04 | Advies exportverbod van bepaalde gevaarlijke stoffen naar landen buiten de EU

  • Op vraag van Zakia Khattabi, minister van klimaat, leefmilieu, duurzame ontwikkeling en Green Deal, in een brief van 26/01/2023
  • Dit advies werd voorbereid door de werkgroep productnormen
  • Samen met de CRB en de BRC Verbruik
  • Goedgekeurd door de Algemene Vergadering via schriftelijke procedure op 27 maart 2023

Advies (pdf)

 

 

Perimeter van de aanvraag

Indiening

Op donderdag 26 januari heeft mevrouw Zakia Khattabi, minister van Klimaat, Leefmilieu, Duurzame Ontwikkeling en Green Deal aan de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling (FRDO), de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB) en de bijzondere raadgevende commissie Verbruik (brc Verbruik), hierna de adviesorganen genoemd, een adviesvraag gericht met betrekking tot een ontwerp van koninklijk besluit houdende exportverbod van bepaalde gevaarlijke stoffen naar landen die geen lid zijn van de Europese Unie. Het advies van deze adviesorganen wordt gevraagd conform artikel 19, §1, eerste lid, van de wet van 21 december 1998 betreffende productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu, de volksgezondheid en de werknemers. De uiterlijke indieningsdatum van het advies is 28 februari 2023.

Overwogen reglementaire wijziging

Het ontwerp van koninklijk besluit dat voor advies aan de adviesorganen wordt voorgelegd volgt volgens de adviesvraag op de Verordening (EU) nr. 649/2012 van het Europees parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de in- en uitvoer van gevaarlijke chemische stoffen, de geldende regelgeving op niveau van de Europese Unie betreffende het op de markt brengen van en het gebruik van gevaarlijke chemische stoffen op Europees grondgebied.

Concreet wordt in bijlage V van deze Verordening een lijst van gevaarlijke stoffen opgesomd die niet mogen worden uitgevoerd. In bijlage I gaat het om een lijst van chemische stoffen die wel mogen worden uitgevoerd, maar enkel met voorafgaande toestemming of mits een kennisgeving van uitvoer. Sommige gevaarlijke stoffen zijn in de Europese Unie weliswaar verboden, maar worden in derde landen geproduceerd en opgeslagen voor uitvoerdoeleinden. België is een van de landen die deze gevaarlijke stoffen wel uitvoeren.

Het voorliggende ontwerp van koninklijk besluit beoogt derhalve de uitvoer van bepaalde gevaarlijke stoffen uit België naar niet-EU-landen te verbieden. Daartoe wordt een reeks van criteria gesteld waaraan stoffen moeten voldoen om niet te mogen worden uitgevoerd (artikel 4, lid 2) en somt bijlage I van het ontwerp van koninklijk besluit de gevaarlijke stoffen op waarvoor dit uitvoerverbod geldt. In bijlage 3 worden daarentegen stoffen genoemd waarvan op Europees niveau een of meer toepassingen (nog) zijn toegestaan en die derhalve niet mogen worden uitgevoerd, behalve met het oog op deze specifieke toepassingen.

Dit ontwerp van koninklijk besluit is bedoeld als een levend rechtsinstrument, in die zin dat de lijst van gevaarlijke stoffen die onder het exportverbod vallen op voorstel van de minister van Leefmilieu en/of de minister van Volksgezondheid kan worden heropend om nieuwe stoffen toe te voegen, rekening houdend met de wetenschappelijke en technische vooruitgang en met de evolutie van de internationale, Europese en nationale wetgeving. De procedure voor het bijwerken van de lijst in bijlage 1 wordt in bijlage 2 beschreven. Samengevat, de voorstellen tot bijwerking van de lijst moeten informatie bevatten waaruit blijkt dat de voor opneming in bijlage 1 voorgestelde stof(fen) voldoen aan de in artikel 4, §2 van het besluit vastgestelde criteria voor een algeheel verbod op uitvoer uit de Europese Unie. Er is ook een verplichting om de lijst regelmatig bij te werken, namelijk ten minste om de twee jaar.

Hoorzittingen

Naar aanleiding van deze adviesvraag zijn de bevoegde leden van de voornoemde adviesorganen op 9 februari 2023 virtueel bijeenkomen voor een uiteenzetting door de dames Merckx (FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu) en Vercouter (Beleidscel van de minister van Klimaat, Leefmilieu, Duurzame Ontwikkeling en Green Deal).

Werkzaamheden in de subcommissie en de plenaire vergadering

Er werd overeengekomen dat de secretariaten een ontwerpadvies zouden opstellen. Dit ontwerpadvies werd via elektronische weg ter goedkeuring voorgelegd aan de plenaire vergadering van de CRB (goedgekeurd op 27/03/ 2023) en de BRC verbruik (goedgekeurd op 27/03/2023), evenals aan de algemene vergadering van het FRDO (goedgekeurd op 27/03/2023).

 

Advies

1. Algemene opmerkingen

1.1. Europese harmonisatie

  • [1] De adviesorganen ondersteunen de noodzaak van een geharmoniseerde regelgeving op Europees niveau. Dit zou immers het omzeilen van exportverboden voorkomen, rechtszekerheid bieden, de interne markt harmoniseren en zo concurrentievervalsing op Europees niveau tegengaan.
  • [2] De adviesorganen stellen vast dat het voorliggende ontwerp van koninklijk besluit een aangelegenheid betreft die onder de Chemische Strategie voor Duurzaamheid[1] In het overzicht van de uitvoering van deze Chemische Strategie voor Duurzaamheid dat de Europese Commissie heeft gepubliceerd, kondigt de Commissie aan de uitvoer van gevaarlijke chemische stoffen te willen verbieden[2]. In de bijlage bij de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s vermeldt de Commissie tevens 2023 als jaar waarin het wetgevingsvoorstel “ervoor moet zorgen dat in de Europese Unie verboden gevaarlijke chemische stoffen niet voor de uitvoer worden geproduceerd, onder meer door de desbetreffende wetgeving zo nodig te wijzigen”[3]. Concreet heeft de Europese Commissie een initiatief aangekondigd voor een voorstel van verordening met betrekking tot een verbod op de productie voor uitvoer van gevaarlijke chemische stoffen die in de Europese Unie verboden zijn. De openbare raadpleging is gepland voor het eerste kwartaal 2023 en de de aankondiging van het voorstel van de Europese Commissie is gepland voor het vierde kwartaal 2023. De adviesorganen vragen dat hiervan op Europees niveau snel werk gemaakt zou worden en dat België een voortrekkersrol zou vervullen in het debat op Europees niveau.
  • [3] Sommige leden[4] van de adviesorganen stellen vast dat er vragen rijzen of er juridisch gezien een rechtsgrond is om een uitvoerverbod op het niveau van een lidstaat in te voeren. Eén van deze vragen is meer bepaald of een uitvoerverbod voor actieve stoffen en gewasbeschermingsmiddelen die in de Europese Unie niet zijn goedgekeurd of toegelaten, niet onder de exclusieve bevoegdheid van de Europese Unie valt, overeenkomstig artikel 207, lid 2, en art. 3, lid 1, van het Verdrag VWEU (gemeenschappelijke handelspolitiek) . Indien dit het geval zou zijn, zou het voor België verboden zijn een wetgeving ter zake vast te stellen[5].
  • [4] Voor andere leden[6] van de adviesorganen is deze twijfel ongegrond, zoals blijkt uit artikel 10 van Verordening (EU) 2015/479 betreffende de gemeenschappelijke regeling voor de uitvoer:, “onverminderd andere Uniebepalingen, de onderhavige verordening geen beletsel vormt voor het aannemen of toepassen door de lidstaten van kwantitatieve uitvoerbeperkingen welke gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de openbare zedelijkheid, de openbare orde of de openbare veiligheid of van de bescherming van de gezondheid en het leven van personen, dieren of planten, het nationaal artistiek, historisch en archeologisch bezit of de industriële en commerciële eigendom.” Dit lijkt een Belgisch regelgevend initiatief toch mogelijk te maken[7].
  • [5] Sommige leden[8] van de adviesorganen menen dat het streven naar een harmonisatie op Europees niveau niet mag beletten dat er reeds op nationaal niveau een regelgeving wordt aangenomen, indien dit juridisch mogelijk is. Gezien de vertragingen op Europees niveau, blijft het immers hypothetisch dat dergelijke regelgeving wordt aangenomen. Deze leden van de adviesorganen ondersteunen bijgevolg het feit dat België het voorbeeld van Duitsland[9] en Frankrijk[10] volgt en het voortouw neemt bij de vaststelling van een ambitieuze regelgeving op Europees niveau door reeds op nationaal niveau een regelgeving aan te nemen. De bestemmingslanden voor de export van de verboden werkzame stoffen zijn daarbij van ondergeschikt belang, gezien het exportverbod berust op de risico’s voor mensenrechtenschendingen en aantasting van het milieu die door de stoffen veroorzaakt worden. Deze zijn even groot bij ons als in derde landen, ongeacht hun niveau van ontwikkeling of regelgeving. Bovendien zien deze leden van de adviesorganen niet op basis van welke pertinente en objectieve criteria België zou kunnen oordelen over de geschiktheid van landen om de stoffen te ontvangen.
  • [6] Andere leden[11] van de adviesorganen betreuren dan weer dat het voorliggende ontwerp van koninklijk besluit wordt uitgebracht, terwijl de Europese Commissie momenteel zelf een harmonisatieprocedure rond dit onderwerp heeft opgestart. Men stelt zich tevens vragen bij de handhaafbaarheid en uitvoering door de douane van het voorliggende ontwerp van koninklijk besluit. Om de interne markt te harmoniseren en het vrij verkeer van goederen binnen de Europese Unie niet te belemmeren, vragen deze leden van de adviesorganen geen nationale wetgeving te ontwikkelen en wensen zij de Europese ontwikkelingen af te wachten. Indien België alsnog wenst door te gaan met het voorliggende ontwerp van koninklijk besluit, dan dient de uitvoerbeperking teruggebracht te worden tot het bedoelde toepassingsgebied, namelijk ‘landen met een zwakker regelgevend kader waar de kans op onrechtmatig gebruik het grootst is’, met andere woorden OESO-landen en landen die het Verdrag van Rotterdam hebben ondertekend zouden uit het toepassingsgebied moeten worde gehaald.

1.2. Regelgevingsimpactanalyse

  • [7] De adviesorganen stellen vast dat er geen onafhankelijke alomvattende regelgevingsimpactanalyse werd uitgevoerd voorafgaand aan het voorliggende ontwerp van koninklijk besluit. De Centrale Raad voor het Bedrijfsleven heeft in eerdere adviezen reeds gewezen[12] op het belang van impactanalyses om over een zo volledig mogelijk overzicht van mogelijke gevolgen van de voorgenomen regelgeving te beschikken en aldus een gefundeerde beslissing te kunnen nemen, zonder dat dit een vertragend effect heeft op het verdere regelgevingsproces. De adviesorganen dringen er verder op aan om steeds over de regelgevingsimpactanalyses te beschikken ter voorbereiding van hun advies en dit in een zo vroeg mogelijk stadium van het besluitvormingsproces[13].
  • [8] Sommige leden[14] van de adviesorganen wijzen erop dat het ontwerpbesluit bedoeld is om tegemoet te komen aan specifieke internationale richtlijnen en aanbevelingen inzake mensenrechten en duurzame ontwikkeling[15]. Deze leden van de adviesorganen wijzen er tevens op dat het Franse voorbeeld van regelgeving zeer beperkte economische gevolgen en risico’s voor de werkgelegenheid lijkt te hebben. Zij verwijzen naar een journalistiek onderzoek[16] dat onder de bedrijven van de sector is uitgevoerd en waaruit blijkt dat er zeer weinig banen verloren gingen, in tegenstelling tot eerdere beweringen van de sector. Bovendien deelde de beleidscel reeds mee dat het voorliggende ontwerp van koninklijk besluit invloed zal hebben op 1 à 5 procent van de totale productie van pesticiden in België. Bijgevolg stellen deze leden van de adviesorganen voor het effect van het KB bij de actualisering ervan (om de twee jaar) te volgen en te analyseren.
  • [9] Deze leden[17] van de adviesorganen stellen verder dat uit onderzoek is gebleken dat de grootste Belgische export (t.w. 1,3-dichloorpropeen, goed voor 44% van de totale export over 8 jaar) een werkzame stof uit 1959 is. Door de uitvoer van dergelijke werkzame stoffen stop te zetten via het voorliggende ontwerp van koninklijk besluit, stimuleert men de Belgische sector tot innovatie en kan deze zich positioneren als een centrale speler in het onderzoek naar en de ontwikkeling van werkzame stoffen die niet toxisch zijn voor de menselijke gezondheid en het milieu. Gezien de achteruitgang van het milieu en de ineenstorting van de biodiversiteit moet er volgens deze leden van de adviesorganen geïnvesteerd worden in nieuwe stoffen en biologische plaagbestrijding om het risico van verontreiniging te beperken en tegelijk toch concurrerend te zijn. Men verwijst in dit kader naar de prioriteitsvolgorde zoals gesteld in artikel 5 van het decreet duurzaam pesticidengebruik[18], waarin wordt gesteld dat “in de eerste plaats moet worden geïnvesteerd in het voorkomen van het gebruik van pesticiden, vervolgens in het gebruik van alternatieve bestrijdingswijzen en, ten slotte, in de inzet van chemische middelen op een wijze die het minst risico’s voor mens en leefmilieu met zich brengt”.
  • [10] Deze leden[19] van de adviesorganen merken ten slotte op dat de stoffen vermeld in het voorliggende ontwerp van koninklijk besluit door Europa verboden zijn met een reden, namelijk omdat ze schadelijk zijn voor de gezondheidvan mens en milieu. Het exporteren van deze stoffen heeft dus uiteraard hetzelfde, zo niet een erger effect, op mensen en hun omgeving in andere landen met een vergelijkbare of zwakkere wetgeving omtrent deze producten.
  • [11] Andere leden[20] van de adviesorganen stellen vast dat in de TRIS-notificatie wordt vermeld dat het voorliggende ontwerp van koninklijk besluit geen significante impact op de internationale handel heeft. Deze leden van de adviesorganen menen dat deze claim mits de afwezigheid van een impactanalyse niet hard te maken is. Bovendien stellen zij dat, gezien het belang van de gewasbeschermingsmiddelensector in België en de uitvoer naar andere OESO-lidstaten met andere ziektes en parasieten, er zeker een impact op de internationale handel mag worden verwacht. Dit omwille van het gegeven dat de productie door het voorliggende ontwerp van koninklijk besluit de facto verboden wordt omdat er naar geen enkel land, ook niet binnen de EU, mag worden uitgevoerd aangezien de uitvoerbeperking tot niet-EU landen niet in het ontwerp van koninklijk besluit is terug te vinden. Daarentegen zou mogelijks de uitvoer uit België van producten die in een ander EU-land geproduceerd worden, wel mogelijk zijn wanneer ze enkel doorgevoerd worden en dus niet op de Belgische markt worden gebracht. Deze leden van de adviesorganen menen verder dat binnen de TRIS een materiële verplichting bestaat om een regelgevingsimpactanalyse uit te voeren en dit is recent nog door het Europese Hof van Justitie bevestigd in haar arrest van 24/11/2022[21].
  • [12] Deze leden[22] van de adviesorganen stellen vast dat het voorliggende ontwerp van koninklijk besluit gebaseerd is op gegevens die tussen 2019 en 2021 zijn verzameld. Men acht de gekozen tijdspanne, omwille van de COVID-19 pandemie, niet representatief voor een onderwerp als export en om de gevolgen van dergelijk wetgevingsinitiatief te bepalen. Daarom stelt men voor dat voorafgaand aan de besprekingen tussen de belanghebbenden een regelgevingsimpactanalyse wordt uitgevoerd, zodat men over alle nodige informatie beschikt om een standpunt in te nemen.

1.3. Bevoegdheden

  • [13] De adviesorganen stellen vast dat volgens de indieners van dit ontwerp de wettelijke basis voor dit ontwerp van koninklijk besluit gevormd wordt door de Wet van 21 december 1998 betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu, de volksgezondheid en de werknemers, meer bepaald artikel 5, §1, 8°: “Teneinde het leefmilieu of de volksgezondheid te beschermen en duurzame productie- en consumptiepatronen te bevorderen, kan de Koning maatregelen nemen om (…) de uitvoer van producten naar landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap te verbieden of aan een al dan niet voorafgaande kennisgeving, toelating of aan voorwaarden te onderwerpen.” 
  • [14] Sommige leden[23] van de adviesorganen stellen dat het wenselijk is de verenigbaarheid te toetsen van het voorontwerp-KB met de bevoegdheidsverdelende regels, nu de bijzondere wet van 8 augustus 1980 het afzet- en uitvoerbeleid aan de gewesten toebedeelt.

2 Specifieke opmerkingen

2.1. Titel en definities

  • [15] De adviesorganen stellen vast dat het voorliggende ontwerp van koninklijk besluit hoofdzakelijk tot doel heeft de uitvoer van twee soorten stoffen te reguleren, met name biociden en gewasbeschermingsmiddelen.
  • [16] De titel van het voorliggende ontwerp van koninklijk besluit verwijst echter naar de term ‘gevaarlijke stoffen’’ dat in artikel 2, 2° van het ontwerp van koninklijk besluit als volgt wordt gedefinieerd: “Gevaarlijke stoffen, als zodanig of in mengsels, zoals bepaald in artikel 2, 7° van de wet van 21 december 1998”[24]. Voornoemde wet omschrijft ‘gevaarlijke stoffen’ op haar beurt als volgt: “gevaarlijke stoffen, gevaarlijke preparaten of gevaarlijke biociden: ontplofbare, oxyderende, zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare, ontvlambare, zeer giftige, giftige, schadelijke, bijtende, irriterende, sensibiliserende, kankerverwekkende, mutagene, voor de voortplanting vergiftige of milieugevaarlijke stoffen, preparaten of biociden[25].
  • [17] Dat het doel van het voorliggende ontwerp van koninklijk besluit erin bestaat om de uitvoer van zowel gewasbeschermingsmiddelen, als biociden te verbieden, blijkt niet eenduidig uit bovenstaande definitie en kan verwarring met zich meebrengen. De adviesorganen zijn bijgevolg van mening dat de doelstelling en de titel van het voorliggende ontwerp van koninklijk besluit dienen te worden verduidelijkt.
  • [18] Vervolgens menen de adviesorganen dat er een incongruentie bestaat tussen de titel van het voorliggende ontwerp van koninklijk besluit, enerzijds, en de definitie van de term ‘uitvoer’ in artikel 2, 4° en het verbod in artikel 3 van het ontwerp, anderzijds.
  • [19] In de titel van het voorliggende ontwerp van koninklijk besluit wordt gesproken over “een exportverbod van bepaalde gevaarlijke stoffen naar landen die geen lid zijn van de Europese Unie”.
  • [20] In artikel 2, 4° van het voorliggende ontwerp van koninklijk besluit wordt de term ’uitvoer’ echter gedefinieerd als “de definitieve of tijdelijke uitvoer uit België van een gevaarlijke stof vermeld in bijlage 1 en 3 van dit besluit alsook op de gevaarlijke stof uit derde landen welke zich in België in het vrije verkeer bevinden”.
  • [21] Er wordt in bovenstaande definitie nergens gespecifieerd dat het gaat over de uitvoer naar niet-EU landen, waardoor de indruk wordt gewekt dat het om een algemeen exportverbod uit België gaat. Bovendien is het niet duidelijk of producten die niet in België zijn geproduceerd, maar wel in België worden uitgevoerd – bijvoorbeeld via de Antwerpse haven – onder het uitvoerverbod vallen.
  • [22] Om te voorkomen dat er verwarring ontstaat omtrent de draagwijdte van het exportverbod, wensen de adviesorganen dat de definitie van de term ‘uitvoer’ in artikel 2, 4° van het voorliggende ontwerp van koninklijk besluit wordt verduidelijkt.

2.2. Lijsten van gevaarlijke stoffen

2.2.1. Criteria
  • [23] De adviesorganen menen dat er voor de lijst van gevaarlijke stoffen vermeld in bijlage 3 geen duidelijke criteria bestaan, noch een procedure wordt vermeld aan de hand waarvan deze stoffen op de lijst staan, alsook in de toekomst op de lijst kunnen worden geplaatst en wat hiervan de praktische gevolgen kunnen zijn[26].
  • [24] Gezien de titel van het voorliggende ontwerp van koninklijk besluit over ‘bepaalde gevaarlijke stoffen’ spreekt, maar de adviesorganen vaststellen dat de beleidscel en de FOD Volksgezondheid zich hoofdzakelijk richten op gewasbeschermingsmiddelen en biociden, is het niet duidelijk of gevaarlijke stoffen met industriële toepassingen betrokken zijn. Zo staan een paar stoffen (zoals bv. ethyleenoxide) op de lijst van bijlage 3 en heeft deze onder PIC enkel beperkingen als gewasbeschermingsmiddel. De adviesorganen gaan ervan uit dat de uitvoer van deze stof voor industriële toepassingen nog steeds mogelijk zal zijn, aangezien het proces van ‘toegestane toepassingen’ onder de gewasbeschermingsmiddelen- en/of biocidenverordening niet van toepassing is op industriële gebruiken, maar dat de toegestane toepassingen volgen uit andere wetgevingen. Een ander voorbeeld is de vermelding van de stof permithrine, wat een toegelaten actieve stof is voor geneesmiddelen.
  • [25] De adviesorganen zijn van mening dat de manier waarop de opgelijste stoffen in het voorliggende ontwerp van koninklijk besluit geïdentificeerd worden tot verwarring kan leiden. Men acht het duidelijker om de opgesomde chemische stoffen volgens internationaal geïdentificeerde afspraken te benoemen en niet enkel met hun ‘common name’. Een EC en/of CAS nummer van de stoffen, zoals in de PIC-verordening, is vereist om eventuele taalverwarring te vermijden en een overeenkomst met de PIC lijst te behouden.
  • [26] Sommige leden[27] van de adviesorganen merken eveneens op dat voor 1,3-Dichloorpropeen een dossier is ingediend bij de EFSA als werkzame stof voor gewasbeschermingsmiddelen, maar dat de beoordeling en EU-toelatingsprocedure nog niet is afgerond. Ondertussen gelden voor het gebruik van deze substantie in meerdere lidstaten toelatingen naar gelang van de lokale behoeften.
  • [27] Andere leden[28] van de adviesorganen benadrukken de noodzaak dat het besluit betrekking heeft op werkzame stoffen en niet alleen op eindproducten (t.w. gewasbeschermingsmiddelen). Op die manier wenst men bepaalde tekortkomingen te voorkomen die in de Franse regelgeving werden vastgesteld[29].
  • [28] Deze leden[30] van de adviesorganen benadrukken dat de criteria voorgesteld in artikel 4, §2 duidelijk geformuleerd zijn, maar stellen dat in het kader van de bescherming van de biodiversiteit, in ruime zin, en van bestuivende insecten, in het bijzonder, het nodig is om in artikel 4 van het voorliggende ontwerp van koninklijk besluit ook criteria op te nemen met betrekking tot de toxiciteit voor bestuivers en andere levende soorten.
2.2.2. Actualisatie
  • [29] Het voorliggende ontwerp van koninklijk besluit stelt in het artikel 4, §3 dat een actualisatie van bijlage 1 met de elementen bedoeld in bijlage 2 minstens tweejaarlijks zal worden vernieuwd. Het is voor de adviesorganen echter niet duidelijk welke consultatie van de stakeholders bij deze actualisatie hoort. Bovendien is over de actualisatie van de lijst van gevaarlijke stoffen in bijlage 3 geen informatie terug te vinden. De adviesorganen stellen zich de vraag of dit betekent dat potentieel alle gevaarlijke stoffen zonder enige argumentatie en consultatie op deze lijst kunnen worden geplaatst.
  • [30] De adviesorganen stellen bovendien vast in artikel 4, §1 dat “het de Minister bevoegd voor Volksgezondheid en/of de Minister bevoegd voor Leefmilieu is die elke gevaarlijke stof in bijlage 1 kan toevoegen wanneer deze aan de in paragraaf 2 van dit artikel bedoelde criteria voldoet.” Volgens de adviesorganen is het gebruik van ‘en/of’ in een regelgevende tekst niet gebruikelijk en kan dit tot rechtsonzekerheid leiden.
  • [31] Sommige leden[31] van de adviesorganen stellen vast dat ook in artikel 4, §3 ‘op verzoek van de minister of de ministers’ en artikel 4, §4 ‘door de minister of ministers’ én in artikel 6 ‘ieder wat hen betreft’ er zeer ongebruikelijke verwoordingen staan, wat juridisch betekent dat één minister alleen (zowel die van Leefmilieu als die van Volksgezondheid) de modaliteiten voor een aanpassing van het koninklijk besluit/de bijlage kan bepalen. Aangezien de impact echter verder lijkt te gaan dan hun respectievelijke bevoegdheden, stellen deze leden van de adviesorganen voor dat aanpassingen moeten gebeuren via een koninklijk besluit (ondertekend door de verschillende ministers) dat steeds overlegd wordt in de Ministerraad.
  • [32] Deze leden[32] van de adviesorganen merken hierbij op dat de bevoegdheid tot het nemen van maatregelen om de uitvoer van producten naar landen die geen lid zijn van de Europese Unie te verbieden of aan een al dan niet voorafgaande kennisgeving, toelating of aan voorwaarden te onderwerpen bij de Koning ligt en dat de lijst van gevaarlijke producten in bijlage 1 van het voorliggende ontwerp van koninklijk besluit bijgevolg niet eenzijdig via een ministerieel besluit kan worden gewijzigd[33].
  • [33] Andere leden[34] van de adviesorganen zijn van mening dat een toekomstige actualisatie van bijlage 1, zoals bedoeld in artikel 4, § 3, het mogelijk moet maken om uiteindelijk alle stoffen in bijlage I van de Europese PIC-verordening (UE 649/2012) die voldoen aan de criteria in artikel 4, §2 van het voorliggende ontwerp van koninklijk besluit in de lijsten van gevaarlijke stoffen in de bijlagen van het ontwerp van koninklijk besluit op te nemen. Indien dit niet ten gronde wordt aangepast bestaat het risico dat er een verstoring van de regelgeving met de buurlanden ontstaat. Zo zouden bedrijven via België stoffen kunnen blijven uitvoeren die niet in de bijlagen van het voorliggende ontwerp van koninklijk besluit zijn opgenomen.
2.2.3. Inwerkingtreding
  • [34] Artikel 4, §4 van het voorliggende ontwerp van koninklijk besluit vermeldt dat “het verbod van toepassing is op alle stoffen die zijn opgenomen in bijlage 1 op de door de Minister of Ministers vastgestelde datum en dit ten minste 3 maanden na de publicatie van het ministerieel besluit houdende wijziging van de lijst in bijlage 1”. Artikel 5 bepaalt vervolgens dat “het besluit in werking treedt drie maanden na zijn publicatie in het Belgisch Staatsblad, behalve in zoverre het betrekking heeft op de in de bijlage bij dit besluit met een sterretje (*) aangeduide stof, waarvoor het in werking treedt op 1 oktober 2023”.
  • [35] Rekening houdend met de ernst en urgentie van de biodiversiteitscrisis en de risico’s voor volksgezondheid, pleiten sommige leden[35] van de adviesorganen voor het voorzien van een inwerkingstermijn van maximum 3 tot 6 maanden, mits aandacht voor de arbeidsvoorwaarden van de betrokken werknemers. Deze leden van de adviesorganen benadrukken de noodzaak om de betrokken werknemers te ondersteunen, begeleiden en waar nodig om te scholen.
  • [36] Rekening houdend met het feit dat een Belgisch verbod vooral impact kan hebben voor de Belgische werknemers en met het feit dat door o.a. leveringssubstitutie door bedrijven buiten de EU en moeizamere lokale plaagbestrijding, lokaal weinig zou veranderen, pleiten andere leden[36] van de adviesorganen voor het voorzien van een redelijke inwerkingtreding van betrokken stoffen van minimum 18 maanden. Dit om rekening te houden met de tijd die ondernemingen nodig hebben om hun productie om te schakelen na publicatie. Werknemers in bedrijven die getroffen worden door deze wetgeving vallen onder de algemene afspraken en wettelijke verplichtingen ten aanzien van werknemers. Bovendien moeten ook de inspectiediensten en de douane over voldoende tijd kunnen beschikken om de nodige controles uit te voeren en de regels te handhaven.
  • [37] Specifiek voor fipronil, wat nog een toegelaten actieve stof is voor diergeneesmiddelen, wordt de uitvoer verboden na 1 oktober 2023 ongeacht de publicatiedatum van het voorliggende ontwerp van koninklijk besluit. Dit betekent dat de overgangstermijn mogelijks zelfs geen drie maanden bedraagt. De adviesorganen vragen zich af wat er moet gebeuren in geval van uitvoer van fipronil na 1 oktober, indien het ontwerp van koninklijk besluit later dan 1 oktober 2023 wordt gepubliceerd.

