] verwijzen hier naar producten die potentieel schadelijk zijn voor de gezondheid, zoals sommige additieven, glucosestroop, hormoonverstorende stoffen, transvetzuren, …, die het noodzakelijk maken om het voorzorgprincipe strikter toe te passen.
- [44] Andere leden[26] menen dat de voedingswetgeving bepaalt dat producten die schadelijk zijn voor de gezondheid niet op de markt mogen worden gebracht. Op basis van een wetenschappelijke risico-evaluatie doet de overheid hieromtrent indien nodig een uitspraak. Daarbij kan desgevallend het voorzorgsprincipe toegepast worden, zoals bepaald in de wetgeving (cfr. Verordening 178/2002). Tevens wordt rekening gehouden met de evolutie van de wetenschappelijke kennis. Deze aanpak is ook van toepassing voor de vermelde producten.
- [45] In ons internationaal beleid moet de doelstelling van gezonde en voldoende voedsel nagestreefd worden. Bij de strijd om de honger de wereld uit te helpen, en de initiatieven die België hierin neemt, moet er daarom ook aandacht gaan naar de kwaliteit en de samenstelling van de voeding, naar een voldoende niveau van lokale en regionale (groep van landen) voedselautonomie, en naar de promotie van consumptiepatronen op basis van lokale en regionale duurzame productie.
Respect voor de culturele eigenheid
- [46] Een duurzaam voedingssysteem houdt ook rekening met de culturele eigenheid van voeding.
4. Huidige beleid en initiatieven in België (inventaris).
- [47] Vooraleer in te gaan op de vraag naar nieuwe beleidsvoorstellen voor een duurzaam voedingssysteem, wijst de FRDO er op dat in België reeds initiatieven bestaan. Voor een overzicht verwijst de raad naar bijlage 1 van dit advies.
5. Beleidsvoorstellen
Een langetermijnvisie is noodzakelijk
- [48] De FRDO is van mening dat er een lange termijnvisie op een duurzaam voedingssysteem moet ontwikkeld worden.[27] Deze visie moet beschrijven waar we in de toekomst willen staan op het vlak van een duurzaam voedingssysteem, hoe ons duurzaam voedingssysteem er uit moet zien binnen X aantal jaren. Dit duurzame systeem kan mogelijks gerealiseerd worden via verschillende strategieën. Deze strategieën kunnen ontwikkeld worden in een transitiearena, waarin stakeholders de transitie inhoudelijk en praktisch uitwerken.
Een transitie naar een duurzaam voedingssysteem
- [49] Het huidige internationale voedingssysteem heeft dringend nood aan meer duurzaamheid.. Om werkelijk op weg te gaan naar een duurzamer systeem, is een transitie nodig. Daarbij is het belangrijk om verschillende transitiepaden te ontwikkelen om de lange termijn toekomstvisie te realiseren. De combinatie van deze mogelijke oplossingen levert het meeste kans op een succesvolle transitie. Zo dienen niet enkel technologische oplossingen naar voren te worden geschoven of enkel de eco-efficiëntie van het systeem te worden nagestreefd, ook de bereidheid van alle actoren en de maatschappij tot transitie moet vergroot worden. De FRDO is immers van mening dat een verandering bij alle actoren (in gedrag, overtuiging en attitude) één van de sleutelelementen is om de transitie naar een duurzaam voedingsysteem te verwezenlijken. Daartoe moeten alle actoren betrokken worden in het transitieproces. Een transitie voltrekt zich daarbij niet van dag tot dag, maar is een werk van lange adem. Dit geeft verschillende actoren ook de gelegenheid zich aan een veranderende situatie aan te passen. Hiertoe moet een gepast beleid gevoerd worden.
- [50] De FRDO pleit voor het opzetten van een nationaal, beleidsoverschrijdend platform (waarbij dus ook de gewesten worden betrokken) om een meer coherent beleid te verzekeren en de transitie van ons bestaande voedingssysteem naar meer duurzaamheid te begeleiden en te faciliteren. Een dergelijk platform overstijgt immers individuele actoren of groepen en zoekt naar acties zowel op lange als op korte termijn. De FRDO verwijst hier naar de bestaande voorbeelden op Vlaams niveau van DUWOBO (duurzaam wonen en bouwen) en Plan C (duurzaam materiaalgebruik). Dit platform voor een duurzaam voedingssysteem zou ook een strategisch plan voor een duurzaam voedingssysteem kunnen uitwerken.
Een coherent beleid is nodig
- [51] Het huidige beleid is momenteel onvoldoende coherent en een eenduidige strategie voor de verduurzaming van het voedingssysteem ontbreekt. Het voedingssysteem is zonder twijfel wat men noemt een cross cutting issue. Het raakt aan vele, zo niet alle beleidsdomeinen (economie, handel, arbeidsomstandigheden, productbeleid, milieu, landbouw, ruimtelijke ordening, gezondheid, ontwikkelingssamenwerking, …). Deze incoherentie, waarbij het ontbreekt aan een duidelijke visie, maakt het voor verschillende actoren binnen de keten, niet in het minst de landbouwers, moeilijk om een toekomstgerichte strategie te ontwikkelen om zich op een transitie voor te bereiden.
- [52] De FRDO wijst er dan ook op dat enkel een geïntegreerde benadering van competenties binnen en tussen beleidsniveaus, die ook rekening houdt met de input van de verschillende stakeholders van de voedselketen, een echte transitie mogelijk maakt.
- [53] Het regelgevingkader moet beter aangepast zijn aan verschillende types van bedrijven. Gezien de operationele verschillen tussen grote en kleine bedrijven, zullen de controle- en bemonsteringsplannen en ook de fabricageprocessen voor deze structuren moeten worden aangepast. Hierdoor zal de nadruk kunnen worden gelegd op resultaatsverbintenissen met beter aangepaste werkwijzen, waarbij tegelijk het in stand houden van de voedselveiligheid wordt gegarandeerd. Er is nood aan een administratief kader en een aangepaste controle die soepel en pragmatisch zijn. Men moet er zich van bewust zijn dat de mechanismen van dit kader en deze controle aanzienlijke kosten/eisen kunnen teweegbrengen voor de producenten, verwerkers en distributeurs. Ook al heeft het FAVV reeds inspanningen in die zin geleverd, toch moet de federale regering meer beleidslijnen uitwerken die verschillen naargelang van de grootte van het bedrijf.
- [54] Binnen het Europese en internationale kader kan de overheid eigen initiatieven uitwerken die zowel op ecologisch als sociaal en economisch vlak kansen scheppen. Daarbij moet dan wel vanuit de overheid in de nodige (financiële) ondersteuning worden voorzien om de concurrentiepositie van bedrijven niet in het gedrang te brengen. België moet op EU en internationaal niveau aandringen op meer coherentie (coherentie als criterium voor goed bestuur) en het uitwerken van maatregelen voor een duurzaam voedingssysteem wereldwijd.
- [55] De FRDO vraagt om de principes van het recht op voedsel, voedselsoevereiniteit en de sociale rechten van voedselproducenten en arbeiders uit de sector te bevestigen, daarbij verwijzend naar de internationale conventies en akkoorden ter zake
Naar een duurzaam landbouw- en visserijmodel wereldwijd
- [56] De crisis in de voedselsector van 2007-2008 is een hele tijd geleden ontstaan. Zij heeft zich langzaam maar gestaag ontwikkeld, onder meer door zonder voldoende omkadering sinds tientallen jaren liberaliseringsmaatregelen en het principe van het vrije verkeer van landbouwgrondstoffen toe te passen, door bepaalde landen te dwingen hun markten te openen voor de internationale handel, door de desinvestering in de landbouwsector en de deregulering van markten. In 2008 sloeg deze crisis evenwel in alle kracht toe en groeide zij uit tot een crisis op wereldvlak, met name omwille van misoogsten, beperkte voorraden door stelselmatige afbouw ervan, een toenemende vraag door een stijgend inkomen in groeilanden en de vraag naar biobrandstoffen. Speculatie verscherpte de prijspiek. Het prijssignaal werd in ontwikkelingslanden onvoldoende omgezet in een toename van de productie omdat de scherpe prijsstijging van grondstoffen, energie en productiefactoren de prijsstijging van landbouwproducten overschreed en aanleiding gaf tot een scherpe daling in het landbouwinkomen.
- [57] Reacties op deze crisis blijven niet uit. Er is momenteel een hernieuwde belangstelling voor de landbouwsector. Landbouw stond ondermeer op de agenda van de G8 in Aquila. Het belang van familiale producenten wordt terug meer erkend, er is een discours over het recht op voedsel en het Committee on World Food Security werd hervormd.
- [58] De FRDO verwijst inzake de noodzaak van de uitbouw van een wereldwijd duurzaam landbouwmodel naar zijn advies uit 2005 over de WTO. De FRDO wijst er wel op dat bepaalde zaken in dit dossier sindsdien geëvolueerd zijn en dat hiermee rekening moet worden gehouden.
- [59] Daarnaast verwijst de FRDO inzake een duurzaam landbouwmodel ook naar het IAASTD-rapport[29] dat duidelijke conclusies formuleerde. Dit rapport dat geschreven werd door een internationaal panel van wetenschappers, geeft aan dat naast grote en middelgrote bedrijven, er een groot potentieel bestaat voor familiale agro-ecologische bedrijven om de wereld op een duurzame manier van voldoende voedsel te voorzien. Het is dan ook belangrijk dat ook federale en gewestelijke overheden deze conclusies overnemen en implementeren in de totaliteit van hun binnenlands en internationaal beleid (handel, investeringen, landbouw, ontwikkelingssamenwerking, enz.).
