06 | Informatie aan het Europees Agentschap voor chemische stoffen

  • Gevraagd door minister Jean-Luc Crucke, in een brief van 3/10/2025
  • Voorbereid door de werkgroep productnormen
  • Samen met CRB en brc Verbruik
  • Goedgekeurd door de AV via schriftelijke procedure op 14/11/2025

Advies (pdf)

 

 

Toepassingsgebied van de aanvraag

Indiening

Op 3 oktober 2025 heeft de heer Jean-Luc Crucke, Minister van Mobiliteit, Klimaat en ecologische transitie, belast met Duurzame Ontwikkeling, een adviesvraag overgemaakt aan de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB), de bijzondere raadgevende commissie Verbruik (brc Verbruik) en de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling (FRDO), hieronder: de adviesorganen, over een ontwerp-koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 23 maart 2020 betreffende de informatie die elke leverancier van een voorwerp moet doen toekomen aan het Europees Agentschap voor chemische stoffen. Het advies van deze adviesorganen wordt gevraagd krachtens artikel 19, § 2, eerste lid, van de wet van 21 december 1998 betreffende productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu, de volksgezondheid en de werknemers.

De uiterste datum voor het indienen van het advies is vastgesteld op 3 november 2025, d.w.z. binnen een termijn van één maand.

Beoogde aanpassing van de wetgeving

Het ontwerp van koninklijk besluit dat ter advies wordt voorgelegd, heeft tot doel een uitzondering in te voeren voor leveranciers van defensiemateriaal met betrekking tot de verplichting om informatie over afvalstoffen door te geven aan het Europees Agentschap voor chemische stoffen. Deze tekst heeft betrekking op materiaal dat essentieel is voor de operationele paraatheid van België in het kader van zijn internationale verbintenissen en dat mogelijk niet kan worden geleverd zolang de vrijstelling niet van kracht is, vanwege beperkingen die door bepaalde buitenlandse wetgevingen op het gebied van militaire geheimhouding worden opgelegd.

Het ontwerp van koninklijk besluit wijzigt het koninklijk besluit van 23 maart 2020 betreffende de informatie die elke leverancier van een voorwerp moet doen toekomen aan het Europees Agentschap voor chemische stoffen (B.S. van 2 juni 2020). Dit besluit zette artikel 9, lid 1, onder i), van Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen gedeeltelijk om, met betrekking tot dit specifieke aspect: “Elke leverancier van een voorwerp in de zin van artikel 3, punt 33, van Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad (REACH) verstrekt de in artikel 33, lid 1, van die verordening bedoelde informatie aan het Europees Agentschap voor chemische stoffen en gebruikt voor de indiening daarvan de door het Agentschap voor dat doel verstrekte formats en software “.

In de huidige geconsolideerde versie van deze richtlijn inzake afvalstoffen, die de bescherming van het milieu en de gezondheid beoogt, wordt over de bovengenoemde bepaling het volgende vermeld: Art. 9. “De lidstaten nemen maatregelen om afvalproductie te voorkomen. Deze maatregelen behelzen ten minste het volgende: […] i) zij bevorderen de vermindering van het gehalte aan gevaarlijke stoffen in materialen en producten, onverminderd de geharmoniseerde wettelijke vereisten betreffende die materialen en producten die op het niveau van de Unie zijn vastgesteld, en zorgen ervoor dat elke leverancier van een voorwerp als gedefinieerd in artikel 3, punt 33, van Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad ( 12 ) met ingang van 5 januari 2021 de informatie krachtens artikel 33, lid 1, van die verordening doet toekomen aan het Europees Agentschap voor chemische stoffen;”

De term “voorwerp” betekent in de zin van artikel 3, punt 3, van de REACH-verordening “een object waaraan tijdens de productie een speciale vorm, oppervlak of patroon wordt gegeven waardoor zijn functie in hogere mate wordt bepaald dan door de chemische samenstelling”.