 

 

 

 

[1] Chemicals strategy (europa.eu), gepubliceerd op 14 oktober 2020.

[2] Table_implementation_CSS_actions.pdf (europa.eu), p. 19: “The Commission is currently considering a number of options for implementing this objective, either through the revision of REACH (ongoing) or through the revision of PIC. An impact assessment will be launched in 2022, and the legal proposal is expected for 2022-23, depending on the legal instrument”.

[3] EUR-Lex – 52020DC0667 – EN – EUR-Lex (europa.eu).

[4] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Mevr. Vanessa Biebel – ondervoorzitster; Mevr. Françoise Van Tiggelen, Ann Nachtergaele en Ineke De Bisschop en Dhr. Piet Vanden Abeele – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.

Lid van de FRDO die zich bij dit standpunt onthoudt: Dhr. François-Xavier de Donnea – voorzitter.

Leden van de FRDO die steunen dit standpunt niet: Dhr. Bart Vannetelbosch – ondervoorzitter ; Dhr. Tycho Van Hauwaert – vertegenwoordiger van de niet-gouvernementele organisaties voor milieubescherming ; Dhr. Nicolas Van Nuffel en Mevr. Naima Charkaoui – vertegenwoordigers van de niet-gouvernementele organisaties voor ontwikkelingssamenwerking ; Dhr. Hadrien Vanoverbeke, Thomas Vael en François Sana – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties.

[5] Prof. Dr. Christoph Herrmann, Expert opinion on the legality of a national ban on the export of certain plant protection products from Germany, Büchlberg, 2022, 27 pp.

[6] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Dhr. Bart Vannetelbosch – ondervoorzitter ; Dhr. Tycho Van Hauwaert – vertegenwoordiger van de niet-gouvernementele organisaties voor milieubescherming ; Dhr. Nicolas Van Nuffel en Mevr. Naima Charkaoui – vertegenwoordigers van de niet-gouvernementele organisaties voor ontwikkelingssamenwerking ; Dhr. Hadrien Vanoverbeke, Thomas Vael en François Sana – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties.

