03 | Advies gebruik van gewasbeschermingsmiddelen

  • Gevraagd door David Clarinval, Vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Landbouw, in een brief van 25 november 2025
  • Dit advies werd voorbereid door de werkgroep Productnormen
  • Samen met de CRB en brc Verbruik
  • Goedgekeurd door de Algemene Vergadering via schriftelijke procedure op 3 maart 2026

Advies (pdf)

 

 

Toepassingsgebied van de aanvraag

Indiening

Op 25 november 2025 heeft de heer David Clarinval, Minister van Werk, Economie en Landbouw, een adviesvraag overgemaakt aan de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB), de bijzondere raadgevende commissie Verbruik (brc Verbruik) en de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling (FRDO) (hieronder: de adviesorganen) over een ontwerp-koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 19 maart 2013 ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en toevoegingsstoffen. Het advies van deze adviesorganen wordt gevraagd krachtens artikel 19, § 2, eerste lid, van de wet van 21 december 1998 betreffende productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu, de volksgezondheid en de werknemers.

De uiterste datum voor het indienen van het advies is vastgesteld op 25 februari 2026.

Beoogde aanpassing van de wetgeving

Het ter advies voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit beoogt een reeks bepalingen van het koninklijk besluit van 19 maart 2013 ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en toevoegingsstoffen te actualiseren en te verduidelijken, met bijzondere aandacht voor de bepalingen betreffende de fytolicentie.

Het bovengenoemde koninklijk besluit van 19 maart 2013 zet gedeeltelijk de Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden om. Deze richtlijn heeft als doel de risico’s en de effecten van pesticidengebruik op de menselijke gezondheid en het milieu te verminderen, door het gebruik van geïntegreerde plaagbestrijding en alternatieve benaderingswijzen of technieken, zoals niet-chemische alternatieven voor pesticiden, aan te moedigen (artikel 1).

Deze richtlijn verplicht de lidstaten ervoor te zorgen dat alle professionele gebruikers, distributeurs en adviseurs toegang hebben tot een passende opleiding, gegeven door instanties die door de bevoegde autoriteiten werden aangewezen. Het gaat zowel om een initiële opleiding als om een bijscholing, om kennis te verwerven en indien nodig bij te werken. De 13 onderwerpen van deze opleidingen worden opgesomd in bijlage I bij de richtlijn.

De wijzigingen in het ontwerp van koninklijk besluit dat ter advies wordt voorgelegd, hebben met name betrekking op:

  • de definitie van “distributeur”;
  • de basisopleiding die nodig is om een fytolicentie te verkrijgen;
  • de bijscholing;
  • het advies dat door verkopers van gewasbeschermingsmiddelen wordt gegeven;
  • de sancties in geval van overtreding;
  • de opslag van gewasbeschermingsmiddelen;
  • de in het buitenland afgegeven licenties en hun wederzijdse erkenning.

Het ontwerp van koninklijk besluit wordt vergezeld van een zeer gedetailleerde toelichting, artikel per artikel.

De inhoud van het ontwerp van koninklijk besluit dat ter advies is voorgelegd, is reeds besproken in de federale werkgroep ‘fytolicentie’, die bestaat uit vertegenwoordigers van producenten en distributeurs van farmaceutische producten, landbouwers, hogescholen en landbouwonderzoekscentra, het FAVV, federale en regionale overheden en verenigingen van steden en gemeenten (maar waarin niet alle leden van de adviesorganen die bij dit adviesverzoek betrokken zijn, vertegenwoordigd zijn).

In 2024 publiceerde de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu een rapport met de titel “Tussentijdse evaluatie van de fytolicentie (openbare versie)”[1].

Werkzaamheden in de subcommissie en in de plenaire vergadering

Er werd overeengekomen dat de secretariaten een ontwerpadvies zouden opstellen. Dit ontwerpadvies werd elektronisch ter goedkeuring voorgelegd aan de plenaire vergadering van het CRB (goedgekeurd op 03/03/2026) en aan de brc Verbruik (goedgekeurd op 03/03/2026), alsook aan de algemene vergadering van het FRDO (goedgekeurd op 03/03/2026).

 

 

Advies

1.  Algemene opmerkingen

  • [1] De adviesorganen staan positief tegenover het ter advies voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit dat volgt uit het evaluatieproces van de fytolicentie door bovengenoemde werkgroep.
  • [2] De adviesorganen herinneren aan de doelstellingen van bovengenoemde Richtlijn 2009/128/EG wanneer deze richtlijn deze eisen inzake certificering (fytolicentie) oplegt: “vermindering van de risico’s en de effecten van pesticidengebruik op de menselijke gezondheid en het milieu en (…) bevordering van het gebruik van geïntegreerde plaagbestrijding en alternatieve benaderingswijzen of technieken, zoals niet-chemische alternatieven voor pesticiden”[2].
  • [3] De adviesorganen begrijpen de wijziging van de definitie van het begrip « distributeur », maar herinneren eraan dat deze definitie is vastgelegd in artikel 3, lid 2, van bovengenoemde Richtlijn 2009/128/EG.