In de zin van artikel 3, lid 33, van de REACH-verordening is de “leverancier van een voorwerp” “elke producent of importeur van een voorwerp, een distributeur of andere actor in de toeleveringsketen die een voorwerp op de markt brengt”.

Het ter advies voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit verwijst naar artikel 346 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), dat bepaalt:

“1. De bepalingen van de Verdragen vormen geen beletsel voor de volgende regels:

  1. a) geen enkele lidstaat is gehouden inlichtingen te verstrekken waarvan de verbreiding naar zijn mening strijdig zou zijn met de wezenlijke belangen van zijn veiligheid;
  2. b) elke lidstaat kan de maatregelen nemen die hij noodzakelijk acht voor de bescherming van de wezenlijke belangen van zijn veiligheid en die betrekking hebben op de productie van of de handel in wapenen, munitie en oorlogsmateriaal; die maatregelen mogen de mededingingsverhoudingen op de interne markt niet wijzigen voor producten die niet bestemd zijn voor specifiek militaire doeleinden.
  3. De Raad kan met eenparigheid van stemmen op voorstel van de Commissie wijzigingen aanbrengen in de lijst van de producten waarop de bepalingen van lid 1, onder b), van toepassing zijn, die hij op 15 april 1958 heeft vastgesteld.”

Het ontwerp van koninklijk besluit dat hier voorligt, voorziet in een lijst van artikelen die worden gebruikt of bestemd zijn om te worden gebruikt voor de bescherming van de wezenlijke belangen van de nationale veiligheid op het gebied van defensie, andere dan die welke zijn opgenomen in de lijst die is vastgesteld bij Besluit 255/58 van de Europese Raad van 15 april 1958. De minister bevoegd voor Defensie is belast met het vaststellen van de wijze waarop informatie over deze artikelen wordt meegedeeld en bewaard.

Werkzaamheden in de subcommissie en in de plenaire vergadering

Er werd overeengekomen dat de secretariaten een ontwerpadvies zouden opstellen. Dit ontwerpadvies werd elektronisch ter goedkeuring voorgelegd aan de plenaire vergadering van het CRB (goedgekeurd op 14/11/2025) en aan de brc Verbruik (goedgekeurd op 14/11/2025), alsook aan de algemene vergadering van het FRDO (goedgekeurd op 14/11/2025).

 

