- Op vraag van Tinne Van der Straeten, minister van energie, in een brief van 13/02/2024
- Dit advies werd voorbereid door de werkgroep productnormen
- Samen met de CRB en de BRC Verbruik
- Goedgekeurd door de Algemene Vergadering via schriftelijke procedure op 21 mei 2024
Advies (pdf)
Indiening
Op 13 februari 2024 heeft mevrouw Tine Van der Straeten, minister van Energie, aan de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling (FRDO), de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB), en de Bijzondere raadgevende commissie “Verbruik” (BRC Verbruik), hierna de adviesorganen genoemd, een adviesaanvraag gericht met betrekking tot een ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het artikel 2 van het koninklijk besluit van 3 juli 2018 betreffende de benamingen en kenmerken van de gasolie bestemd voor verwarming[1] en van het artikel 2 van het koninklijk besluit van 8 juli 2018 betreffende de benaming en de kenmerken van de gasolie-diesel en van de benzines[2]. Het advies van deze adviesorganen werd gevraagd op grond van artikel 19, § 1, eerste lid van de wet van 21 december 1998 betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid. De uiterste datum voor het uitbrengen van het advies is vastgesteld op 13 mei 2024.
Overwogen reglementaire wijziging
Het voorliggende ontwerp van koninklijk besluit wijzigt artikel 2 van het koninklijk besluit van 3 juli 2018 met als doel te voorkomen dat gasolie bestemd voor verwarming verbindingen van het type FAME of HVO of enige andere soort biobrandstof geproduceerd uit biomassa bevat. Het gebruik van bepaalde biobrandstoffen, met name biobrandstoffen van de 1e generatie, die concurreren met gewassen bestemd voor menselijke of dierlijke voeding, is beperkt in de transportsector. Het doel van het voorliggende ontwerp van koninklijk besluit is om te voorkomen dat deze soorten biobrandstoffen worden omgeleid naar de verwarmingssector, die niet over dezelfde regelgeving beschikt als de transportsector. De overheid geeft mondeling aan dat het ontwerp zo beoogt om de schaars beschikbare biomassa voor te behouden voor de moeilijk te decarboniseren sectoren, met name de lucht- en scheepvaartsector. In deze sectoren wordt in het bijzonder een sterk toegenomen vraag verwacht in de context van REDiii.
Verder wijzigt het ontwerp van koninklijk besluit dat ter advies voorligt ook artikel 2 van het koninklijk besluit van 8 juli 2018 om te specificeren dat dit koninklijk besluit alleen betrekking heeft op gasolie-diesel voor wegentoepassingen en de niet voor de weg bestemde toepassingen, met uitzondering van verwarmingstoepassingen. Op die manier wil men voorkomen dat onduidelijkheid bedrijven in staat stelt de nieuwe verboden te omzeilen.
Hoorzittingen
Naar aanleiding van deze adviesaanvraag zijn de bevoegde leden van de hierboven vermelde adviesorganen op 13 maart 2024 samengekomen voor een uiteenzetting door mevrouw Louhibi (FOD Economie) en de heer Van Loon (kabinet minister van Energie). De bevoegde leden kwamen nogmaals op 17 april 2024 samen voor de verdere bespreking van het ontwerpadvies.
Werkzaamheden in de subcommissie en de plenaire vergadering
Er werd overeengekomen dat de secretariaten een ontwerpadvies zouden opstellen. Het voorliggende ontwerpadvies werd via elektronische weg ter goedkeuring voorgelegd aan de plenaire vergadering van de CRB (goedgekeurd op 13 mei 2024), aan de BRC Verbruik (goedgekeurd op 13 mei 2024), evenals aan de algemene vergadering van de FRDO (goedgekeurd op 21 mei 2024).