- [60] In het kader van de ontwikkelingssamenwerking is het daarom belangrijk de bestaande initiatieven in stand te houden en aanvullende voorstellen uit te werken over de rol die België zou kunnen spelen in een betere ondersteuning van de familiale landbouw. Dit door het verbeteren van de omstandigheden en de capaciteit voor de opslag, door het bevorderen van consumptiepatronen die steunen op de lokale en regionale productie, door het veilig stellen van grondrechten, door het behoud van natuurlijke rijkdommen en door het voorzien in de toegang van voedingsmiddelen tot de lokale markt (specifieke bijstand, technologieoverdracht om duurzame opslagomstandigheden mogelijk te maken, enz.). België moet daarom tegen 2015 15% van zijn ontwikkelingshulp aan landbouw besteden, conform wat reeds eerder besloten werd. [30]
- [61] Voedselproductie gaat gepaard met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Gelet op de vragen die zich stelden ten aanzien van de impact op de gezondheid van het gebruik van pesticiden en biociden, wer een Programma voor de Reductie van Pesticiden en Biociden (PRPB) in België aangenomen. De FRDO deed in zijn advies uit 2007 over dit programma al een aantal aanbevelingen voor het beleid.[31] De raad wijst er daarnaast op dat in dit kader ook rekening moet worden gehouden met recente Europese ontwikkelingen.[32]
- [62] Sommige leden[33] herhalen dat het PRPB dit stelt: “Pesticiden en biociden bewijzen ontegensprekelijk de bevolking grote diensten en hebben het mogelijk gemaakt voedsel ter beschikking te stellen dat vrij is van toxische stoffen en pathogenen die vroeger zo veel schade hebben aangericht. Het gebruik van pesticiden en biociden gaat echter gepaard met de blootstelling aan een groot aantal potentieel gevaarlijke stoffen. Door het grootschalig gebruik van deze producten, vreest men nadelige gevolgen voor de gezondheid van mens en milieu. Het is dan ook voor iedereen duidelijk geworden dat, uit voorzichtigheid, zowel het professionele en niet-professionele gebruik als de risico’s die ermee verband houden moeten beperkt worden.”. Deze leden steunen desgevallend de PRPB voornaamste doelstelling die erin bestaat tegen 2012 de impact op het leefmilieu van pesticiden voor landbouwkundig gebruik met 25% te verminderen en een vermindering met 50% te bewerkstelligen in andere sectoren waarop erkende pesticiden en toegelaten biociden een impact hebben. Deze leden menen ook dat het PRPB, gecoördineerd door de FOD Volksgezondheid, het platform moet blijven voor het opmaak en het toepassen van de strategieën en initiatieven inzake fytosanitaire producten en biociden.
- [63] Niettegenstaande reeds bepaalde inspanningen geleverd zijn, wijzen andere leden[34] op de blijvende noodzaak om tot een verminderde afhankelijkheid van het landbouw te komen ten aanzien van biociden en pesticiden, en om de negatieve impact van hun gebruik te beperken. Deze leden pleiten voor het verder ontwikkelen en in praktijk brengen van niet-chemische alternatieven, zoals het toepassen van landbouwsystemen die minder afhankelijk zijn van pesticiden (door gewasrotatie bijvoorbeeld) of het inzetten van biologische bestrijding.
- [64] Het GLB van de EU speelt een zeer belangrijke rol in de omslag naar een duurzaam voedingssysteem. Daarom is het positief dat het GLB naast efficiëntieverbetering en stijgende productiviteit al geruime tijd oog heeft voor verduurzaming. Meer specifiek zijn er al stappen gezet om de ecologische impact te verkleinen, het multifunctionele karakter van de landbouw te ondersteunen of om handelsverstoringen tegen te gaan. Het is van het grootste belang het inkomen van familiebedrijven te vrijwaren, want deze structuren zijn multifunctioneel en beantwoorden het best aan de maatschappelijke verwachtingen ten opzichte van de landbouw. De FRDO wil deze evolutie in het GLB bestendigd zien en verder versterken bij de hervorming ervan in 2013. In de doelstellingen voor het GLB moet de verduurzaming van de Europese landbouwproductie als expliciete doelstelling op genomen worden, zonder afbreuk te doen aan de primaire doelstellingen van het GLB : voldoende en veilig voedsel produceren aan een redelijke prijs voor de consument, stabiele markten verzekeren en een leefbaar inkomen voor de producent.
- [65] Ook in de visserij is dringend meer duurzaamheid nodig. De gebruikte methoden leggen een enorme druk op de drie dimensies van duurzame ontwikkeling. De FAO geeft in het jongste rapport over de toestand van visbestanden aan dat de sector tegen het plafond zit. Een internationaal team van wetenschappers kwam in het tijdschrift Science[35] door extrapolatie tot de conclusie dat de oceanen tegen 2050 zouden leeggevist zijn. De FRDO pleit er dan ook voor dat België actief op EU niveau zou ijveren voor een meer duurzame visvangst die rekening houdt met de capaciteit van visbestanden om zich te vernieuwen. Dit om overbevissing tegen te gaan. In eerste instantie is de raad van mening dat technieken die onomkeerbare schade veroorzaken aan het mariene milieu en vaak ook economisch niet efficiënt zijn (boomkorvisserij of het gebruik van sleepnetten) op termijn vervangen moeten worden door meer duurzame technieken.[36]
- We kennen de dreigende gevaren voor de visbestanden en deze voor de toegang tot visproducten voor heel wat mensen uit het Zuiden: duurzaam vissen betekent dat er minder op bedreigde soorten en beter zal moeten worden gevist ; een beperkter aanbod betekent ook onmiddellijk dat de vissers een hogere prijs zullen krijgen voor hun vis zodat zij van hun activiteit kunnen leven.
- Om de consumptie te sturen moet er een efficiënte informatiemiddel voor de promotie van duurzame visproducten (etikettering of andere middelen) tot stand worden gebracht. De Europese Commissie werkt momenteel aan “minimumcriteria voor het toekennen van een milieukeurmerk voor duurzame visvangst” die nog niet zijn uitgevaardigd. Anderzijds zijn er vele andere initiatieven van organisaties die eigen criteria gebruiken om de duurzaamheid aan te tonen (responsible fishing alliance, Marine Stewardship Council, FAO richtlijn[37], …) Op Europees vlak moet België ervoor ijveren dat de sociale criteria (arbeidsvoorwaarden en sociale bescherming) behouden blijven in de minimumcriteria voor het toekennen van een milieukeurmerk en moet de volgende bijkomende informatie toevoegen aan de milieucriteria:
- de toegepaste vistechniek
- de exacte viszone (al dan niet EEZ)
- vis die al dan niet diepgevroren geweest is;
- de nationale vissersorganisatie van het land van herkomst van het product
- Er moet wel worden op toegezien dat geen wildgroei aan verschillende criteria ontstaat maar dat er gestreefd wordt naar één enkel Europees systeem.
Rechten van de werknemers en leefbaar inkomen
- [66] Bepaalde leden[38] pleiten voor het invoeren van reguleringsmechanismen die het verplicht maken de rechten van de werknemers te respecteren en waardig werk[39] te bevorderen in alle schakels van de voedselketen. Waardig werk moet een prioriteit worden in de Belgische en internationale beleidslijnen.
- [67] Dezelfde leden menen dat er criteria inzake transparantie en sociale traceerbaarheid moeten worden opgelegd aan de volledige productieketen, met inbegrip van de voedselketen. In eerste instantie moet op Belgisch niveau een regulerend kader worden opgemaakt, verder bouwend op de bestaande Belgische en Europese wetgeving (zie resolutie 16 juli 2009 betreffende de toepassing van sociale- en milieunormen in het kader van de globalisering[40]). Dit op Belgisch niveau uitgewerkt kader zou een aanzet kunnen zijn voor de goedkeuring van een dwingend en doeltreffend Europees kader[41] waarop men kan terugvallen.
- [68] Deze leden menen tevens dat het handels- en investeringsbeleid ondergeschikt moet worden gemaakt aan het naleven van de internationale arbeidsnormen van de IAO[42]. De nieuwe eisen ter bescherming van buitenlandse investeringen in grond (aankopen en huren van land) die de internationale financiële instellingen opleggen en die de toegang tot land in gevaar brengen voor de boeren en de lokale gemeenschappen, moeten worden gewijzigd. Het naleven van de internationale arbeidsnormen moet verplicht worden gemaakt door de overheden, de multinationals, hun dochtermaatschappijen en onderaannemers.
- [69] Andere leden[43] menen dat het naleven door landen van de conventies van de IAO (Internationale ArbeidsOrganisatie) een apart en bindend proces is met controlemechanismen, rapportering en sancties. Het is niet aangewezen « reguleringsmechanismen » in te voeren om de verschillende schakels van de voedselketen te « verplichten » de verschillende IAO-conventies na te leven. Men moet realistisch blijven gezien de complexiteit en het vaak grote aantal actoren en producten in de voedselketens. Het instellen van dergelijke unilaterale mechanismen op Belgisch of Europees vlak, zou een ernstige economische en administratieve handicap betekenen. Tenslotte stelt zich ook het probleem van de armste landen, waar sociale normen niet steeds nageleefd worden: zullen zij niet als eerste nadeel ondervinden van een dergelijk systeem?
- [70] De FRDO vraagt naar een versterking van de werkingsmiddelen van het nationaal contactpunt voor de toepassing van de OESO richtlijnen voor multinationale ondernemingen. Met een versterking van de werkingsmiddelen van dit contactpunt kan de overheid bedrijven veel beter begeleiden bij het investeren of handel voeren in ‘risicovolle’ gebieden.
Evenwichtige relaties tussen de schakels van de keten is nodig
- [71] De voedselketen kent een specifieke structuur met aan de uiteinden een groot aantal producenten, respectievelijk consumenten en anderzijds een beperkt aantal bedrijven met een groot marktaandeel als tussenschakel in de verwerking en de handel. Het voedingssysteem wordt dan ook vaak voorgesteld als een zandloper. Deze situatie werd onlangs beschreven in een mededeling van de Europese Commissie “A better functioning food supply chain in Europe[44]”. De FRDO vraagt dat België de uitwerking van de conclusies van deze mededeling van de Europese commissie helpt te ondersteunen. De verwerkings- en distributiesector bepalen welke de keuzemogelijkheden voor de consument zijn, rekening houdend met wat de consument wenst en de bereidheid om te betalen voor een product.
- [72] Het aanbod in de winkels en de prijs van de voedingsproducten worden ook, althans gedeeltelijk en in bepaalde gevallen, bepaald door het aanbod op het vlak van de primaire productie en de vraag van de consumenten (soms op wereldvlak). De onderlinge afstemming van vraag en aanbod komt dan ook alle schakels van de keten ten goede (via zo nodig mechanismen). De FRDO vraagt dat de overheden initiatieven in deze zin zouden ondersteunen, terwijl zij zich ook bewust zouden zijn van de beperkingen omwille van de kenmerken van de landbouwsector (klimaatonzekerheden, investeringen op lange termijn,…).
- [73] Kleine producenten hebben soms te weinig zeggingschap over de prijs die ze voor hun producten kunnen krijgen. Buiten de rechtstreekse verkoop (die niet door iedereen haalbaar is), hebben de landbouwers in bepaalde sectoren van de voedselproductie slechts een beperkte zeggingschap over de verkoop van de productie. De krachtsverhoudingen tussen de verschillende actoren van de voedselketen leiden bijgevolg tot een aanzienlijke druk op de landbouwsector.
- [74] In België bestaat de mogelijkheid voor producenten om samenwerkingsverbanden op te richten. De FRDO vraagt om te onderzoeken of deze bestaande wetgeving voldoende is om voor deze producenten een voldoende sterke onderhandelingspositie binnen de keten te creëren. Daarnaast moet op Europees niveau werk worden gemaakt van een breed kader om klein- en grootschalige samenwerkingsverbanden op te zetten en te ondersteunen. Op het regionale niveau moet hieraan verder invulling worden gegeven, in samenspraak met de verschillende sectoren die de voor hun best geschikte vorm van samenwerking moeten kunnen opzetten om hun positie in de agrovoedingsketen te versterken.
Een correcte prijs is nodig
- [75] Meer transparantie over de prijsvorming en een correcte verdeling van de toegevoegde waarde in de keten is nodig. Een prijzenobservatorium kan een instrument zijn om bij (mogelijke) incorrecte situaties de overheid te adviseren. In mei 2008 heeft de federale regering de oprichting van een dergelijk prijzenobservatorium goedgekeurd. Ondertussen werden door dit observatorium twee studies afgerond: één rond de melkprijs en één rond de prijs van vlees. Daarnaast werd in de schoot van de FOD economie een structuur gecreëerd om het ketenoverleg rond de prijsparameters van voedingsproducten op te starten. Er werd door verschillende actoren uit de voedingsketen ook het initiatief genomen om dit probleem op te lossen.[45] Ook op gewestelijke vlak zijn er initiatieven genomen. Zo heeft Minister Peeters onderzoek gelanceerd rond de vorming van de voedselprijzen. De FRDO vraagt aan de overheid om deze initiatieven te ondersteunen en op regelmatige tijdstippen te evalueren.
- [76] De FRDO vraagt ook dat een beleid gevoerd wordt zodat inspanningen van actoren in de keten om de duurzaamheid van de producten te verhogen, in de verkoopprijs weerspiegeld kunnen worden.
- [77] Bijkomende marktregulerende maatregelen, zoals aanbodbeheersing, inter-professionele akkorden, marktgestuurde aanbodbeheersing, strategisch voorraadbeheer en andere, moeten getroffen kunnen worden om extreme prijsschommelingen te kunnen voorkomen, die enerzijds boeren moeten beletten onder de kostprijs te moeten verkopen en anderzijds de consumenten om onnodig hoge prijzen te betalen.
Bijkomend onderzoek is nodig
- [78] Om mensen in staat te stellen de juiste keuzes te maken en om effectieve en efficiënte beleidsmaatregelen te nemen die nodig zijn om het voedingssysteem in de richting van duurzaamheid te sturen zijn instrumenten nodig om ecologische en sociale componenten van het voedingssysteem te waarderen.
- [79] Blijvend en bijkomend onderzoek naar uitvoerbare strategieën om landbouw- en voedselsystemen duurzamer te maken en onderzoek naar correcte gegevens inzake de (economische, sociale, …) gevolgen op duurzaamheid van de productie, verwerking en uiteindelijke consumptie of verwerking van ons voedsel zijn daarom nodig.
- [80] Een opvolging en het vervolledigen van de enquête uit 2004 over de voedselconsumptie in ons land is nuttig om een deel van deze gegevens te bekomen.
- [81] Elke schakel in de voedingsketen moet zich kunnen baseren op correcte informatie omtrent de duurzaamheid van de producten. Op dit moment is er nog geen eenduidig systeem dat deze informatie verschaft. Instrumenten als de ecologische voetafdruk, de carbon footprint, labels als bio, Fair Trade, eerlijke handel, duurzame handel, Rainforrest Alliance, Fruitnet, Flandria en Truval, UTZ Certified, … zijn slechts enkele methodes die een idee geven van het duurzaamheidskarakter van een product. Deze concepten kunnen nu al als basis dienen voor het ontwikkelen van een beleid maar dienen verder geëvalueerd, verfijnd en ontwikkeld te worden.
- [82] Idealiter moet op lange termijn gestreefd worden naar één methode om de duurzaamheid te beoordelen. De verdere ontwikkeling van een instrument dat alle aspecten van duurzaamheid integreert, moet op Europees niveau gestimuleerd worden.
- [83] De LCA methode[46] kan een startpunt zijn. De FRDO wijst er wel op dat verdere verfijning van deze LCA-methode nodig zal zijn omdat deze op dit moment nog een aantal tekortkomingen kent. Zo ontbreekt het momenteel bijvoorbeeld nog aan het in rekening brengen van biodiversiteit, gebruik van gevaarlijke stoffen, … Ook is nood aan verder onderzoek naar de integratie en verbetering van sociale elementen in de LCA.[47] In dit opzicht vormt het gebruik en de perfectionering van de bestaande sociale labels eveneens een niet te verwaarlozen bijkomende piste. Maar op termijn moet men tot een instrument komen dat rekening houdt met alle duurzaamheidscomponenten.[48]
- [84] De FRDO wijst er wel op dat bijkomend en nodige onderzoek geen excuus mag zijn om bestaande gegevens en kennis inzake het voedingssysteem niet te gaan gebruiken om het beleid vorm te geven.
- [85] Onderzoek naar de noodzakelijke transitie van ons voedingssysteem en de concrete invulling van een dergelijke transitie is reeds lopende. Verschillende scenario’s worden ontwikkeld. Verder onderzoek naar en de begeleiding en financiering van een grootschalig project (al-doende-lerende en al-lerende-doen) terzake blijft nodig. De link met het beleid moet duidelijk worden gemaakt om deze scenario’s en projecten om te zetten in beleidsacties.
- [86] De verspilling heeft op de hele voedingsketen betrekking. [49]. Door verspilling terug te dringen, kan de duurzaamheid van het voedingssysteem sterk verhoogd worden. Onderzoek naar de aard van verspilling doorheen de keten is nodig: wie, wat, wanneer, waar, hoeveel. Op basis van de resultaten van dit onderzoek kunnen dan gerichte acties ondernomen worden om de verspilling terug te dringen.
Bestaande concepten verbeteren en ondersteunen
- [87] Hieronder worden een aantal reeds bestaande duurzaamheidsconcepten besproken. Deze concepten focussen op bepaalde aspecten van duurzaamheid en hebben dus elk hun specifieke sterktes en zwaktes. Maar ze laten wel toe om nu reeds het voedingssysteem beetje bij beetje te verduurzamen. De Raad vraagt om deze concepten reeds aan te wenden ter verduurzaming van het voedingssysteem en tegelijkertijd elk van de concepten te evalueren en verfijnen. De Raad heeft niet de bedoeling hier een limitatieve lijst weer te geven.
Korte keten en een verkorting van de keten promoten
- [88] Naast de meest voorkomende productie- en distributiesystemen, bestaan ook andere systemen om voeding te verwerken en tot bij de consument te brengen. De korte keten en een verkorting van de keten kunnen een positieve bijdrage leveren tot een verduurzaming van het voedingssysteem, ondermeer door het energiegebruik voor en tijdens het transport van producten te verminderen (zo vraagt gekoeld transport over lange afstand bvb veel energie). Ook de verkoop van de producenten naar de verbruiker met minder tussenschakels, die het contact tussen producent en consument kan herstellen, kunnen de keten verkorten, bijvoorbeeld via hoeveverkoop, buurtsupermarkten, markten, collectieve systemen zoals voedselteams, enz. De ketenverkorting moedigt over het algemeen de aankoop aan van seizoens- en lokale producten die in geringe mate of niet verwerkt zijn, en zij maken eveneens een solidaire ondersteuning van lokale producenten mogelijk.
- [89] Om de coherentie tussen en de efficiëntie van federale en regionale initiatieven inzake de promotie van de korte keten te verzekeren, is overleg nodig tussen de verschillende beleidsniveaus. Frankrijk en Italië werkten een generiek plan uit om de korte keten te ondersteunen. Ook België kan een dergelijk generiek plan ontwikkelen waarin statistische gegevens worden opgevolgd, kwalitatieve ondersteuning wordt geboden, duidelijke gecommuniceerd wordt, juridische informatie wordt verschaft, economische ondersteuning en het aankoopbeleid vanuit de overheid worden aangepast, …. Er is daarbij nood aan advies, ondersteuning en voorbeeldprojecten voor actoren uit de voedselketen die korte ketens willen ontwikkelen.[50]
- [90] De supermarkt is en blijft de voornaamste plaats voor aankoop van producten. Om de lokale producten (streekproducten, hoeveproducten, …) in de rekken van de supermarkten op de voorgrond te krijgen, moet er voor gezorgd worden dat de consument de meerwaarde van deze producten makkelijk inziet en ze bovendien kan identificeren. Bovendien is het voor lokale producenten niet altijd makkelijk om de toegangsvoorwaarden voor een supermarktverkoop na te komen (verpakking, etikettering, barcode, bevoorrading van de aankoopcentrales,…). Het is belangrijk om initiatieven en proefprojecten te ondersteunen waarmee producten uit kleine productiestructuren makkelijker toegang krijgen tot supermarkten.
Seizoensproducten ondersteunen
- [91] In bepaalde gevallen kunnen seizoensproducten duurzamer zijn omdat ze op het juiste periode van het jaar (rijpheid en oogstseizoen van het product ) op de markt gebracht worden. Op die manier kunnen seizoensproducten voordelen hebben op het vlak van energie, transport, (agro)diversiteit, … Toch weten consumenten – maar ook bvb. Traiteurs – vaak niet welke groenten en fruit bij welk seizoen horen en wat de bewaartijd van die producten is. Daarom zou kan een eenduidige referentie-seizoenskalender opgesteld en verdeeld moeten worden. Een dergelijke kalender kan bijdragen tot een verduurzaming van het systeem. Niettemin moet erover gewaakt worden dat de consument niet het seizoen (en dus vooral transport) als enig duurzaamheidscriterium gaat beschouwen.
Biologische producten ondersteunen en evalueren
- [92] Biologische productie houdt maximaal rekening met en speelt in op de natuurlijke processen, waardoor het gehele productiesysteem de ecologische draagkracht respecteert. “
Producten van geïntegreerde teelt ondersteunen en evalueren
- [93] Bij geïntegreerde teelt worden ziekten en plagen in de eerste plaats bestreden door onder andere een geschikte raskeuze, wisselteelt en natuurlijke vijanden. Slechts in laatste instantie is een selectieve inzet van pesticiden toegestaan.
- [94] Geïntegreerde teelt is een eerste stap richting meer ecologische duurzaamheid in de landbouw. De ecologische duurzaamheid van geïntegreerde teelt dient verder te worden uitgewerkt. Het concept geïntegreerde teelt zegt echter niets over de sociale en economische dimensie.
Alle vormen van duurzame handelsproducten ondersteunen
- [95] Ondanks het vrijwillige karakter van Fair Trade wijst de EU communicatie terecht op het gevaar van misbruik door bedrijven die zich op de markt van eerlijke handel begeven zonder aan de certificeringscriteria te voldoen. Momenteel zijn er op de markt veel claims die op een of andere manier refereren naar duurzaamheid. Ook voor de consument is dit zeer verwarrend en weet deze niet meer welk label voor ‘eerlijke handel’ staat en welk niet. Bepaalde leden[52] van de FRDO geloven daarom in de noodzaak voor een minimum wettelijk kader dat vastlegt wanneer een product een ‘Fair Trade’ claim kan dragen. Op die manier kan de consument in vertrouwen gaan winkelen en kunnen bedrijven samen met hun handelsrelaties investeren om het label ‘Fair Trade’ te mogen dragen. Dit minimum kader mag zeker het dynamisch karakter van het concept niet ondermijnen. Momenteel liggen in De Kamer drie wetsvoorstellen ter bespreking en ook in het regeerakkoord wordt gewag gemaakt van een wettelijk kader voor Fair Trade. De FRDO vraagt om deze initiatieven verder uit te werken en zich zo op de lijn te zetten van landen als Italië en Frankrijk waar ook wettelijke initiatieven genomen werden.
- [96] Deze zelfde leden stemmen in met het standpunt dat het Europees Economisch en Sociaal Comité te kennen geeft in zijn advies van 28 januari 2010, dat als volgt luidt: “Het vrijwillige karakter verleent deze etiketten een zekere dynamiek en zorgt ervoor dat er snel op marktveranderingen kan worden ingespeeld. Toch acht het EESC het noodzakelijk dat er financiële en regelgevende ondersteuning komt ter verbetering van de transparantie, de impact en de geloofwaardigheid van dergelijke programma’s en ter vergroting van de zeggenschap daarover van producenten en van hun mogelijkheden om daaraan deel te nemen door middel van certificatie. De ISEAL Alliance, de onafhankelijke internationale organisatie voor sociale en ecologische certificatieprogramma’s (International Social and Environnement Accreditions and Labelling Alliance), biedt een kader voor samenwerking waarmee de normen en objectieve analyses die ten grondslag liggen aan deze programma’s, kunnen worden geconsolideerd. Op die manier kunnen overeenkomstige methoden worden geharmoniseerd en kan er op transparante wijze worden gecommuniceerd over de onderlinge verschillen.”
- [97] Deze leden menen verder dat de door Fair Trade (ontstaan uit de Fairtrade Labelling Organisation, die zelf lid is van de ISEAL Alliance) toegepaste criteria en normen tot de meest uitgebreide en meest ambitieuze behoren omdat zij betrekking hebben op allerlei onderwerpen en voorwaarden die van invloed zijn op de producenten in ontwikkelingslanden, waaronder met name een minimumprijs voor de producent en een premie voor de gemeenschap van de producent (zie bijlage 2 voor de criteria). Fair Trade incorporeert de facto reeds verschillende elementen van duurzaamheid (economisch, sociaal, ecologisch en participatief). Vooral op sociaal en economisch vlak speelt Fair Trade een pioniersrol. De ecologische pijler kreeg minder aandacht, maar is een nieuwe uitdaging voor Fair Trade om tot echte duurzame ontwikkeling te komen[53].
- [98] Gezien de voortrekkersrol die Fair Trade vervult op verschillende vlakken van duurzaamheid, vragen deze leden van de FRDO dan ook aan de overheid om een stimulerend beleid te voeren voro fairtradeproducten, Dit kan door het verder te ondersteunen van bewustmakingscampagnes zoals Fair Trade gemeenten of via haar ontwikkelings of handelsbeleid. Daarnaast kan de overheid de wetgeving inzake overheidsopdrachten eenvoudiger maken door fair procurement (de mogelijkheid tot aankoop van Fair Trade producten) beter in het beleid in te schrijven.
- [99] Andere leden[54] menen dat een wettelijke definitie van Fair Trade (dat een privé-initiatief is) niet de aangewezen manier van werken is. Deze leden menen niet dat overheden moeten overgaan tot het wettelijk definiëren van één bepaald privé-initiatief. Bestaande problemen, zoals de onduidelijkheid voor consumenten is een communicatie en marketing probleem dat niet zal en kan opgelost worden door een wet. Deze leden verwijzen hierbij naar het standpunt van de Europese Commissie in haar Mededeling betreffende Fair Trade en andere duurzaamheidsinitiatieven[55]: “Een van de belangrijkste kenmerken van Fair Trade en andere particuliere programma’s om duurzaamheid te waarborgen is dat het gaat om een dynamisch mechanisme dat in essentie op vrijwilligheid is gebaseerd en waarvan de ontwikkeling gelijke tred houdt met de bewustwording en de eisen van de maatschappij en de consument. Naarmate het begrip voor de uitdagingen op duurzaamheidsgebied toeneemt, komen ook de particuliere handelsgerelateerde programma’s om duurzaamheid te waarborgen tot ontwikkeling. In sommige gevallen gaat het bij deze programma’s om wegbereiders die het bewustzijn bevorderen en de interesse van de consument en zijn begrip voor nieuwe en toekomstige uitdagingen inzake duurzame ontwikkeling doen toenemen. Nichemarkten en nicheprogramma’s kunnen invloed uitoefenen op de beleidsvorming van het normale bedrijfsleven en de overheid. De Commissie is van mening dat het niet haar taak is de criteria voor particuliere handelsgerelateerde programma’s om duurzaamheid te waarborgen en hun belang voor doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling te classificeren of te reguleren. Regulering van criteria en normen zou het dynamische karakter van particuliere initiatieven op dit gebied beperken en in de weg kunnen staan van de verdere ontwikkeling van Fair Trade en andere particuliere programma’s en hun normen.” Dit standpunt wordt ook gedeeld door de Europese sociale partners en vertegenwoordigers van consumentengroepen in het EESC advies van 28 januari 2010. Deze leden wijzen er tevens ook op dat België binnen de EU de enige staat zou zijn met een wettelijke definitie van Fair Trade.
- [100] Deze leden benadrukken dat overheden een belangrijke rol te spelen hebben. Een uitstekende leidraad voor die overheidsrol is beschikbaar. In 2005 keurden de Europese sociale partners en vertegenwoordigers van consumentengroepen in het EESC een advies goed dat bepaald op welke vlakken overheden een rol kunnen spelen. De leden vragen daarom met aandrang dat de zgn ‘Adams opinie’ van het EESC grondig zou bestudeerd worden en dat er overheidsmaatregelen op basis van deze opinie zouden overwogen worden. Hiermee sluit België aan bij een visie van andere lidstaten en de Europese overheden.
- [101] Deze leden menen dat alle vormen van duurzame handel de moeite waard zijn om te worden ondersteund, ook die vormen die menen dat het ook mogelijk is om duurzaamheid te verzekeren in een marktomgeving. Deze leden verwijzen naar het feit dat er vandaag door de bedrijfswereld meer en meer positieve initiatieven worden ontwikkeld op het vlak van duurzame handel, waarvan onder andere fairtrade een onderdeel uitmaakt. Omdat er vandaag geen onafhankelijke impactstudies bestaan (zie Mededeling van de Europese Commissie) is het vandaag niet mogelijk om uitspraken te doen over de verschillende duurzaamheidinitiatieven, inclusief Fair Trade. Deze leden roepen daarom op dat de noodzakelijke impact studies zouden ondernomen worden.
Een gezonde en evenwichtige voeding promoten
- [102] De informatie campagnes over evenwichtige voedingspatronen (gecombineerd met beweging) hebben momenteel nog niet het gewenste effect. De overheid dient een duidelijk signaal te geven. Daarbij volstaat het niet om te focussen op deelaspecten van voeding. Een totale visie is nodig. Daarbij moet ook de link worden gelegd met andere domeinen. Zo is de combinatie voeding en beweging zeer belangrijk binnen een evenwichtige levensstijl. Een grotere aandacht aan coherentie tussen de beleidsplannen voeding en gezondheid en duurzame voeding kan dan ook versterkend werken. Zowel overheid als privé moeten mensen aanzetten om zich een meer evenwichtige levensstijl aan te meten. Heel wat acties bestaan al. Zo is De happy body stichting van openbaar nut een gezamenlijk initiatief van FEVIA, het BOIC en NUBEL. Onder leiding van academici bevordert deze stichting gedragsverandering bij de Belgische bevolking ten gunste van een evenwichtige levensstijl met gezonde voedingspatronen en voldoende fysieke activiteit. Vanuit dezelfde invalshoek werd eveneens de website move-eat.be gecreëerd, een realisatie van het OIVO in samenwerking met de FOD Volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu. Daarnaast is ook een update van het Nationaal Voeding en Gezondheid Plan (B-NVGP) uit 2004 nodig die normaal voorzien is voor 2010 2011, waarbij de koppeling moet worden gemaakt met een evenwichtige levensstijl in het algemeen. Alle stakeholders moeten worden betrokken bij het uitwerken van acties in opvolging van dit plan.
Toegang tot informatie en sensibilisering
- [103] Objectieve en begrijpbare informatie is voor de consument van cruciaal belang om tot een gedragsverandering te komen. De consument is vaak onvoldoende op de hoogte van de impact op duurzaamheid van een product dat hij koopt.
- [104] Consumenten worden in dit verband geconfronteerd met:
- een gebrek aan informatie en sensibilisering rond duurzame keuzes ;
- een marketingdiscours inzake voeding ;
- het feit dat door de structuur van de keten vaak het contact ontbreekt tussen de eigenlijke producent en de consument waardoor dialoog en solidariteit tussen de twee uiteinden van de keten zoek is ;
- een grote focus op lage prijzen, waardoor de consument minder het belang gaat inzien van duurzaamheidscriteria.
- [105] De administratieve lasten die voortvloeien uit de informatie-uitwisseling tussen de verschillende schakels moeten daarbij wel zo beperkt mogelijk gehouden worden. De geleverde informatie moet bovendien een duidelijke toegevoegde waarde hebben. Deze moet correct, objectief en duidelijk zijn. Rekening houdend met de complexiteit van milieu-informatie moeten voor sensibilisering verschillende aangepaste informatiekanalen gebruikt worden.
- [106] Sommige leden[56] vinden dat het gepast zou zijn om bij de doelgroepen bijzondere aandacht te schenken aan kinderen en jongeren door enerzijds een wetgeving uit te werken om hen te beschermen tegen reclame-invloeden (in de directe omgeving en in de scholen, reclameblokken op tv, …) en door anderzijds de sensibiliseringsacties, informatieve acties en opleidingsactiviteiten voor jongeren te ondersteunen.
- [107] Anderzijds vinden deze leden dat er sensibiliseringsacties en informatieve acties voor jongeren genomen moeten worden. Naast het verhaal van regulering, waar de verantwoordelijkheid vooral ligt bij de overheid en de sector, speelt mediageletterdheid in dit hele verhaal een cruciale rol. We gaan hiervoor uit van de kracht van jongeren zelf. Door hen de juiste tools aan te reiken (oa via het onderwijs), empower je hen om zelf goede en gefundeerde keuzes te maken. Zo krijgen ze de juiste bagage mee om mediaboodschappen en reclame te doorzien en begrijpen.
- [108] Andere leden[57] vinden eveneens dat het gepast is om bijzondere aandacht te besteden aan kinderen en jongeren en wijzen er op dat dit reeds gebeurt in het kader van de zelfregulerende initiatieven (reclamecode, EU-pledge). Een wetgeving is niet nodig aangezien deze zelfregulerende initiatieven sneller, efficiënter en effectiever zijn. Deze leden vragen dat de reclamecode en andere initiatieven worden gepromoot, ondersteund en ook gecontroleerd. Het ondersteunen van verdere sensibiliseringsacties, informatieve acties en opleidingsactiviteiten voor jongeren is ook aangewezen.
- [109] Jongeren bekommeren zich in het bijzonder om milieubescherming en zijn een uitstekende hefboom voor het ondernemen van actie, maar zij zijn vaak slecht of slechts gedeeltelijk geïnformeerd. Schoolkantines en universiteitsrestaurants vormen een uitstekende plaats om jongeren te onderrichten over een meer duurzame voeding en moeten dan ook in deze zin worden beheerd. Zij zouden op zijn minst ook een meer duurzaam alternatief in hun menu moeten voorstellen. Daarnaast zijn ook plattelandsklassen een geschikt instrument om jongeren meer vertrouwd te maken met de origine van ons voedsel.
- [110] De FRDO vraagt ook om de verschillende actoren samen te brengen om één éénduidige seizoenskalender voor verse groenten en fruit uit te werken die de informatie op de best mogelijke manier in winkels of via andere kanalen kan communiceren.
- [111] De FRDO is van mening dat hoewel het momenteel nog ontbreekt aan een instrument (zie [82] en [83]) dat de volledige impact van een product analyseert, toch al stappen kunnen ondernomen worden. Verschillende bestaande concepten, hoewel niet perfect, kunnen reeds aangegrepen worden om op korte termijn een aanzet te geven tot een meer duurzame voeding. De FRDO verwijst hier naar de concepten uit paragrafen [88] tot [102]. Wel legt de FRDO de nadruk op het feit dat deze concepten nog niet volmaakt zijn en onderwerp moeten zijn van een permanente evaluatie en verdere verfijning.
- [112] Daarnaast dienen de bestaande viswijzers[58] verder te worden gecombineerd[59], in overleg met de betrokken actoren te worden uitgebouwd en via de gepaste kanalen verspreid.
- [113] Reclame maakt soms gebruik van uitspraken met een ecologisch (goed voor het milieu, steunt milieuprojecten,…) of gezondheidsgericht tintje (bijvoorbeeld “light”, “omega-3”, “probiotisch”, enz.) zonder dat het product noodzakelijkerwijs een ecologische of gezondheidsgebonden meerwaarde heeft. Er moet een juridisch kader worden uitgewerkt voor uitspraken inzake voedingsproducten en uitspraken over het milieu. Om deze problematiek aan te pakken werd heel recent een EU regelgeving uitgewerkt. De toepassing ervan in België volgt in 2010. Hoewel er volgens de FRDO momenteel nog problemen bestaan, hoopt hij dat de nieuwe regelgeving zal leiden tot een verbeterde situatie. De raad vraagt om binnen 2 jaar een evaluatie te maken om na te gaan of de huidige bestaande problemen door de nieuwe regelgeving effectief werden aangepakt. Daarnaast bestaan ook vrijwillige initiatieven (vrijwillige code publiciteit vanuit de industrie en de distributie) die voor opvolging en verbetering vatbaar zijn.
Het aanbod vergroten
- [114] De overheid kan door een stimulerend beleid of door financiële of technische ondersteuning, … het aanbod duurzame voeding systematisch gaan vergroten.
- [115] Diverse aanbieders van maaltijden (zoals overheids-, bedrijfs- en schoolrestaurants) kunnen in een duurzaam voedingsaanbod voorzien en zo een belangrijke stimulans zijn voor producenten om een grotere hoeveelheid duurzame producten op de markt te brengen. In opvolging van de Lente van het Leefmilieu werd in dit kader door de federale overheid een pilootproject opgestart in één van haar overheids- en schoolrestaurants (bvb in de financietoren). Daarbij wordt een checklist gehanteerd om de duurzaamheid van producten na te gaan.[60] Ook andere kantines hanteren reeds uit eigen beweging een aantal van deze criteria. De FRDO denkt dat deze checklist enkel uit mag gaan van criteria en geen keurmerken als zodanig naar voor mag schuiven en dat een aanpassing in die zin nodig is. Het proefproject kan worden uitgebreid naar andere overheids- en schoolrestaurants. De FRDO vraagt om hier ook voldoende budget voor uit te trekken en na verloop van tijd dit initiatief te evalueren.
- [116] De overheid kan concreet aan haar leveranciers vragen om normen die conform zijn met de definitie uit de paragrafen [17] en [18] te onderschrijven en in de (internationale) productieketen te gebruiken.
- [117] Choice Editing (het preselecteren van het aanbod) in functie van duurzaamheid wordt als een niet te onderschatten instrument voor het meer duurzaam maken van het aanbod aanzien[61]. Vooral de distributie- en verwerkende sectoren kunnen hierin een leidende rol spelen. De FRDO vraagt dat de overheid initiatieven hieromtrent in de keten aanmoedigt, ondersteunt en eventueel begeleidt. Het onderzoek dat de overheid kan uitvoeren kan hierbij inspirerend werken. Hierbij moet er duidelijk over gewaakt worden dat alle actoren in de keten mee betrokken worden in dit proces.
- [118] De door de overheden afgesloten contracten vormen niet het enige kanaal waarlangs de veranderingen moeten worden uitgevoerd. De FRDO vraagt dat de overheid, als instantie die het algemeen belang vrijwaart, een duurzamer voedingssysteem bevordert en het nut evalueert om een reglementair kader te ontwikkelen om deze doelstelling te garanderen.
Bewaring : verpakking en verspilling
- [119] Verpakking van voeding is noodzakelijk om de houdbaarheid van de producten te verlengen en verspilling tegen te gaan. De stappen die in België voor preventie en recyclage ondernomen worden zijn positief alhoewel er nog ruimte is voor verdere verbetering. Zo wordt vandaag 1/3de van het huishoudelijk kunststofverpakkingsafval selectief ingezameld.[62] De FRDO vraagt dan ook om verder te bouwen op de reeds behaalde resultaten. Daarnaast moet ook de nodige aandacht besteed worden aan operatoren die ontsnappen aan het systeem zoals ingevuld door de beheersorganismen (Fostplus, Val-i-pac,…). Een strikt handhavingsbeleid om tot een level playing field te komen is absoluut noodzakelijk. Anders haken op termijn ook de bedrijven die de goede praktijk hanteren af.
- [120] Ook bij de bewaring van voedselproducten kan verspilling optreden. Zo gaat nog steeds veel energie verloren door het gebruik in warenhuizen van open vriezers en koelkasten. Initiatieven vanuit de sector bestaan om de omschakeling naar een energie-efficiënter systeem te bespoedigen. De overheid kan helpen om deze initiatieven uit te breiden naar alle spelers.
- [121] Consumenten verspillen. Dit heeft tal van oorzaken (verpakking van de producten, aankoop niet in overeenstemming met de noden, handelspraktijken,…) . Sensibilisering en opvoeding van de gezinnen blijven dus van essentieel belang om verspilling van voedsel tegen te gaan. Naast het feit dat de aandacht wordt gevestigd op de omvang en de gevolgen van de verspilling, gaat het er om hen aan te raden om, onder meer, te kopen naargelang van hun behoeften. Er werden reeds initiatieven in die zin genomen; deze moeten in stand worden gehouden. Dat is het geval voor het Brussels Observatorium voor Duurzame Consumptie (zie bijlage 1) waarbij de betrokkenheid van alle actoren aangeraden wordt.
6. Case study : Palm Olie
- [122] Palmolie en afgeleide producten zijn veel gebruikte grondstoffen in onze voedingsindustrie.
- [123] Sommige leden[63] wensen aan te geven dat naast het feit dat de nutritionele kwaliteit van deze producten gezondheidsproblemen kan opleveren (polyverzadigde vetzuren), er een groot probleem bestaat met de expansie van palmolieplantages in oa Indonesië, Maleisië en Colombia. Deze veroorzaakt niet alleen grootschalige ontbossing met de daarmee gepaard gaande CO2-emissies en verdrijving van lokale gemeenschappen, verstoring van waterhuishouding en biodiversiteit en vervuiling van waterlopen. Bovendien respecteert men niet het recht op voedsel of de rechten van plantagearbeiders. Door een gebrek aan internationaal bindende duurzaamheidscriteria probeert de palmolieketen samen met consumenten- en milieuorganisaties verenigd in de Roundtable on Sustainable Palm Oil (RSPO) duurzaamheidscriteria via vrijwillige afspraken ingang te doen vinden. Door RSPO gecertificeerde palmolie vindt vandaag , omwille van de meerprijs slechts moeilijk een markt in Europa. Dit systeem biedt bovendien geen voldoende garantie op duurzaamheid. Onder andere zijn er geen garanties voor sociale criteria, of garanties voor het recht op voedsel van de lokale bevolking. Daarom vraagt de FRDO dat België op nationaal niveau een reglementering terzake uitwerkt en op Europees niveau pleit voor een set van duurzaamheidscriteria die het mogelijk maken om de invoer van niet-duurzame palmolie in Europa te verbieden. Bovendien moeten wij dringend het voorbeeld volgen van de Canadese en Deense reglementeringen inzake transvetzuren die ontstaan door hydrogenering van oliën, waarvan palmolie tot de belangrijkste behoort. Volgens deze reglementeringen is het verboden dat een product meer dan 2% industriële transvetzuur bevat. Daarnaast moet er op Belgisch en Europees niveau een gunstig overheidskader komen voor de teelt en verwerking van in Europa duurzaam geteelde oliehoudende gewassen voor gebruik in de voedingsindustrie om de Europese afhankelijkheid van geïmporteerde plantaardige olie te reduceren.[64]
- [124] Andere leden[65] wijzen er op dat ruwe palmolie geen transvetzuren bevat en maar voor de helft verzadigd is en dus ook nutritioneel een goede bijdrage kan leveren. Palmolie bevat bovendien na verwerking niet meer transvetzuren dan andere geraffineerde oliën. Deze leden verwijzen naar het EFSA rapport (EFSA Q 2007 058, 31 januari 2008) dat stelt : “Evidence from a number of countries indicates that the intake of TFA in the EU has decreased considerably over recent years, owing to reformulation of food products, especially fat spreads. More recent reported intakes in some EU member States are close to the recommended maximum intake levels of 1 – 2 % (EFSA 2004). For example, In the UK the average intake of TFA has been helves to less than 1E% (SACN 2007). Trans fatty acids might be included for some food groups but are of decreasing public health importance as intakes in the EU have declined considerably.”. Daarom denken deze leden dat een wetgeving niet nodig is. De EU verwerkt daarbij jaarlijks 8,6 miljoen ton plantaardige olie (exclusief olijfolie) in voedingsmiddelen en importeert jaarlijks 6 miljoen ton palmolie (Oilworld en FEDIOL data). Dit laatste cijfer betreft ook non-food/feed applicaties, maar geeft desalniettemin de centrale rol van palmolie als voedingsingrediënt aan. Deze leden noemen de RSPO als een initiatief waarin NGO’s, handel, verwerkende industrie en palmolietelers samenwerken om de sociale, milieu en economische belangen rondom de teelt van palmolie te behartigen. Dit is complexe materie, maar dankzij samenwerking door en inzet van betrokken partijen van over de hele wereld, boekt het RSPO proces concrete resultaten. Genoemde leden zullen dit proces dan ook blijven ondersteunen. De verwachting is dat op middellange termijn alle palmolie import in de EU RSPO gecertificeerd zal zijn. Grote food fabrikanten hebben zich daar immers nu al publiekelijk toe geëngageerd. Deze fabrikanten werken mondiaal en kunnen zo ook op mondiaal vlak een voortrekkersrol spelen. Nationale dan wel EU wetgeving is derhalve op dit moment dan ook niet opportuun. De palmolieketen is zelf beter in staat de introductie van gecertificeerde palmolie te organiseren. Zo is een belangrijk punt dat nog moet worden uitgeklaard hoe om te gaan met derivaten. Dit soort details moet niet aan de wetgever overgelaten worden. Bedrijven in België en in de EU die palmolie verwerken, exporteren een deel van hun eindproducten. Een nationale dan wel EU wettelijke regeling zou bedrijven die exporteren sterk benadelen vanwege concurrentie met bedrijven in derde landen.