Lid van de FRDO die zich bij dit standpunt onthoudt: Dhr. François-Xavier de Donnea – voorzitter.

Leden van de FRDO die steunen dit standpunt niet: Mevr. Vanessa Biebel – ondervoorzitster ; Mevr. Françoise Van Tiggelen, Ann Nachtergaele en Ineke De Bisschop en Dhr. Piet Vanden Abeele – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.

[7] Zie ook: https://www.boell.de/sites/default/files/2023-02/legal_opinion_pesticide_export.pdf, Legal opinion on the implementation of a ban on the export of certain hazardous pesticides from Germany.

[8] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Dhr. Bart Vannetelbosch – ondervoorzitter ; Dhr. Tycho Van Hauwaert – vertegenwoordiger van de niet-gouvernementele organisaties voor milieubescherming ; Dhr. Nicolas Van Nuffel en Mevr. Naima Charkaoui – vertegenwoordigers van de niet-gouvernementele organisaties voor ontwikkelingssamenwerking ; Dhr. Hadrien Vanoverbeke, Thomas Vael en François Sana – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties.

Lid van de FRDO die zich bij dit standpunt onthoudt: Dhr. François-Xavier de Donnea – voorzitter.

Leden van de FRDO die steunen dit standpunt niet: Mevr. Vanessa Biebel – ondervoorzitster ; Mevr. Françoise Van Tiggelen, Ann Nachtergaele en Ineke De Bisschop en Dhr. Piet Vanden Abeele – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.

[9] De nieuwe regering van Duitsland heeft het uitvoerverbod opgenomen in haar regeringsakkoord.

[10] Frankrijk heeft het uitvoerverbod aangenomen als onderdeel van de Egalim-wet, die in 2022 van kracht wordt.

[11] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Mevr. Vanessa Biebel – ondervoorzitster; Mevr. Françoise Van Tiggelen, Ann Nachtergaele en Ineke De Bisschop en Dhr. Piet Vanden Abeele – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.

Lid van de FRDO die zich bij dit standpunt onthoudt: Dhr. François-Xavier de Donnea – voorzitter.

Leden van de FRDO die steunen dit standpunt niet: Dhr. Bart Vannetelbosch – ondervoorzitter ; Dhr. Tycho Van Hauwaert – vertegenwoordiger van de niet-gouvernementele organisaties voor milieubescherming ; Dhr. Nicolas Van Nuffel en Mevr. Naima Charkaoui – vertegenwoordigers van de niet-gouvernementele organisaties voor ontwikkelingssamenwerking ; Dhr. Hadrien Vanoverbeke, Thomas Vael en François Sana – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties.

[12] Organisatie van de economie : Regelgevingsimpactanalyse en kwaliteit van de regelgeving (fgov.be), https://www.ccecrb.fgov.be/p/nl/717/sociale-partners-pleiten-voor-betere-regelgeving/5

[13] Organisatie van de economie: Administratieve vereenvoudiging: voorafgaande regelgevingsimpactanalyse.

[14] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Dhr. Bart Vannetelbosch – ondervoorzitter ; Dhr. Tycho Van Hauwaert – vertegenwoordiger van de niet-gouvernementele organisaties voor milieubescherming ; Dhr. Nicolas Van Nuffel en Mevr. Naima Charkaoui – vertegenwoordigers van de niet-gouvernementele organisaties voor ontwikkelingssamenwerking ; Dhr. Hadrien Vanoverbeke, Thomas Vael en François Sana – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties.

Lid van de FRDO die zich bij dit standpunt onthoudt: Dhr. François-Xavier de Donnea – voorzitter.

Leden van de FRDO die steunen dit standpunt niet: Mevr. Vanessa Biebel – ondervoorzitster ; Mevr. Françoise Van Tiggelen, Ann Nachtergaele en Ineke De Bisschop en Dhr. Piet Vanden Abeele – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.

[15] Doelen van de Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen: SDG 3 “Goede gezondheid en welzijn” (doel 3.9); SDG 6 “Schoon water en sanitair” (doel 6.3); SDG 12 “Verantwoorde consumptie en productie” (doel 12.4).

Aanbevelingen inzake mensenrechten:

– De Beginselen inzake mensenrechten en de bescherming van werknemers tegen giftige stoffen (met name Beginsel 5);

– Aanbevelingen van de speciale VN-Rapporteur inzake toxische stoffen en mensenrechten: States must stop exporting unwanted toxic chemicals to poorer countries. https://www.ohchr.org/en/press-releases/2020/07/states-must-stop-exporting-unwanted-toxic-chemicals-poorer-countries-says-un

[16] ActuEL HSE, « Les députés autorisent les industriels à exporter des pesticides interdits en France », 20 maart 2019; Mediapart, « Le chantage à l’emploi du lobby des pesticides était basé sur un mensonge », 5 januari 2023.

[17] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Dhr. Bart Vannetelbosch – ondervoorzitter ; Dhr. Tycho Van Hauwaert – vertegenwoordiger van de niet-gouvernementele organisaties voor milieubescherming ; Dhr. Nicolas Van Nuffel en Mevr. Naima Charkaoui – vertegenwoordigers van de niet-gouvernementele organisaties voor ontwikkelingssamenwerking ; Dhr. Hadrien Vanoverbeke, Thomas Vael en François Sana – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties.

Lid van de FRDO die zich bij dit standpunt onthoudt: Dhr. François-Xavier de Donnea – voorzitter.

Leden van de FRDO die steunen dit standpunt niet: Mevr. Vanessa Biebel – ondervoorzitster ; Mevr. Françoise Van Tiggelen, Ann Nachtergaele en Ineke De Bisschop en Dhr. Piet Vanden Abeele – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.

[18] Decreet van 8 februari 2013 houdende gebruik van pesticiden in het Vlaamse Gewest.

[19] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Dhr. Bart Vannetelbosch – ondervoorzitter ; Dhr. Tycho Van Hauwaert – vertegenwoordiger van de niet-gouvernementele organisaties voor milieubescherming ; Dhr. Nicolas Van Nuffel en Mevr. Naima Charkaoui – vertegenwoordigers van de niet-gouvernementele organisaties voor ontwikkelingssamenwerking ; Dhr. Hadrien Vanoverbeke, Thomas Vael en François Sana – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties.

