- Op vraag van minister Tinne Van der Straeten, in een brief van 21/01/2025
- Dit advies werd voorbereid door de werkgroep productnormen
- Samen met de CRB en de BRC Verbruik
- Goedgekeurd door de Algemene Vergadering via schriftelijke procedure op 10 maart 2025
Advies (pdf)
Draagwijdte van de aanvraag
Indiening
Op 21 januari 2025 heeft mevrouw Tinne Van der Straeten, minister van energie, aan de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling (FRDO), de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB), en de Bijzondere raadgevende commissie “Verbruik” (BRC Verbruik), hierna de adviesorganen genoemd, een adviesaanvraag gericht met betrekking tot een ontwerp van koninklijk besluit tot vaststelling van de nadere regels inzake biobrandstoffen uit gelijktijdig verwerkte biomassa en tot wijziging van het koninklijk besluit van 14 december 2023 tot vaststelling van de nadere regels inzake de werking van het register in de weg- en spoorvervoerssector. Het advies van deze adviesorganen werd gevraagd op grond van artikel 3, § 1, vierde lid, § 4, vierde lid, en artikel 6, zesde lid, van de wet van 31 juli 2023 houdende de productnormen voor het integreren van energie uit hernieuwbare bronnen in fossiele motorbrandstoffen bestemd voor de vervoerssector en tot wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt en tot wijziging van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen. De uiterste datum voor het uitbrengen van het advies is vastgesteld op 21 februari 2025 maar er is een verlenging toegekend tot het einde van de maand.
Overwogen reglementaire wijziging
Het ter advies voorgelegde koninklijk besluit geeft uitvoering aan gedelegeerde verordening (EU) 2023/1640 van de Commissie van 5 juni 2023 betreffende de methode voor het bepalen van het aandeel biobrandstoffen en biogas voor vervoer, geproduceerd uit biomassa die een gezamenlijk proces met fossiele brandstoffen worden verwerkt, door de modaliteiten vast te leggen waaronder het proces van co-verwerking en het aandeel energie uit biobrandstoffen van de categorieën A[1] , B[2] en C[3] van de biobrandstoffen van de gezamenlijk verwerkte biomassa in de eindproducten die het resultaat zijn van co-verwerking, worden goedgekeurd om bij te dragen tot de naleving van de verplichtingen inzake de integratie van energie uit hernieuwbare bronnen in brandstoffen voor de vervoerssector, zoals bepaald in artikel 7 van de voornoemde wet van 31 juli 2023.
Het voorliggende ontwerp van koninklijk besluit legt ook de procedure vast voor de rapportering en de registratie in het energieregister van de geproduceerde hoeveelheden door producenten van afgewerkte producten die afgeleid zijn van de meeverwerkte biomassa, en voorziet in het verlies van de erkenning voor het co-verwerkingsproces als niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden op basis waarvan de erkenning werd toegekend of als fraude wordt vastgesteld.
Tot slot wijzigt de tekst het eerder genoemde koninklijk besluit van 14 december 2023 om de overdracht van energie-eenheden tussen bedrijven te beperken en te voorkomen dat tussenpersonen de eenheden op de markt brengen en de prijs ervan verhogen voor oliemaatschappijen en leveranciers van gasvormige brandstoffen die doelstellingen moeten halen voor de integratie van energie uit hernieuwbare bronnen.
Hoorzitting
Naar aanleiding van deze adviesaanvraag zijn de bevoegde leden van de hierboven vermelde adviesorganen op 6 februari 2025 samengekomen voor een uiteenzetting door mevrouw Louhibi (FOD Economie).
Werkzaamheden in de subcommissie en de plenaire vergadering
Er werd overeengekomen dat de secretariaten een ontwerpadvies zouden opstellen. Het voorliggende ontwerpadvies werd via elektronische weg ter goedkeuring voorgelegd aan de plenaire vergadering van de CRB (goedgekeurd op 10/03/2025), aan de BRC Verbruik (goedgekeurd op 10/03/2025), evenals aan de algemene vergadering van de FRDO (goedgekeurd op 10/03/2025).
Advies
1. Inleidende opmerkingen
- [1] De adviesorganen verwelkomen de ontwikkeling van een regelgevend kader dat de productie in België mogelijk zal maken van biobrandstoffen die biobrandstoffen afkomstig van meeverwerkte biomassa bevatten. Ze zouden graag zien dat dit initiatief zo snel mogelijk wordt gerealiseerd om het potentieel voor de productie van biobrandstoffen in ons land te vergroten, om de beoogde randvoorwaarden voor deze nieuwe bron van hernieuwbare brandstoffen te testen en om de evolutie voor te bereiden van het ontwerp van koninklijk besluit dat wordt herzien in het kader van de komende omzetting van de REDIII-richtlijn[4].