2.  Opleiding

  • [4] Wat de fytolicentie betreft, benadrukken de adviesorganen het bijzondere belang van een goede coördinatie tussen de federale staat, de gewesten en de gemeenschappen op dit gebied, waar hun respectieve bevoegdheden sterk met elkaar verweven zijn. Zo stelt de federale overheid voornamelijk de voorwaarden vast voor het verkrijgen en afgeven van de fytolicentie, terwijl de gewesten de inhoud van de opleidingen bepalen, rekening houdend met de Europese richtlijn ter zake.
  • [5] Om deze coördinatie te optimaliseren, zijn de adviesorganen van mening dat de wijzigingen bedoeld in artikel 14 van het ter advies voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit (met betrekking tot artikel 38 van het koninklijk besluit van 19 maart 2013 en de thema’s die ten minste moeten worden behandeld tijdens de permanente opleiding, namelijk ten minste één uit de categorie ’Wetgeving en actuele thema’s’ en één uit de categorie ‘Sectorspeciefieke vormingen en goede praktijken’) vooraf verduidelijking vereisen om geen onzekerheid te creëren over de naleving van deze verplichtingen inzake permanente vorming.
  • Ze zijn dan ook van mening dat er meer duidelijkheid nodig is over de vraag welke thema’s uit bijlage 3 bij het koninklijk besluit van 19 maart 2013 onder elk van deze categorieën vallen en hoe opleidingen die beide aspecten op een gemengde manier en tijdens dezelfde sessie behandelen, zullen worden gevalideerd.
  • [6] Vanuit bezorgdheid voor de gezondheid en de veiligheid van werkers en omwonenden en de impact op het milieu, stellen de adviesorganen de vraag naar de toepasbaarheid van deze fytolicentieregeling bij seizoenarbeiders die geen van de drie landstalen spreken, wat betreft het gebruik van talen bij de opleidingen en examens. Ook dit aspect vereist een goede samenwerking tussen de betrokken bevoegde instanties.
  • [7] De adviesorganen staan positief tegenover de mogelijkheid om de initiële opleiding via een e-learningplatform aan te bieden, maar benadrukken dat dit niet mag leiden tot een opleiding van mindere kwaliteit.
  • De adviesorganen herinneren eraan dat de werkgever ervoor moet zorgen dat iedere werknemer een voldoende en aangepaste vorming ontvangt specifiek gericht op zijn werkpost of functie. Deze vorming moet aangepast zijn aan de ontwikkeling van de risico’s en aan het ontstaan van nieuwe risico’s en wordt indien nodig op gezette tijden herhaald. De kosten van de vorming mogen niet ten laste zijn van de werknemers. De vorming wordt gegeven tijdens de werktijd. (Codex welzijn op het werk)
  • [8] De adviesorganen vragen bovendien om controle te voorzien op de daadwerkelijke deelname van de online deelnemers (en op het feit dat zij over de vereiste kwalificaties beschikken wat betreft diploma’s en certificaten) en om te controleren of de kennis daadwerkelijk wordt verworven.
  • [9] Het ter advies voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit bepaalt: “[e]en deelname aan een vormingsactiviteit komt in aanmerking wanneer deze niet langer dan zes jaar voorafgaand aan de aanvraag tot toekenning of vernieuwing van een bepaalde fytolicentie heeft plaatsgevonden”.
  • [10] Sommige leden van de adviesorganen[3] vinden deze termijn te lang, gezien de snelle vooruitgang van de techniek en kennis, en stellen voor deze te vervangen door een termijn van maximaal drie jaar.
  • [11] Andere leden van de adviesorganen[4] zijn van mening dat deze termijn van zes jaar in overeenstemming is met de regeling voor fytolicenties (die een geldigheidsduur van zes jaar voor deze vergunning voorziet) en zijn van mening dat een verkorting van de geldigheidsduur van opleidingen tot maximaal drie jaar niet wenselijk is, omdat dit grote gevolgen zou hebben voor de toepasbaarheid van het koninklijk besluit en de organisatie van het fytolicentiesysteem.
  • [12] De adviesorganen hadden graag in bijlage 3 van het koninklijk besluit van 19 maart 2013 meer details gezien over het thema van illegale namaakproducten.
  • [13] Sommige leden van de adviesorganen[5] hekelen de administratieve complexiteit die zou voortvloeien uit de mogelijkheid om de toekenning of verlenging van een fytolicentie voor “specifiek professioneel gebruik” te beperken tot een bepaalde toepassingswijze.

3.  Voorlichting

  • [14] Artikel 18, § 2, van het bovengenoemde koninklijk besluit van 19 maart 2013 bepaalt: ”Distributeurs van producten voor professioneel gebruik hebben voldoende voorlichters in dienst die in verkooppunten aanwezig zijn om klanten voldoende informatie te verschaffen over het gebruik van producten voor professioneel gebruik, de risico’s voor de menselijke gezondheid en het milieu alsmede de veiligheidsinstructies voor de omgang met die risico’s”.
  • [15] De distributiesector merkt op dat adviseurs met een P3-fytolicentie niet altijd aanwezig zijn in de verkooppunten vanwege telewerken. De adviesorganen verzoeken de autoriteit om duidelijkheid te verschaffen over de mogelijkheid om in dergelijke omstandigheden bij wijze van uitzondering advies op afstand te verstrekken.

4.  Sancties

  • [16] De adviesorganen begrijpen dat een fytolicentie bij ernstige overtredingen aan de houder kan worden ontnomen, maar gezien de grote gevolgen die een dergelijke intrekking kan hebben voor de houder en, in voorkomend geval, het bedrijf waarvoor hij werkt, vragen zij ervoor te zorgen dat deze sanctie in verhouding tot de overtredingen wordt opgelegd.
  • [17] Met betrekking tot de wijziging die zal worden opgenomen in artikel 19/1 over de adviesverplichtingen, rijzen er vragen over de manier waarop kan worden aangetoond dat een advies in strijd met de wettelijke vereisten werd gegeven.

 

 

 

 

[1] Online raadpleegbaar: https://fytoweb.be/sites/default/files/guide/attachments/Evaluatie%20fytolicentie%202024%20%28publieke%20versie%29_0.pdf

[2] Artikel 1 van de Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden.

[3] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: De heren Bart Vannetelbosch en Arnaud Collignon – ondervoorzitters; De heren Joris Verschueren, Sacha Dierckx, Thomas Vael en Luca Ciccia – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties;  Dhr. Benjamin Clarysse – vertegenwoordiger van de niet-gouvernementele organisaties voor milieubescherming; Dhr. Nicolas Van Nuffel– vertegenwoordiger van de niet-gouvernementele organisaties voor ontwikkelingssamenwerking.

Leden van de FRDO die zich onthouden van dit standpunt: Dhr. Patrick Dupriez – Voorzitter.

Leden van de FRDO die dit standpunt niet steunen: Mevr. Vanessa Biebel – ondervoorzitster; Mevr. Françoise Van Tiggelen, Mevr. Inneke De Bisschop, Mevr. Lucie Darms, Dhr. Piet Vanden Abeele – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.

[4] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Mevr. Vanessa Biebel – ondervoorzitster; Mevr. Françoise Van Tiggelen, Mevr. Inneke De Bisschop, Mevr. Lucie Darms en Dhr. Piet Vanden Abeele – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.

Leden van de FRDO die zich onthouden van dit standpunt: Dhr. Patrick Dupriez – Voorzitter.

Leden van de FRDO die dit standpunt niet steunen: De heren Bart Vannetelbosch en Arnaud Collignon – ondervoorzitters; De heren Joris Verschueren, Sacha Dierckx, Thomas Vael en Luca Ciccia – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties;  Dhr. Benjamin Clarysse – vertegenwoordiger van de niet-gouvernementele organisaties voor milieubescherming; Dhr. Nicolas Van Nuffel– vertegenwoordiger van de niet-gouvernementele organisaties voor ontwikkelingssamenwerking.

[5] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Mevr. Vanessa Biebel – ondervoorzitster; Mevr. Inneke De Bisschop, Mevr. Lucie Darms en Dhr. Piet Vanden Abeele – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.

Leden van de FRDO die zich onthouden van dit standpunt: Dhr. Patrick Dupriez – Voorzitter ; Mevr. Françoise Van Tiggelen – vertegenwoordigster van de werkgeversorganisaties.

Leden van de FRDO die dit standpunt niet steunen: De heren Bart Vannetelbosch en Arnaud Collignon – ondervoorzitters; De heren Joris Verschueren, Sacha Dierckx, Thomas Vael en Luca Ciccia – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties;  Dhr. Benjamin Clarysse – vertegenwoordiger van de niet-gouvernementele organisaties voor milieubescherming; Dhr. Nicolas Van Nuffel– vertegenwoordiger van de niet-gouvernementele organisaties voor ontwikkelingssamenwerking.

 

Opmerkingen, vragen of suggesties?