Lid van de FRDO die zich bij dit standpunt onthoudt: Dhr. François-Xavier de Donnea – voorzitter.

Leden van de FRDO die steunen dit standpunt niet: Mevr. Vanessa Biebel – ondervoorzitster ; Mevr. Françoise Van Tiggelen, Ann Nachtergaele en Ineke De Bisschop en Dhr. Piet Vanden Abeele – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.

[20] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Mevr. Vanessa Biebel – ondervoorzitster; Mevr. Françoise Van Tiggelen, Ann Nachtergaele en Ineke De Bisschop en Dhr. Piet Vanden Abeele – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.

Lid van de FRDO die zich bij dit standpunt onthoudt: Dhr. François-Xavier de Donnea – voorzitter.

Leden van de FRDO die steunen dit standpunt niet: Dhr. Bart Vannetelbosch – ondervoorzitter ; Dhr. Tycho Van Hauwaert – vertegenwoordiger van de niet-gouvernementele organisaties voor milieubescherming ; Dhr. Nicolas Van Nuffel en Mevr. Naima Charkaoui – vertegenwoordigers van de niet-gouvernementele organisaties voor ontwikkelingssamenwerking ; Dhr. Hadrien Vanoverbeke, Thomas Vael en François Sana – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties.

[21] De zaak C-658/21, in de procedure Belgisch-Luxemburgse vereniging van de industrie van plantenbescherming VZW (Belplant), voorheen Belgische Vereniging van de Industrie van Plantenbeschermingsmiddelen VZW (Phytofar), tegen Vlaams Gewest, punt 44: “ (…) de lidstaten tevens mededeling doen van hetzij een samenvatting hetzij de referenties van de relevante gegevens over die stof, dat preparaat of product en verkrijgbare vervangende producten, voor zover deze gegevens beschikbaar zijn, alsmede van de verwachte gevolgen van de maatregel voor de volksgezondheid of voor de bescherming van consument en milieu, met, in de geëigende gevallen, een risicoanalyse volgens de beginselen genoemd in het betrokken deel van afdeling II, punt 3, van bijlage XV bij verordening nr. 1907/2006.”

[22] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Mevr. Vanessa Biebel – ondervoorzitster; Mevr. Françoise Van Tiggelen, Ann Nachtergaele en Ineke De Bisschop en Dhr. Piet Vanden Abeele – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.

Lid van de FRDO die zich bij dit standpunt onthoudt: Dhr. François-Xavier de Donnea – voorzitter.

Leden van de FRDO die steunen dit standpunt niet: Dhr. Bart Vannetelbosch – ondervoorzitter ; Dhr. Tycho Van Hauwaert – vertegenwoordiger van de niet-gouvernementele organisaties voor milieubescherming ; Dhr. Nicolas Van Nuffel en Mevr. Naima Charkaoui – vertegenwoordigers van de niet-gouvernementele organisaties voor ontwikkelingssamenwerking ; Dhr. Hadrien Vanoverbeke, Thomas Vael en François Sana – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties.

[23] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Mevr. Vanessa Biebel – ondervoorzitster; Mevr. Françoise Van Tiggelen, Ann Nachtergaele en Ineke De Bisschop en Dhr. Piet Vanden Abeele – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.

Lid van de FRDO die zich bij dit standpunt onthoudt: Dhr. François-Xavier de Donnea – voorzitter.

Leden van de FRDO die steunen dit standpunt niet: Dhr. Bart Vannetelbosch – ondervoorzitter ; Dhr. Tycho Van Hauwaert – vertegenwoordiger van de niet-gouvernementele organisaties voor milieubescherming ; Dhr. Nicolas Van Nuffel en Mevr. Naima Charkaoui – vertegenwoordigers van de niet-gouvernementele organisaties voor ontwikkelingssamenwerking ; Dhr. Hadrien Vanoverbeke, Thomas Vael en François Sana – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties.

[24] Artikel 2, 2° van het voorliggende ontwerp van koninklijk besluit.

[25] Artikel 2, 7° van de wet van 21 december 1998 betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid.

[26] Artikel 3 van het voorliggende ontwerp van koninklijk besluit.

[27] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Mevr. Vanessa Biebel – ondervoorzitster; Mevr. Françoise Van Tiggelen, Ann Nachtergaele en Ineke De Bisschop en Dhr. Piet Vanden Abeele – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.

Lid van de FRDO die zich bij dit standpunt onthoudt: Dhr. François-Xavier de Donnea – voorzitter.

Leden van de FRDO die steunen dit standpunt niet: Dhr. Bart Vannetelbosch – ondervoorzitter ; Dhr. Tycho Van Hauwaert – vertegenwoordiger van de niet-gouvernementele organisaties voor milieubescherming ; Dhr. Nicolas Van Nuffel en Mevr. Naima Charkaoui – vertegenwoordigers van de niet-gouvernementele organisaties voor ontwikkelingssamenwerking ; Dhr. Hadrien Vanoverbeke, Thomas Vael en François Sana – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties.

[28] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Dhr. Bart Vannetelbosch – ondervoorzitter ; Dhr. Tycho Van Hauwaert – vertegenwoordiger van de niet-gouvernementele organisaties voor milieubescherming ; Dhr. Nicolas Van Nuffel en Mevr. Naima Charkaoui – vertegenwoordigers van de niet-gouvernementele organisaties voor ontwikkelingssamenwerking ; Dhr. Hadrien Vanoverbeke, Thomas Vael en François Sana – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties.

Lid van de FRDO die zich bij dit standpunt onthoudt: Dhr. François-Xavier de Donnea – voorzitter.

Leden van de FRDO die steunen dit standpunt niet: Mevr. Vanessa Biebel – ondervoorzitster ; Mevr. Françoise Van Tiggelen, Ann Nachtergaele en Ineke De Bisschop en Dhr. Piet Vanden Abeele – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.

[29] Le Monde, « La France continue à exporter des milliers de tonnes de pesticides ultratoxiques, malgré l’interdiction de cette pratique », 30 november 2022; Public Eye, « La France continue d’exporter des pesticides interdits » , 30 november 2022.