- [2] Sommige leden[5] van de adviesorganen benadrukken echter dat het belangrijk is om alleen biobrandstoffen te gebruiken die aan strikte duurzaamheidscriteria voldoen. Biobrandstoffen van de eerste generatie kunnen bijvoorbeeld een negatief effect hebben op het klimaat als rekening wordt gehouden met de uitstoot van broeikasgassen als gevolg van veranderingen in landgebruik, en kunnen een bedreiging vormen voor de voedselzekerheid in bepaalde delen van de wereld en een negatief effect hebben op de biodiversiteit. Ze wijzen ook op de impact van deze brandstoffen op de luchtkwaliteit (aangezien ze bedoeld zijn om verbrand te worden) en op de beperkte beschikbaarheid van grondstoffen (en het afval dat nodig is om geavanceerde biobrandstoffen te produceren), waardoor deze brandstoffen gebruikt moeten worden waar ze het meest relevant zijn. Ze verwijzen ook naar een advies[6] over dit onderwerp.
- [3] Andere leden[7] van de adviesorganen wijzen erop dat het voorliggende ontwerp van koninklijk besluit de voornoemde wet van 31 juli 2023 aanvult door louter de praktische elementen aan te reiken voor de implementatie van het nieuwe concept van co-verwerking van biomassa dat daarin wordt uiteengezet en door strikt dezelfde Europese duurzaamheidscriteria te volgen die in diezelfde wet zijn opgenomen. Zij wijzen er ook op dat het ter consultatie voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit niet tot doel heeft duurzaamheidscriteria te herdefiniëren die verschillen van deze van voornoemde wet van 31 juli 2023, die reeds van kracht is.
2. Technische verbeteringen
- [4] De adviesorganen stellen voor om de term “afgewerkt product” te vervangen door “product”, aangezien het zelden afgewerkte brandstof zal zijn die uit de co-verwerkingseenheid komt, maar veeleer een mengcomponent die een aandeel hernieuwbare brandstof bevat.
- [5] De adviesorganen wijzen erop dat het technisch dossiernummer van de grondstof, bedoeld in artikel 7 van het voorliggende ontwerp van koninklijk besluit, niet noodzakelijk beschikbaar is op het ogenblik dat het technisch co-verwerkingsdossier wordt ingediend. Dit wordt ingevuld van zodra het technisch dossier voor de co-verwerking technisch aanvaard is en de aankoop van de grondstof kan beginnen.
- [6] De adviesorganen wijzen er ook op dat de monsters bedoeld in artikel 9, § 4, 2°, van het voorliggende ontwerp van koninklijk besluit pas beschikbaar zullen zijn na de start van het co-verwerkingsproces en om de kenmerken opgenomen in het technisch dossier van de co-verwerking te verifiëren.
3. Elementen waarmee in de toekomst rekening moet worden gehouden
- [7] De adviesorganen stellen voor om – indien de rechtsgrondslag dit toelaat of hiertoe wordt aangepast – het toepassingsgebied van het regelgevingskader in de toekomst uit te breiden tot in het buitenland uitgevoerde co-verwerkingsproducten op basis van bilaterale overeenkomsten met derde landen, waarbij een adequate uitwisseling van informatie wordt gegarandeerd om frauderisico’s te vermijden op basis van de Union Database[8] for Biofuels, die de traceerbaarheid garandeert van biomassa die wordt gebruikt voor de productie van brandstoffen op Europese schaal.
- [8] Sommige leden[9] van de adviesorganen verwelkomen de creatie van een nieuwe markt voor biogas, maar betreuren dat het ontwerp van koninklijk besluit dat ter consultatie werd voorgelegd, niet voorziet in het rechtstreekse gebruik van biogas als transportbrandstof (in de vorm van bio-CNG of bio-LNG).
- [9] De adviesorganen pleiten ook voor een verbetering van de controlemaatregelen voor het energieregister, zodat de beperking tot één enkele transactie – zoals bepaald in artikel 16, 1° van het ontwerp van koninklijk besluit dat ter beoordeling voorligt – kan worden versoepeld. Hoewel deze beperking tot één enkele transactie bedoeld is om de traceerbaarheid te verbeteren en bescherming te bieden tegen fraude, beperkt het ook de flexibiliteit van transacties tussen partijen die verplicht zijn om het energieregister te gebruiken.