[1] Dit analyse werd voorgesteld in het Vierde federaal rapport DO – De transitie naar een duurzame ontwikkeling versnellen (Federaal Planbureau – Task Force DO, 2007). http://www.plan.be/admin/uploaded/200802181633130.rapport2007_nl.pdf
[2] Een familiaal bedrijf wordt omschreven als een landbouwstructuur waarin de bedrijfsleider en zijn familie economisch zelfstandig zijn, de beslissingen nemen, het beheer in handen hebben en het grootste deel van het werk en het kapitaal leveren.
[3] Bron : werkgelegenheid http://ec.europa.eu/agriculture/agrista/2008/table_en/en351.htm, bedrijven : http://ec.europa.eu/agriculture/agrista/2008/table_en/en354.htm
[4] Hearing Luc Ogiers (FOD Economie) secretariaat FRDO.
[5] Hearing Luc Ogiers (FOD Economie) secretariaat FRDO: in totaal zijn er in België tussen 122.728 en 461.040 operatoren en werknemers. Bron: EUrostat. De omzet van de top tien sectoren uit de Belgische voedingsindustrie bedraagt meer dan 31 miljard EUR. Task Force Federaal Plan Buro, Vierde Federaal rapport, p 164: In België is de voedingsnijverheid een belangrijke sector die in 2004 13,5 % van de toegevoegde waarde en 15,2 % van het werkgelegenheidsvolume van de totale verwerkende nijverheid vertegenwoordigde..
[6] L’agriculture, tallon d’achille de la mondialisation, J. Berthelot.
[7] De FAO geeft in het jongste rapport over de toestand van visbestanden aan dat de sector tegen het plafond zit. Een internationaal team van wetenschappers kwam in het tijdschrift Science door extrapolatie tot de conclusie dat de oceanen tegen 2050 zouden zijn leeggevist.
[8] Internationaal Arbeidsbureau, Réduire le déficit de travail décent _ un défi mondial, 89e session, juin 2001, http://www.ilo.org/public/french/standards/relm/ilc/ilc89/rep-i-a.htm.. Internationaal Arbeidsbureau, Cadre stratégique pour la période examen préliminaire des propositions de programme et de budget pour 2002-03, Intégration du travail décent ; http://www.ilo.org/public/french/standards/relm/gb/docs/gb279/pdf/pfa-6.pdf. Rapport général de la Commission de la Conférence de l’application des Conventions et Recommandations, 2009, http://www.ilo.org/ilolex/french/conf2009F.htm Rapport du Comité de la liberté syndicale, juin 2009, http://www.ilo.org/wcmsp5/groups/public/—ed_norm/— relconf/documents/meetingdocument/wcms_108491.pdf?bcsi_scan_A7D3C9DB954AE049=0&bcsi_scan_filename=wcms_108491.pdf. Rapport annuel de violation des droits syndicaux, 2009,
http://survey09.ituc-csi.org/survey.php?IDContinent=0&Lang=FR. Werkzaamheden van de campagne waardig werk in België, http://www.waardigwerk.be/.
[9] Zo lijden nu meer dan 1 miljard mensen honger, waarvan ¾ boeren zijn. In België besteedt een gezin gemiddeld 13% van het budget aanvoeding. Voor gezinnen met een lager in komen ligt dit aandeel een stuk hoger, waardoor zij het ook moeilijk hebben om voldoende kwaiteitsvolle voeding te consumeren.
[10] De Task Force DO spreekt van drie kapitalen van duurzame ontwikkeling en zegt over het gebruik van deze terminologie in zijn federaal rapport uit 2002 (http://www.plan.be/admin/uploaded/200605091448045.OPSDREP03nl.pdf) het volgende: Het feit dat het woord “kapitaal” hier in verband gebracht wordt met menselijke en natuurwaarden, zou aanstootgevend kunnen zijn. Maar aangezien dat woord oorspronkelijk iets essentieel, fundamenteel, primordiaal betekent, zou het nog verrassender zijn indien het enkel zou worden gebruikt voor de economische waarden van de samenleving. De verandering van een maatschappij op lange termijn hangt minstens evenveel af van de toestand van haar menselijk en milieukapitaal als van haar economisch kapitaal. Toch merken de leden van de raad op dat het gebruik van deze term louter theoretisch kan zijn, als synoniem voor de drie – inderdaad essentiële, fundamentele, en primordiale dimensies – van duurzame ontwikkeling. Zij wijzen er dan ook op dat de term kapitaal om de menselijke en ecologische dimensies van duurzame ontwikkeling te omschrijven te kort schiet.
[11] Zie voetnoot 9, pagina 7.
[12] Hearing Gaetan Van Loqueren (UCL) secretariaat FRDO.
[13] Leden die dit standpunt steunen: Jan Turf, Anne Panneels – ondervoorzitters ; Roland de Schaetzen (Natagora), Jacqueline Gilissen (IEB), Sabien Leemans (WWF), Jacqueline Miller (IEW) – vertegenwoordigers van de NGO’s voor milieubescherming; Jo Dafemans (Broederlijk Delen), Brigitte Gloire (Oxfam-Solidarité), An Heyerick (VODO), Bogdan Vanden Berghe (11.11.11), Nicolas Van Nuffel (CNCD) – vertegenwoordigers van de NGO’s voor ontwikkelingssamenwerking ; Marc Vandercammen (CRIOC), Christian Rousseau (Test Achat) – vertegenwoordigers van de NGO’s die de belangen van verbruikers verdedigen ; Bert De Wel (CSC), Diana Van Oudenhoven (CGSLB), Claude Rolin (CSC), Sébastien Storme (FGTB), Daniel Van Daele (FGTB), Ann Vermorgen (ACV) – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties ; Reinhart Ceulemans (UA), Lieve Helsen (KUL), Jean-Pascal van Ypersele de Strihou (UCL), Edwin Zaccaï (ULB) – vertegenwoordigers van de wetenschappelijke milieus.
Leden die zich bij dit standpunt onthouden: Theo Rombouts – voorzitter ; Monique Carnol (Ulg) – vertegenwoordigster van de wetenschappelijke milieus.
De andere leden steunen dit standpunt niet.
[14] Leden die dit standpunt steunen: Isabelle Chaput (Essenscia), Arnaud Deplae (UCM), Ann Nachtergaele (FEVIA), Marie-Laurence Semaille (FWA), Piet Vanden Abeele (Unizo), Olivier Van Der Maren (FEB) – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties; Dries Lesage (UG) – vertegenwoordiger van de wetenschappelijke milieus.
Leden die zich bij dit standpunt onthouden: Theo Rombouts – voorzitter ; Monique Carnol (Ulg) – vertegenwoordigster van de wetenschappelijke milieus.
De andere leden steunen dit standpunt niet.
[15] Volgens EIPRO-studie: http://ec.europa.eu/environment/ipp/pdf/eipro_report.pdf.
[16] Bron: UNEP; Unesco
[17] “First, approximately 60% (15 out of 24) of the ecosystem services examined during the Millennium Ecosystem Assessment are being degraded or used unsustainably, including fresh water, capture fisheries, air and water purification, and the regulation of regional and local climate, natural hazards, and pests. The full costs of the loss and degradation of these ecosystem services are difficult to measure, but the available evidence demonstrates that they are substantial and growing. Many ecosystem services have been degraded as a consequence of actions taken to increase the supply of other services, such as food. These trade-offs often shift the costs of degradation from one group of people to another or defer costs to future generations. (VN rapport pagina 1)”
– In het VN rapport wordt verwezen naar landbouw en voedingsconsumptie als, naast andere factoren, belangrijke indirecte en directe ‘drivers’ achter veranderingen in ecosystemen en biodiversiteit. (p. 64- 67)
Bron: VN Millenium Ecosytem Assessment Report: Ecosystems and Human Well-Being, 2005
[18] Secretariat of the Convention on Biological Diversity (2006). Global Biodiversity Outlook 2. http://www.cbd.int/doc/gbo/gbo2/cbd-gbo2-en.pdf
[19] Zie voetnoot 2, pagina 6.
[20] Een overzicht van sociale conventies is te vinden in bijlage 2.
[21] Een synthese van de conclusies van deze voedselconsumptiepeiling is te vinden in volgend document: http://www.iph.fgov.be/epidemio/epinl/foodnl/food04nl/foodsynl.pdf of http://www.iph.fgov.be/EPIDEMIO/epinl/foodnl/food04nl/foodrenl.pdf.
[22] Zie het nationaal plan voeding en gezondheid (www.mijnvoedingsplan.be), p18 en volgende.
[23] In bijlage 4 werden twee tabellen opgenomen uit de enquête uit 2004 met meer gedetailleerde informatie.
[24] Zie o.a. de “case study : palm olie”, pagina 29.
[25] Leden die dit standpunt steunen: Jan Turf, Anne Panneels – ondervoorzitters ; Roland de Schaetzen (Natagora), Jacqueline Gilissen (IEB), Sabien Leemans (WWF), Jacqueline Miller (IEW) – vertegenwoordigers van de NGO’s voor milieubescherming; Jo Dafemans (Broederlijk Delen), Brigitte Gloire (Oxfam-Solidarité), An Heyerick (VODO), Bogdan Vanden Berghe (11.11.11), Nicolas Van Nuffel (CNCD) – vertegenwoordigers van de NGO’s voor ontwikkelingssamenwerking ; Marc Vandercammen (CRIOC) – vertegenwoordiger van de NGO’s die de belangen van verbruikers verdedigen ; Bert De Wel (CSC), Diana Van Oudenhoven (CGSLB), Claude Rolin (CSC), Sébastien Storme (FGTB), Daniel Van Daele (FGTB), Ann Vermorgen (ACV) – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties ; Reinhart Ceulemans (UA), Lieve Helsen (KUL), Jean-Pascal van Ypersele de Strihou (UCL), Edwin Zaccaï (ULB) – vertegenwoordigers van de wetenschappelijke milieus.
Leden die zich bij dit standpunt onthouden: Theo Rombouts – voorzitter ; Monique Carnol (Ulg) – vertegenwoordigster van de wetenschappelijke milieus.
De andere leden steunen dit standpunt niet.
[26] Leden die dit standpunt steunen: Christian Rousseau (Test Achat) – vertegenwoordiger van de NGO’s die de belangen van verbruikers verdedigen ; Isabelle Chaput (Essenscia), Arnaud Deplae (UCM), Ann Nachtergaele (FEVIA), Marie-Laurence Semaille (FWA), Piet Vanden Abeele (Unizo), Olivier Van Der Maren (FEB) – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties; Dries Lesage (UG) – vertegenwoordiger van de wetenschappelijke milieus.
Leden die zich bij dit standpunt onthouden: Theo Rombouts – voorzitter ; Monique Carnol (Ulg) – vertegenwoordigster van de wetenschappelijke milieus.
De andere leden steunen dit standpunt niet.
[27] Een lange termijnvisie voor voeding werd reeds door de Task Force DO van het Planbureau gemaakt, in zijn Vierde federaal rapport DO (2007) – De transitie naar een duurzame ontwikkeling versnellen. http://www.plan.be/admin/uploaded/200802181633130.rapport2007_nl.pdf
[28] Voor een overzicht van deze conventies zie bijlage 2.
[29] http://www.agassessment.org/reports/IAASTD/EN/Agriculture%20at%20a%20Crossroads_Global%20Report%20(English).pdf
[30] Algemene beleidsnota van de minister van Ontwikkelingssamenwerking van 5 november 2008, te raadplegen op de website van de Kamer van Volksvertegenwoordigers, DOC 52, 1529/015.
[31] 2007a01n.
[32] Zo keurde het EU Parlement in januari 2009 het zogenaamde pesticides ‘package’ goed dat ook regelgeving bevat omtrent het gebruik van pesticiden.
[33] Leden die dit standpunt steunen: Isabelle Chaput (Essenscia), Arnaud Deplae (UCM), Ann Nachtergaele (FEVIA), Marie-Laurence Semaille (FWA), Piet Vanden Abeele (Unizo), Olivier Van Der Maren (FEB) – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.
Leden die zich bij dit standpunt onthouden: Theo Rombouts – voorzitter ; Monique Carnol (Ulg) – vertegenwoordigster van de wetenschappelijke milieus.
De andere leden steunen dit standpunt niet.
[34] Leden die dit standpunt steunen: Jan Turf, Anne Panneels – ondervoorzitters ; Roland de Schaetzen (Natagora), Jacqueline Gilissen (IEB), Sabien Leemans (WWF), Jacqueline Miller (IEW) – vertegenwoordigers van de NGO’s voor milieubescherming; Jo Dafemans (Broederlijk Delen), Brigitte Gloire (Oxfam-Solidarité), An Heyerick (VODO), Bogdan Vanden Berghe (11.11.11), Nicolas Van Nuffel (CNCD) – vertegenwoordigers van de NGO’s voor ontwikkelingssamenwerking ; Marc Vandercammen (CRIOC), Christian Rousseau (Test Achat) – vertegenwoordigers van de NGO’s die de belangen van verbruikers verdedigen ; Bert De Wel (CSC), Diana Van Oudenhoven (CGSLB), Claude Rolin (CSC), Sébastien Storme (FGTB), Daniel Van Daele (FGTB), Ann Vermorgen (ACV) – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties ; Reinhart Ceulemans (UA), Lieve Helsen (KUL), Dries Lesage (UG), Jean-Pascal van Ypersele de Strihou (UCL), Edwin Zaccaï (ULB) – vertegenwoordigers van de wetenschappelijke milieus.
Leden die zich bij dit standpunt onthouden: Theo Rombouts – voorzitter ; Monique Carnol (Ulg) – vertegenwoordigster van de wetenschappelijke milieus.
De andere leden steunen dit standpunt niet.
[35] http://blogsci.com/science/no-fish-by-2050
[36] De FRDO verwijst hier naar het NOP (national Operationeel Programma) voor de Visserij dat voor afbouwen van schadelijke technieken pleit en ter vervanging ijvert naar meer diversificatie van technieken. De techniek van boomkorvisserij wordt bvb op vlak van milieueffecten negatief beoordeeld, en leidt bovendien ook tot een hoger brandstofverbruik. Zie het NOP zelf http://lv.vlaanderen.be/nlapps/data/docattachments/op_zeevisserij.pdf en het verslag over het NOP, http://www.frdo.be/DOC/pub/rest/NOP%20FRDO%202008%2007%2028.pdf.
[37] ftp://ftp.fao.org/docrep/fao/008/a0116t/a0116t00.pdf
[38] Leden die dit standpunt steunen: Jan Turf, Anne Panneels – ondervoorzitters ; Roland de Schaetzen (Natagora), Jacqueline Gilissen (IEB), Sabien Leemans (WWF), Jacqueline Miller (IEW) – vertegenwoordigers van de NGO’s voor milieubescherming; Jo Dafemans (Broederlijk Delen), Brigitte Gloire (Oxfam-Solidarité), An Heyerick (VODO), Bogdan Vanden Berghe (11.11.11), Nicolas Van Nuffel (CNCD) – vertegenwoordigers van de NGO’s voor ontwikkelingssamenwerking ; Marc Vandercammen (CRIOC), Christian Rousseau (Test Achat) – vertegenwoordigers van de NGO’s die de belangen van verbruikers verdedigen ; Bert De Wel (CSC), Diana Van Oudenhoven (CGSLB), Claude Rolin (CSC), Sébastien Storme (FGTB), Daniel Van Daele (FGTB), Ann Vermorgen (ACV) – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties ; Jean-Pascal van Ypersele de Strihou (UCL), Edwin Zaccaï (ULB) – vertegenwoordigers van de wetenschappelijke milieus.
Leden die zich bij dit standpunt onthouden: Theo Rombouts – voorzitter ; Monique Carnol (Ulg) – vertegenwoordigster van de wetenschappelijke milieus.
De andere leden steunen dit standpunt niet.
[39] De Agenda van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) voor waardig werk prijst een ontwikkelingsstrategie aan die de centrale rol van het werk in ieders leven erkent. Waardig werk impliceert de integratie van sociale en economische doelstellingen en een georganiseerde combinatie van maatregelen die gezamenlijk streven naar de vier strategische doelstellingen van de IAO.
[40] In dit opzicht vraagt de FRDO om de pistes te volgen die de Kamer van Volksvertegenwoordigers heeft uitgezet in haar resolutie van juli 2009, waarin zij aan de regering vraagt om de sociale normen in het algemeen en waardig werk in het bijzonder centraal te plaatsen; meer bepaald door de richtlijnen van de OESO dwingend te maken voor de Belgische en internationale ondernemingen wat betreft hun activiteiten, zowel in het binnenland als in het buitenland. Kamer van Volksvertegenwoordigers, Resolutie betreffende de toepassing van sociale- en milieunormen in het kader van de globalisering, 16 juli 2009, DOC 52 1948/005.
[41] De Europese Commissie heeft zich tot doel gesteld haar buitenlands beleid, haar ontwikkelingshulp en haar handelsbeleid in te schakelen om het naleven van de fundamentele sociale rechten te garanderen, maar ook om in elk land ambitieuze programma’s in te voeren ter bevordering van waardig werk. Mededeling van de Commissie “Bevordering van waardig werk voor iedereen. Bijdrage van de Europese Unie aan de uitvoering van de agenda voor waardig werk over de hele wereld”, COM (2006) 249 final. Commission Staff Working Document, Report on the EU contribution of decent work in the world, COM (2008) 412 final.
[42] De Internationale Arbeidsorganisatie heeft acht verdragen die kwesties behandelen die als fundamentele arbeidsprincipes en –rechten worden beschouwd, als “fundamenteel” bestempeld: de vakbondsvrijheid en de daadwerkelijke erkenning van het recht op collectief overleg; het verdwijnen van elke vorm van dwangarbeid of verplichte arbeid; de daadwerkelijke afschaffing van kinderarbeid; het wegwerken van discriminatie inzake tewerkstelling en beroep. Het gaat om de volgende verdragen: het verdrag (nr. 87) betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en bescherming van het vakverenigingsrecht, 1948; het verdrag (nr. 98) betreffende het recht van organisatie en collectief overleg, 1949; het verdrag (nr. 29) betreffende dwangarbeid, 1930; het verdrag (nr. 105) over de afschaffing van dwangarbeid, 1957; het verdrag (nr. 138) over de minimumleeftijd, 1973; het verdrag (nr. 182) over de ergste vormen van kinderarbeid, 1999; het verdrag (nr. 100) over de gelijke beloning, 1951; het verdrag (nr. 111) betreffende discriminatie (tewerkstelling en beroep), 1958. Deze principes worden eveneens vermeld in de “Verklaring van de IAO betreffende de fundamentele arbeidsprincipes en -rechten (1998)”.
[43] Leden die dit standpunt steunen: Isabelle Chaput (Essenscia), Arnaud Deplae (UCM), Ann Nachtergaele (FEVIA), Marie-Laurence Semaille (FWA), Piet Vanden Abeele (Unizo), Olivier Van Der Maren (FEB) – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties; Reinhart Ceulemans (UA), Lieve Helsen (KUL), Dries Lesage (UG) – vertegenwoordigers van de wetenschappelijke milieus.
Leden die zich bij dit standpunt onthouden: Theo Rombouts – voorzitter ; Monique Carnol (Ulg) – vertegenwoordigster van de wetenschappelijke milieus.
De andere leden steunen dit standpunt niet.
[44] COM(2009) 591: A better functioning food supply chain in Europe.