[30] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Dhr. Bart Vannetelbosch – ondervoorzitter ; Dhr. Tycho Van Hauwaert – vertegenwoordiger van de niet-gouvernementele organisaties voor milieubescherming ; Dhr. Nicolas Van Nuffel en Mevr. Naima Charkaoui – vertegenwoordigers van de niet-gouvernementele organisaties voor ontwikkelingssamenwerking ; Dhr. Hadrien Vanoverbeke, Thomas Vael en François Sana – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties.

Lid van de FRDO die zich bij dit standpunt onthoudt: Dhr. François-Xavier de Donnea – voorzitter.

Leden van de FRDO die steunen dit standpunt niet: Mevr. Vanessa Biebel – ondervoorzitster ; Mevr. Françoise Van Tiggelen, Ann Nachtergaele en Ineke De Bisschop en Dhr. Piet Vanden Abeele – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.

[31] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Mevr. Vanessa Biebel – ondervoorzitster; Mevr. Françoise Van Tiggelen, Ann Nachtergaele en Ineke De Bisschop en Dhr. Piet Vanden Abeele – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.

Lid van de FRDO die zich bij dit standpunt onthoudt: Dhr. François-Xavier de Donnea – voorzitter.

Leden van de FRDO die steunen dit standpunt niet: Dhr. Bart Vannetelbosch – ondervoorzitter ; Dhr. Tycho Van Hauwaert – vertegenwoordiger van de niet-gouvernementele organisaties voor milieubescherming ; Dhr. Nicolas Van Nuffel en Mevr. Naima Charkaoui – vertegenwoordigers van de niet-gouvernementele organisaties voor ontwikkelingssamenwerking ; Dhr. Hadrien Vanoverbeke, Thomas Vael en François Sana – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties.

[32] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Mevr. Vanessa Biebel – ondervoorzitster; Mevr. Françoise Van Tiggelen, Ann Nachtergaele en Ineke De Bisschop en Dhr. Piet Vanden Abeele – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.

Lid van de FRDO die zich bij dit standpunt onthoudt: Dhr. François-Xavier de Donnea – voorzitter.

Leden van de FRDO die steunen dit standpunt niet: Dhr. Bart Vannetelbosch – ondervoorzitter ; Dhr. Tycho Van Hauwaert – vertegenwoordiger van de niet-gouvernementele organisaties voor milieubescherming ; Dhr. Nicolas Van Nuffel en Mevr. Naima Charkaoui – vertegenwoordigers van de niet-gouvernementele organisaties voor ontwikkelingssamenwerking ; Dhr. Hadrien Vanoverbeke, Thomas Vael en François Sana – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties.

[33] Volgens artikel 5 van de wet productnormen kan de Minister enkel in uitzonderlijke gevallen tijdelijke maatregelen nemen. Dit wordt ook bevestigd door de Raad van State in het Advies 72.044/1 van de Raad van State van 24 oktober 2022 over een voorontwerp van wet ‘tot wijziging van de wet van 21 december 1998 betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu, de volksgezondheid en de werknemers’ punt 5 p 7/20 : “ (…) Daargelaten de vaststelling dat met het permanent maken van een voorlopige maatregel door middel van een ministerieel besluit het inwinnen van de in de productnormenwet en haar uitvoeringsbesluiten voorgeschreven adviezen wordt omzeild, dient daarenboven te worden benadrukt dat de omzetting in een permanente maatregel geen aangelegenheid is van bijkomstige of detailmatige aard zodat dient te worden opgemerkt dat deze maatregel bij koninklijk besluit moet worden genomen, nu de verordenende bevoegdheid krachtens de grondwettelijke beginselen betreffende de uitoefening der staatsmachten immers in de eerste plaats aan de Koning toekomt”.

[34] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Dhr. Bart Vannetelbosch – ondervoorzitter ; Dhr. Tycho Van Hauwaert – vertegenwoordiger van de niet-gouvernementele organisaties voor milieubescherming ; Dhr. Nicolas Van Nuffel en Mevr. Naima Charkaoui – vertegenwoordigers van de niet-gouvernementele organisaties voor ontwikkelingssamenwerking ; Dhr. Hadrien Vanoverbeke, Thomas Vael en François Sana – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties.

Lid van de FRDO die zich bij dit standpunt onthoudt: Dhr. François-Xavier de Donnea – voorzitter.

Leden van de FRDO die steunen dit standpunt niet: Mevr. Vanessa Biebel – ondervoorzitster ; Mevr. Françoise Van Tiggelen, Ann Nachtergaele en Ineke De Bisschop en Dhr. Piet Vanden Abeele – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.

[35] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Dhr. Bart Vannetelbosch – ondervoorzitter ; Dhr. Tycho Van Hauwaert – vertegenwoordiger van de niet-gouvernementele organisaties voor milieubescherming ; Dhr. Nicolas Van Nuffel en Mevr. Naima Charkaoui – vertegenwoordigers van de niet-gouvernementele organisaties voor ontwikkelingssamenwerking ; Dhr. Hadrien Vanoverbeke, Thomas Vael en François Sana – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties.

Lid van de FRDO die zich bij dit standpunt onthoudt: Dhr. François-Xavier de Donnea – voorzitter.

Leden van de FRDO die steunen dit standpunt niet: Mevr. Vanessa Biebel – ondervoorzitster ; Mevr. Françoise Van Tiggelen, Ann Nachtergaele en Ineke De Bisschop en Dhr. Piet Vanden Abeele – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.

[36] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Mevr. Vanessa Biebel – ondervoorzitster; Mevr. Françoise Van Tiggelen, Ann Nachtergaele en Ineke De Bisschop en Dhr. Piet Vanden Abeele – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.

Lid van de FRDO die zich bij dit standpunt onthoudt: Dhr. François-Xavier de Donnea – voorzitter.

Leden van de FRDO die steunen dit standpunt niet: Dhr. Bart Vannetelbosch – ondervoorzitter ; Dhr. Tycho Van Hauwaert – vertegenwoordiger van de niet-gouvernementele organisaties voor milieubescherming ; Dhr. Nicolas Van Nuffel en Mevr. Naima Charkaoui – vertegenwoordigers van de niet-gouvernementele organisaties voor ontwikkelingssamenwerking ; Dhr. Hadrien Vanoverbeke, Thomas Vael en François Sana – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties.

Opmerkingen, vragen of suggesties?