[1] Die zijn « biobrandstof[fen] waarvan de kenmerken voldoen aan een Europese of Belgische norm » (cf. art. 2, 22°, van de wet van 31 juli 2023 houdende de productnormen voor het integreren van energie uit hernieuwbare bronnen in fossiele motorbrandstoffen bestemd voor de vervoerssector en tot wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt en tot wijziging van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen).
[2] Die zijn « biobrandstof[fen] waarvoor nog geen Europese of Belgische norm bestaat maar waarvan het gebruik door de [federale] minister [die bevoegd is voor Energie] wordt toegestaan » (cf. art. 2, 23°, van de wet van 31 juli 2023 houdende de productnormen voor het integreren van energie uit hernieuwbare bronnen in fossiele motorbrandstoffen bestemd voor de vervoerssector en tot wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt en tot wijziging van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen).
[3] Die zijn « biobrandstof[fen] van categorie A of B die word[en] geproduceerd uit grondstoffen vermeld in bijlage IV van het koninklijk besluit van 16 juli 2014 [betreffende de informatie- en administratieve verplichtingen met betrekking tot de biobrandstoffen van categorie B en C in overeenstemming met de wet van 17 juli 2013 houdende de minimale nominale volumes duurzame biobrandstoffen die de volumes fossiele motorbrandstoffen, die jaarlijks tot verbruik worden uitgeslagen, moeten bevatten] en waarvan het gebruik door de [federale] minister [die bevoegd is voor Energie] wordt toegestaan » (cf. art. 2, 24°, van de wet van 31 juli 2023 houdende de productnormen voor het integreren van energie uit hernieuwbare bronnen in fossiele motorbrandstoffen bestemd voor de vervoerssector en tot wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt en tot wijziging van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen).
[4] Richtlijn (EU) 2023/2413 van het Europees Parlement en de Raad van 18 oktober 2023 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2018/2001, Verordening (EU) 2018/1999 en Richtlijn 98/70/EG wat de bevordering van energie uit hernieuwbare bronnen betreft, en tot intrekking van Richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad.
[5] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Bart Vannetelbosch en Arnaud Collignon – ondervoorzitters ; Sacha Dierckx, Luca Ciccia en Thomas Vael – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties ; Benjamin Clarysse – vertegenwoordiger van de niet-gouvernementele organisaties voor milieubescherming ; Nicolas Van Nuffel en Jonathan Matthysen – vertegenwoordigers van de niet-gouvernementele organisaties voor ontwikkelingssamenwerking.
Lid van de FRDO die zich bij dit standpunt onthoudt: Patrick Dupriez – voorzitter.
Leden van de FRDO die steunen dit standpunt niet: Vanessa Biebel – ondervoorzitster ; Ann Nachtergaele en Piet Vanden Abeele – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.
[6] Advies over transportbrandstoffen uit hernieuwbare bronnen, 7/06/2021, nr. FRDO 2021a08 – CRB 2021-1539 (waaronder §§ [5], [6] en [9]).
[7] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Vanessa Biebel – ondervoorzitster ; Ann Nachtergaele en Piet Vanden Abeele – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.
Lid van de FRDO die zich bij dit standpunt onthoudt: Patrick Dupriez – voorzitter.
Leden van de FRDO die steunen dit standpunt niet: Bart Vannetelbosch en Arnaud Collignon – ondervoorzitters ; Sacha Dierckx, Luca Ciccia en Thomas Vael – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties ; Benjamin Clarysse – vertegenwoordiger van de niet-gouvernementele organisaties voor milieubescherming ; Nicolas Van Nuffel en Jonathan Matthysen – vertegenwoordigers van de niet-gouvernementele organisaties voor ontwikkelingssamenwerking.
[8] https://wikis.ec.europa.eu/display/UDBBIS/Union+Database+for+Biofuels+-+Public+wiki
[9] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Vanessa Biebel – ondervoorzitster ; Ann Nachtergaele en Piet Vanden Abeele – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.
Lid van de FRDO die zich bij dit standpunt onthoudt: Patrick Dupriez – voorzitter.
Leden van de FRDO die steunen dit standpunt niet: Bart Vannetelbosch en Arnaud Collignon – ondervoorzitters ; Sacha Dierckx, Luca Ciccia en Thomas Vael – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties ; Benjamin Clarysse – vertegenwoordiger van de niet-gouvernementele organisaties voor milieubescherming ; Nicolas Van Nuffel en Jonathan Matthysen – vertegenwoordigers van de niet-gouvernementele organisaties voor ontwikkelingssamenwerking.