[45] Deze actoren (FEDIS, FEVIA, ABS,BOERENBOND, BEMEFA, FWA, UNIZO) wensen een code inzake goede handelspraktijken op te stellen en principes voor een meerprijs voor extralegale kwaliteiten. In december 2009 hebben de Belgische landbouwersorganisatie samen met de Belgische Confederatie van de Zuivelindustrie een gedragscode inzake handelspraktijken met concrete afspraken ondertekend.
[46] Life Cycle Assesment (LCA) of levenscyclusanalyse is een internationaal gestandaardiseerde methode die wordt toegepast om de milieu-impact van een product en/of dienst te berekenen door het product te bekijken over zijn gehele levenscyclus (van de ‘wieg tot aan het graf’). Zie http://www.ecodesign.be/?q=ecodesign/drupal/&q=taxonomy/term/42.
[47] Zo publiceerde UNEP Guidelines for Social Life Cycle Assessment of Products. http://lcinitiative.unep.fr/includes/file.asp?site=lcinit&file=524CEB61-779C-4610-8D5B-8D3B6B336463
[48] Het initiatief van het Nederlandse Eosta lijkt in dit opzicht interessant (www.eosta.com). Daarnaast wordt ook onderzoek gedaan naar een sociale levenscyclus analyse. Zo bracht ook UNEP bvb guidelines in dit verband uit: http://www.unep.fr/shared/publications/pdf/DTIx1164xPA-guidelines_sLCA.pdf.
[49] Cijfers voor Brussel: http://www.leefmilieubrussel.be/Templates/Particuliers/informer.aspx?id=3702&langtype=2067&detail=tab1. De conclusie van deze studie luidt als volgt:” meer dan 12% van de inhoud van uw witte zak bestaat uit voedingswaren. Een aantal verpakkingen zijn geopend, maar sommige zijn onaangeroerd. Omgerekend komt men aan 15 kg voedingswaren per persoon per jaar, of 15.000 ton voor het hele Brusselse Gewest. Of nog: voldoende om een jaar lang te zorgen voor 3 maaltijden per dag voor 30.000 mensen.”
[50] De FRDO verwijst inzake voorbeeldprojecten naar bijlage 1 van dit advies.
[51] Bron: strategisch plan biologische landbouw 2008-2012, Vlaanderen, juni 2008, zie http://lv.vlaanderen.be/nlapps/docs/default.asp?fid=92 en
http://lv.vlaanderen.be/nlapps/data/docattachments/strategischplanbio.pdf
[52] Leden die dit standpunt steunen: Jan Turf, Anne Panneels – ondervoorzitters ; Roland de Schaetzen (Natagora), Jacqueline Gilissen (IEB), Sabien Leemans (WWF), Jacqueline Miller (IEW) – vertegenwoordigers van de NGO’s voor milieubescherming; Jo Dafemans (Broederlijk Delen), Brigitte Gloire (Oxfam-Solidarité), An Heyerick (VODO), Bogdan Vanden Berghe (11.11.11), Nicolas Van Nuffel (CNCD) – vertegenwoordigers van de NGO’s voor ontwikkelingssamenwerking ; Marc Vandercammen (CRIOC), Christian Rousseau (Test Achat) – vertegenwoordigers van de NGO’s die de belangen van verbruikers verdedigen ; Bert De Wel (CSC), Diana Van Oudenhoven (CGSLB), Claude Rolin (CSC), Sébastien Storme (FGTB), Daniel Van Daele (FGTB), Ann Vermorgen (ACV) – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties ; Dries Lesage (UG) – vertegenwoordiger van de wetenschappelijke milieus.
Leden die zich bij dit standpunt onthouden: Theo Rombouts – voorzitter ; Monique Carnol (Ulg), Jean-Pascal van Ypersele de Strihou (UCL), Edwin Zaccaï (ULB) – vertegenwoordigers van de wetenschappelijke milieus.
De andere leden steunen dit standpunt niet.
[53] Op de Belgische markt dragen al 42% van de fairtradeproducten tegelijk het biolabel. Op internationaal niveau groeien beide labels ook steeds meer naar elkaar toen op vlak van criteria. Bron: www.maxhavelaar.be/nl/node/885
[54] Leden die dit standpunt steunen: Isabelle Chaput (Essenscia), Arnaud Deplae (UCM), Ann Nachtergaele (FEVIA), Marie-Laurence Semaille (FWA), Piet Vanden Abeele (Unizo), Olivier Van Der Maren (FEB) – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties ; Reinhart Ceulemans (UA), Lieve Helsen (KUL) – vertegenwoordiger van de wetenschappelijke milieus.
Leden die zich bij dit standpunt onthouden: Theo Rombouts – voorzitter ; Marc Vandercammen (CRIOC), – vertegenwoordiger van de NGO’s die de belangen van verbruikers verdedigen ; Monique Carnol (Ulg), Jean-Pascal van Ypersele de Strihou (UCL), Edwin Zaccaï (ULB) – vertegenwoordigers van de wetenschappelijke milieus.
De andere leden steunen dit standpunt niet.
[55] COM(2009) 215 : http://trade.ec.europa.eu/doclib/docs/2009/may/tradoc_143089.pdf
[56] Leden die dit standpunt steunen: Jan Turf, Anne Panneels – ondervoorzitters ; Roland de Schaetzen (Natagora), Jacqueline Gilissen (IEB), Sabien Leemans (WWF), Jacqueline Miller (IEW) – vertegenwoordigers van de NGO’s voor milieubescherming; Jo Dafemans (Broederlijk Delen), Brigitte Gloire (Oxfam-Solidarité), An Heyerick (VODO), Bogdan Vanden Berghe (11.11.11), Nicolas Van Nuffel (CNCD) – vertegenwoordigers van de NGO’s voor ontwikkelingssamenwerking ; Marc Vandercammen (CRIOC), Christian Rousseau (Test Achat) – vertegenwoordigers van de NGO’s die de belangen van verbruikers verdedigen ; Bert De Wel (CSC), Diana Van Oudenhoven (CGSLB), Claude Rolin (CSC), Sébastien Storme (FGTB), Daniel Van Daele (FGTB), Ann Vermorgen (ACV) – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties ; Reinhart Ceulemans (UA), Lieve Helsen (KUL), Dries Lesage (UG), Jean-Pascal van Ypersele de Strihou (UCL), Edwin Zaccaï (ULB) – vertegenwoordigers van de wetenschappelijke milieus.
Leden die zich bij dit standpunt onthouden: Theo Rombouts – voorzitter ; Monique Carnol (Ulg) – vertegenwoordigster van de wetenschappelijke milieus.
De andere leden steunen dit standpunt niet.
[57] Leden die dit standpunt steunen: Isabelle Chaput (Essenscia), Arnaud Deplae (UCM), Ann Nachtergaele (FEVIA), Marie-Laurence Semaille (FWA), Piet Vanden Abeele (Unizo), Olivier Van Der Maren (FEB) – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.
Leden die zich bij dit standpunt onthouden: Theo Rombouts – voorzitter ; Monique Carnol (Ulg) – vertegenwoordigster van de wetenschappelijke milieus.
De andere leden steunen dit standpunt niet.
[58] Zowel de VLAM (www.visinfo.be) als WWF (www.goedevis.nl) verspreiden een viswijzer.
[59] De viswijzer van Vlam houdt enkel rekening met de seizoenen, die van het WWF houdt rekeninge met o.a. vistechniek, kweekproblemen, overbevissing en milieubelasting.
[60] Zie http://www.poddo.be/uploads/documentenbank/9d1531be1a249f5eeb9e4541dfea51ee.pdf
[61] I Will if You will: Towards Sustainable Consumption. SD Commission en OLR (2008). Public Understanding of the Sustainable Food, Defra. Deze rapporten stellen dat er limieten zijn aan de mogelijkheden om informatie en sesibilisering om het gedrag van consumenten in de richting van meer duurzaam te sturen. Zeker wanneer er ingewikkelde trade offs zijn, bvb tussen ethische of ecologische resultaten. In een dergelijk geval verwachten consumenten dat de keuze voor hen gemaakt wordt.
[62] Volgens de cijfers die de IVC heeft meegedeeld aan de Europese Commissie werd in 2007 in België slechts 38,44% van de totale hoeveelheid plastic gerecycleerd: zie het jaarverslag 2008 van de IVC, p.34 ( http://www.ivcie.be/admin/upload/page/file/154.pdf ).
[63] Leden die dit standpunt steunen: Jan Turf, Anne Panneels – ondervoorzitters ; Roland de Schaetzen (Natagora), Jacqueline Gilissen (IEB), Sabien Leemans (WWF), Jacqueline Miller (IEW) – vertegenwoordigers van de NGO’s voor milieubescherming; Jo Dafemans (Broederlijk Delen), Brigitte Gloire (Oxfam-Solidarité), An Heyerick (VODO), Bogdan Vanden Berghe (11.11.11), Nicolas Van Nuffel (CNCD) – vertegenwoordigers van de NGO’s voor ontwikkelingssamenwerking ; Marc Vandercammen (CRIOC) – vertegenwoordiger van de NGO’s die de belangen van verbruikers verdedigen ; Bert De Wel (CSC), Diana Van Oudenhoven (CGSLB), Claude Rolin (CSC), Sébastien Storme (FGTB), Daniel Van Daele (FGTB), Ann Vermorgen (ACV) – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties ; Reinhart Ceulemans (UA), Lieve Helsen (KUL), Dries Lesage (UG), Jean-Pascal van Ypersele de Strihou (UCL), Edwin Zaccaï (ULB) – vertegenwoordigers van de wetenschappelijke milieus.
Leden die zich bij dit standpunt onthouden: Theo Rombouts – voorzitter ; Christian Rousseau (Test Achat) – vertegenwoordiger van de NGO’s die de belangen van verbruikers verdedigen ; Monique Carnol (Ulg) – vertegenwoordigster van de wetenschappelijke milieus.
De andere leden steunen dit standpunt niet.
[64] http://www.greenpeace.nl/reports/united-plantations-certified-d
Oxfam (2009) – R. Bailey, 2008, Another Inconvenient truth, Oxfam Briefing paper, Oxfam International
SawitWatch – Forest Peoples Programme (2006): Ghosts on our own land: Indonesian Oil palm
Smallholders and the Roundtable on Sustainable palm Oil
[65] Leden die dit standpunt steunen: Isabelle Chaput (Essenscia), Arnaud Deplae (UCM), Ann Nachtergaele (FEVIA), Marie-Laurence Semaille (FWA), Piet Vanden Abeele (Unizo), Olivier Van Der Maren (FEB) – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.
Leden die zich bij dit standpunt onthouden: Theo Rombouts – voorzitter ; Christian Rousseau (Test Achat) – vertegenwoordiger van de NGO’s die de belangen van verbruikers verdedigen ; Monique Carnol (Ulg) – vertegenwoordigster van de wetenschappelijke milieus.
De andere leden steunen dit standpunt niet.