Advies
1. Bijmenging van biobrandstoffen in gasolieverwarming vs. interne markt
- [1 ] De adviesorganen stellen vast dat in de strijd tegen de klimaatverandering de Europese Unie de lidstaten, via de Richtlijnen Hernieuwbare Energie (momenteel RED II en RED III), verplicht om motorbrandstoffen duurzamer te maken door o.m. strikte bijmengverplichtingen op te leggen. Zo dient het aandeel hernieuwbare energie in de vervoerssector tegen 2030 ten minste 29% te bedragen. Erkende entrepothouders die motorbrandstoffen op de Belgische markt brengen, moeten elk jaar kunnen aantonen dat ze de opgelegde percentages hernieuwbare brandstoffen in de door hen op de markt gebrachte motorbrandstoffen effectief hebben gerealiseerd. De adviesorganen wijzen erop dat het toevoegen van biobrandstoffen in gasolie-verwarming – dat het voorliggende ontwerp van koninklijk besluit wil verbieden – tot een aanzienlijke meerkost leidt die ten koste gaat van de distributiemarge van de brandstoffenhandelaar. Brandstoffenhandelaars hebben er, volgens de adviesorganen, bijgevolg geen financieel belang bij biobrandstoffen in gasolie-verwarming bij te mengen. Men merkt op dat biobrandstoffen daarom voornamelijk ingezet worden wanneer er van een verplichte doelstelling sprake is, hetzij in het kader van RED II en RED III of in het kader van de Fuel Quality Directive (FQD). Deze verplichte doelstelling heeft nooit bestaan voor verwarmingsgasolie T52-716.
- [2] Verder, stellen de adviesorganen vast dat Europa geen bijmengverplichting oplegt voor vloeibare brandstoffen die voor verwarmingsdoeleinden worden aangewend, doch deze praktijk niet verbiedt. Het voorliggende ontwerp van koninklijk besluit, echter, beoogt dergelijk verbod wel. De adviesorganen merken op dat het bijmengen van hernieuwbare brandstoffen in gasolie voor verwarming overigens in meerdere EU-lidstaten gebeurt. Zo werd in 2022 in Frankrijk het wettelijk kader gecreëerd om onder meer F30, een mengsel van 70% gasolie met 30% FAME, op de markt te brengen. In Duitsland mag volgens de norm DIN1603 – los van contaminatierisico tot 0,5% FAME – onder meer momenteel tot 10% FAME bijgemengd worden, maar dit zal waarschijnlijk na de lopende revisie stijgen tot 100% FAME. Daarnaast is 100% HVO (=100% geavanceerde biobrandstof) als verwarmingsbrandstof ook toegelaten. Nederland is een beperkte markt met betrekking tot gasolie voor verwarming (merendeel is gas). De adviesorganen begrijpen dat lidstaten zelf mogen beslissen over de energiemix, en ze ondersteunen de belangrijke rol die België inneemt in het streven naar een duurzamer Europees energiebeleid.. De adviesorganen stellen vast dat er in RED een cascade principe verankerd is, die gericht is op het prioriteren van biomassa in eindproducten en niet op prioriteren van energiegebruik, met het oog op een zo hoog mogelijke economische en ecologische toegevoegde waarde. Anderzijds wijzen zij ook op het belang van een interne Europese markt, en wijzen zijn erop dat het voorliggend ontwerp van koninklijk besluit via TRIS (Technical Regulations Information System) werd aangemeld om na te gaan of andere Europese lidstaten met deze regelgeving akkoord kunnen gaan. Het lijkt dus aangewezen de resultaten van de TRIS-procedure af te wachten.
2. De nieuwe norm voor gasolieverwarming (NBN T52-716)
- [3] De adviesorganen merken op dat de nieuwe norm voor gasolie verwarming (NBN T52-716), die vanaf 1 april 2024 van kracht is, het toegelaten zwavelgehalte verlaagt van 50 naar maximum 10 ppm en terzelfdertijd 2 varianten invoert: de gasolie H7 (gasolie verwarming met minimum 5% en max. 7% FAME) en de gasolie H0 (gasolie verwarming met max. 0,5% FAME). Volgens de nieuwe norm mogen dus alle biobrandstoffen in gasolie verwarming aanwezig zijn zolang aan de norm wordt voldaan, enkel voor FAME is hierbij een limiet gesteld op 0,5%.
- [4] De adviesorganen stellen vast dat het voorliggende ontwerp van koninklijk besluit bedoeld is om biobrandstoffen te reserveren voor toepassingen waar in beperkte mate lage koolstofalternatieven bestaan. Zo maakt het ontwerp van koninklijk besluit in zijn huidige vorm ook de H0-variant (die tot 0,5% FAME mag bevatten) onwettelijk. Hierdoor zal de norm T52-716 niet van toepassing zijn.
- [5] De adviesorganen stellen aldus vast dat het voorliggend ontwerp van koninklijk besluit het op de markt brengen van een product verbiedt dat aan deze norm voldoet indien geen aanwezigheid biobrandstoffen als gevolg van kruiscontaminatie wordt getolereerd. Bijgevolg stellen zij voor dat het koninklijk besluit het onopzettelijk karakter van bijmenging van biobrandstoffen niet bestraft en een contaminatiemarge bevat, zodat het besluit in lijn is met een deel van de nieuwe norm, nl. de gasolie H0-variant (zie hierboven).