Advies

1.  Europese wetgeving

  • [1] De adviesorganen stellen vast dat op grond van verschillende Europese wetgevingsbesluiten – waaronder de REACH-verordening (artikel 2.3) waarnaar de afvalstoffenrichtlijn (die op dit punt door het betrokken koninklijk besluit wordt omgezet) zeer expliciet verwijst –de lidstaten in specifieke gevallen reeds kunnen voorzien in vrijstellingen van de geharmoniseerde regeling voor bepaalde stoffen als zodanig of in een voorwerp, “wanneer zulks noodzakelijk is in het belang van de defensie”.
  • [2] De leden die de meest representatieve werkgeversorganisaties vertegenwoordigen[1][2] begrijpen dat de toepassing van een benadering per geval voor vrijstellingen een te grote werklast zou betekenen en in de huidige context van onzekerheid en mogelijke urgentie geen doeltreffend antwoord zou bieden op de door de minister aangehaalde problematiek. Zij begrijpen dan ook dat een beroep wordt gedaan op artikel 346 VWEU om niet alleen de vrijstelling te rechtvaardigen van producten op de lijst die is vastgesteld bij Besluit 255/58 van de Europese Raad van 15 april 1958, maar ook de vrijstelling van andere voorwerpen die worden gebruikt of bestemd zijn om te worden gebruikt in het kader van de bescherming van de wezenlijke belangen van de nationale veiligheid op het gebied van defensie.
  • [3] De leden die de meest representatieve werknemersorganisaties en de consumentenorganisaties vertegenwoordigen[3] zijn fel gekant tegen de veralgemening van een uitzonderingsregeling op basis van artikel 346 VWEU, die verder gaat dan de door de Europese Raad vastgestelde lijst, om wille van de transparantie, de veiligheid en de bescherming van werknemers (met name in de defensiesector en bij toeleveranciers in de brede zin), burgers en het milieu.
  • [4] De adviesorganen zijn het erover eens dat de coördinatie van deze aspecten op Europees niveau moet worden gespecificeerd in plaats van enkel op nationaal niveau, met name om te voorkomen dat leveranciers van buiten de EU druk leggen op de naleving van de Europese wetgeving inzake informatieplicht.
  • [5] In dezelfde zin zijn de adviesorganen ook van mening dat informatie over voorwerpen die worden gebruikt voor de bescherming van essentiële nationale veiligheidsbelangen op het gebied van defensie, ook door het Europees Agentschap voor chemische stoffen moet worden bewaard, waarbij deze gegevens niet openbaar mogen worden gemaakt wanneer de nationale veiligheid dit vereist (in voorkomend geval door een wijziging van de relevante Europese wetgeving).
  • [6] De adviesorganen zijn van mening dat deze centralisatie van informatie het mogelijk zou maken om op Europees niveau toezicht te houden op de gevolgen van defensie-gerelateerde activiteiten voor het klimaat en het milieu.
  • [7] De adviesorganen benadrukken het belang van een goed beheer en een goede communicatie van de informatie om de gezondheid en veiligheid van militairen, werknemers en werknemers en burgers in het algemeen te waarborgen, met name indien militairen zouden worden ingezet in de straten van Belgische steden en in geval van een ongeval met voorwerpen die onder het ter advies voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit vallen. Zij herinneren er nogmaals aan dat het doel van de Europese afvalwetgeving, waarvan bij deze uitzonderingsprocedure van artikel 346 VWEU wordt afgeweken, in de eerste plaats de bescherming van het milieu en de gezondheid is, teneinde “de vermindering van het gehalte aan gevaarlijke stoffen in materialen en producten” te bevorderen.

2.  Strikte interpretatie van de uitzondering en onvolledige inhoud van het voorliggend koninklijk besluit

  • [8] De adviesorganen stellen vast dat het de minister van Defensie is die bevoegd is om de wijze van communicatie en bewaring van informatie over deze andere voorwerpen “die gebruikt zijn of gebruikt worden voor de bescherming van de wezenlijke, nationale veiligheidsbelangen op het vlak van de landsverdediging” vast te stellen. .
  • [9] De adviesorganen zijn van mening dat het toepassingsgebied van artikel 2.2.2° van het ter advies voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit, betreffende “deze andere voorwerpen”, onvoldoende duidelijk is en potentieel veel te ruim is. Op zijn minst moet deze uitzondering beperkt worden tot de “voorwerpen” die onderwerp zijn van de afvalrichtlijn en het REACH reglement. De wijze waarop deze tweede lijst moet worden opgesteld, moet strikt en beperkend worden bepaald in het koninklijk besluit.
  • [10] De adviesorganen merken overigens op dat het Hof van Justitie van de Europese Unie de afwijkingen op grond van artikel 346 VWEU beschouwt als afwijkingen van de fundamentele vrijheden. Hieruit volgt dat zij strikt moeten worden geïnterpreteerd. Deze strikte interpretatie geldt ook voor de interpretatie van artikel 2.2.1° (en de lijst met categorieën wapens, munitie en oorlogsmateriaal): hoewel in artikel 346, lid 1, onder b), VWEU wordt verwezen naar de maatregelen die een lidstaat noodzakelijk acht voor de bescherming van zijn wezenlijke veiligheidsbelangen, moet dit belang volgens het Hof van Justitie van de Europese Unie niet alleen worden aangevoerd, maar ook worden aangetoond.
  • [11] Volgens de adviesorganen volgt hieruit ook dat de voorwaarden voor de afgifte van het attest – en de gevolgen daarvan: geldigheidsduur, mogelijke rechtsmiddelen bij niet-afgifte, enz. – alsook bepaalde modaliteiten voor de mededeling en bewaring van de informatie over de betrokken voorwerpen in het ontwerp van koninklijk besluit moeten worden gepreciseerd. Het lijkt overdreven om ook deze aspecten zonder verdere precisering uitsluitend aan de minister van Defensie te delegeren, temeer daar het betrokken ministerieel besluit nog niet beschikbaar is om de bepalingen ervan te controleren.
  • [12] Bovendien zijn de adviesorganen van mening dat het ontwerp van koninklijk besluit expliciet moet bepalen dat de aan Defensie meegedeelde informatie kan worden geraadpleegd door de vaste parlementaire commissie Defensie.
  • [13] Ten slotte merken de adviesorganen op dat de ministers die respectievelijk bevoegd zijn voor Volksgezondheid en Milieu belast zijn met de uitvoering van dit besluit, zonder dat hun rol echter wordt gespecificeerd.

3.  Bewaring van de informatie, preventieve maatregels en informatie aan het publiek

  • [14] De adviesorganen zijn van mening dat het ministerie van Defensie in alle gevallen verantwoordelijk moet zijn voor het bewaren van geheime informatie en voor het vrijgeven ervan (eventueel geanonimiseerd) in geval van ongevallen en wanneer de betreffende artikelen niet meer worden gebruikt.
  • [15] Gezien de gevallen van verontreiniging die zich al rond militaire bases hebben voorgedaan, wijzen de adviesorganen op het belang van preventieve maatregelen om verontreiniging van bodem en water met gevaarlijke stoffen te voorkomen, en, indien nodig, maatregelen voor de behandeling van water en bodem in geval van verontreiniging.
  • [16] Ten slotte vragen de adviesorganen om de omwonenden die mogelijk door verontreiniging worden getroffen, zo duidelijk en transparant mogelijk te informeren.

 

 

 

 

[1] Voor de brc Verbruik zijn dat de leden die de productie, distributie, middenstand en landbouw vertegenwoordigen.

[2] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Mevr. Vanessa Biebel – ondervoorzitster; Mevr. Ann Nachtergaele en Mevr. Françoise Van Tiggelen en Dhr. Piet Vanden Abeele – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.

Leden van de FRDO die dit standpunt niet steunen: Dhr. Patrick Dupriez – Voorzitter; De heren Bart Vannetelbosch en Arnaud Collignon – ondervoorzitters; Dhr. Benjamin Clarysse – vertegenwoordiger van de niet-gouvernementele organisaties voor milieubescherming; De heren Nicolas Van Nuffel en Jonathan Matthysen – vertegenwoordigers van de niet-gouvernementele organisaties voor ontwikkelingssamenwerking; De heren Joris Verschueren, Sacha Dierckx en Luca Ciccia – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties.

[3] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Dhr. Patrick Dupriez – Voorzitter; De heren Bart Vannetelbosch en Arnaud Collignon – ondervoorzitters; Dhr. Benjamin Clarysse – vertegenwoordiger van de niet-gouvernementele organisaties voor milieubescherming; De heren Nicolas Van Nuffel en Jonathan Matthysen – vertegenwoordigers van de niet-gouvernementele organisaties voor ontwikkelingssamenwerking; De heren Joris Verschueren, Sacha Dierckx en Luca Ciccia – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties.

Leden van de FRDO die zich onthouden van dit standpunt: Mevr. Françoise Van Tiggelen – vertegenwoordigster van de werkgeversorganisaties.

Leden van de FRDO die dit standpunt niet steunen: Mevr. Vanessa Biebel – ondervoorzitster; Mevr. Ann Nachtergaele en Dhr. Piet Vanden Abeele Pieter Verhelst – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.

Opmerkingen, vragen of suggesties?