3. Afvalgebaseerde biobrandstoffen
- [6] De adviesorganen stellen vast dat het voorliggende ontwerp van koninklijk besluit de bijmenging van ‘elk’ soort biobrandstof in gasolie-verwarming beoogt te verbieden, dus ook biobrandstoffen die afkomstig zijn uit afvalstromen.
4. Controle
- [7] De adviesorganen begrijpen dat het voorliggende ontwerp van koninklijk besluit bedoeld is om opzettelijke bijmenging van biobrandstoffen in gasolie verwarming te vermijden. Dit intentioneel aspect komt echter niet duidelijk in het ontwerp van koninklijk besluit naar voren.
- [8] Zij zijn van mening dat in de normale operaties van de productie en logistieke keten enige crosscontaminatie tussen producten met en zonder biobrandstoffen niet te vermijden is. Een wettelijk verbod hierop zou de logistieke keten complexer maken. Zoals hierboven reeds vermeld stellen zij daarom voor om in de plaats van een verbod een maximumaandeel toe te laten.
- [9] De adviesorganen stellen zich verder de vraag op welke manier (t.w. via welke procedure) zal worden nagegaan of gasolie bestemd voor verwarming al dan niet verbindingen van het type FAME of HVO of enige andere soort biobrandstof bevat. Zij vragen bijgevolg dat in het voorliggende ontwerp van koninklijk besluit verduidelijkingen worden opgenomen met betrekking tot de controleprocedure die zal worden gevolgd. Op die manier kunnen operatoren die de nieuwe regels zullen moeten naleven, ervoor zorgen dat zij in de toekomst conform de regels handelen.
5. Impact op de werkgelegenheid en de ondernemingen
- [10] De adviesorganen vragen of een impactanalyse (zowel sociaal, economische als ecologische impact) werd verricht naar de mogelijke verschuiving van economische activiteiten naar de buurlanden waar bijmenging wel toegelaten is.
- [11] Indien er een impact blijkt op de werkgelegenheid, vragen sommige leden[3] begeleidende maatregelen voor de werknemers (arbeidsomstandigheden, vorming, overgangsmaatregelen, etc.). Andere leden[4] vragen dat de begeleidende maatregelen niet mogen leiden tot een kost bij de ondernemingen die getroffen worden door de overheidsmaatregelen.
[1] Koninklijk besluit van 3 juli 2018 betreffende de benamingen en kenmerken van de gasolie bestemd voor verwarming.
[2] Koninklijk besluit van 8 juli 2018 betreffende de benaming en de kenmerken van de gasolie-diesel en van de benzines.
[3] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Dhr. Bart Vannetelbosch – ondervoorzitter ; Mevr. Eva Joskin – vertegenwoordigster van de niet-gouvernementele organisaties voor milieubescherming ; Dhr. Nicolas Van Nuffel – vertegenwoordiger van de niet-gouvernementele organisaties voor ontwikkelingssamenwerking ; Dhr. Hadrien Vanoverbeke, Thomas Vael, Sacha Dierckx en François Sana – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties.
Lid van de FRDO die zich bij dit standpunt onthoudt: Dhr. Patrick Dupriez – voorzitter.
Leden van de FRDO die steunen dit standpunt niet: Mevr. Vanessa Biebel – ondervoorzitster ; Mevr. Françoise Van Tiggelen, Ann Nachtergaele en Ineke De Bisschop en Dhr. Piet Vanden Abeele – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.
[4] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Mevr. Vanessa Biebel – ondervoorzitster; Mevr. Françoise Van Tiggelen, Ann Nachtergaele en Ineke De Bisschop en Dhr. Piet Vanden Abeele – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.
Lid van de FRDO die zich bij dit standpunt onthoudt: Dhr. Patrick Dupriez – voorzitter.
Leden van de FRDO die steunen dit standpunt niet: Dhr. Bart Vannetelbosch – ondervoorzitter ; Mevr. Eva Joskin – vertegenwoordigster van de niet-gouvernementele organisaties voor milieubescherming ; Dhr. Nicolas Van Nuffel – vertegenwoordiger van de niet-gouvernementele organisaties voor ontwikkelingssamenwerking ; Dhr. Hadrien Vanoverbeke, Thomas Vael, Sacha Dierckx en François Sana – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties.