10 | Advies Rechtvaardige transitie: Grondstoffen en energie

  • Op vraag van minister Zakia Khattabi in een brief van 31 mei 2023
  • Dit advies werd voorbereid door de projectgroep Rechtvaardige Transitie
  • Goedgekeurd door de Algemene Vergadering via schriftelijke procedure op 12 oktober 2023

Advies (pdf)

 

 

1. Adviesvraag

  • [1] Op 31 mei 2023 ontving de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling van Zakia Khattabi, minister van klimaat, leefmilieu, duurzame ontwikkeling en Green Deal twee adviesvragen over een rechtvaardige transitie. Deze adviezen worden verwacht tegen 30 september. Ook andere instanties (de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven, de Nationale ArbeidsRaad, het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen, het Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting) werden uitgenodigd om een advies in te dienen over onderwerpen die verband houden met een rechtvaardige transitie. De minister vraagt het advies van de raden over “welke stappen er volgens hen moeten worden ondernomen om in de periode tussen nu en 2030-2050 op een rechtvaardige manier een koolstof neutrale, milieuvriendelijke, gifvrije en circulaire economie en samenleving te bekomen”. Ze vraagt ook om rekening te houden met de vier volgende systemen: landbouw- en voedingssysteem, residentiële en niet-residentiële gebouwenstock, zorgsysteem, mobiliteit- en transportsysteem.
  • [2]`Het advies Rechtvaardige transitie: kaderadvies bevat algemene overwegingen, aanbevelingen en beginselen en dient daarom als kader voor het huidig advies. Dit advies gaat over de vraag naar grodstoffen en energie. De minister vraagt “Welke beleidsinitiatieven, regelgeving, monitoring en evaluatie moeten de verschillende regeringen van dit land ontwikkelen en uitvoeren met betrekking tot energie en grodstoffen om een rechtvaardige transitie naar een koolstofneutrale, milieuvriendelijke, niet-giftige en circulaire economie en samenleving te organiseren?”. Ze vraagt ook om “de aandacht te vestigen op de volgende drie vragen: Hoe kunnen wij de uitvoering van de circulaire economie in elk van deze systemen versterken en ervoor zorgen dat de gecreëerde banen ook toegankelijk zijn voor de meest kwetsbaren? Hoe kunnen wij de toepassing van de circulaire economie in elk van deze systemen versterken en ervoor zorgen dat de geproduceerde goederen ook toegankelijk zijn voor de meest kwetsbaren? Welk “due diligence”-beleid moet in elk van deze systemen worden ingevoerd?”

2. Context

  • [3] Op het gebied van hulpbronnen en energie moet rekening worden gehouden met het Europese regelgevingskader dat is vastgesteld of wordt ontwikkeld, en in het bijzonder het Europese wetgevingspakket Fit for 55, het plan REPowerEU[1], de Critical Raw Materials Act[2], het EU-actieplan voor een circulaire economie[3], de Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van een kader ter bevordering van duurzame beleggingen en de regelgeving[4] inzake zorgvuldigheidseisen, het beginsel Do No Significant Harm, de Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, wetgeving inzake oneerlijke handelspraktijken, het voorstel[5] voor een richtlijn betreffende consumentenemancipatie, de Faciliteit[6] voor herstel en veerkracht, het programma InvestEU[7], het Just Transition Fund[8], het NDICI[9], duurzame financiering, green budgeting, de nieuwe economische governance, hervormingen van staatssteun, hervorming van overheidsopdrachten, herziening van energieprestatiecontracten.

3. Algemene principes

  • [4] De wetenschappelijke consensus is onomstotelijk: de strijd tegen de klimaatverandering is urgent en vergt onmiddellijke en ingrijpende actie. De raad herhaalt dan ook dat België zijn verbintenissen op internationaal, Europees, nationaal en regionaal niveau moet nakomen. De raad dringt erop aan dat België op Europees en mondiaal niveau een voorbeeldfunctie vervult. Hij roept ook de bevoegde overheden op om er actief voor te zorgen dat andere landen sterke engagementen aangaan en deze ook nakomen.
  • [5] Een transitiebeleid naar een koolstofarme maatschappij vereist een mondiale aanpak, die onder andere leidt naar een ‘level playing field’ voor de bedrijven, en een brede en strategische aanpak door alle beleidsniveaus in België, die tegelijk proactieve initiatieven aanmoedigt. Die aanpak moet alle uitdagingen van duurzame ontwikkeling integreren, alle stakeholders hierbij  betrekken om een ruime maatschappelijke steun te verzekeren en coherent zijn met het ontwikkelingsbeleid.[10]
  • [6] De energietransitie zal aanzienlijke investeringen vragen die verdeeld moeten worden. De inspanningen moeten betaalbaar zijn voor alle gezinnen (vooral dan voor de kwetsbare groepen) en voor bedrijven, inclusief kmo’s.[11]
  • [7] De raad beveelt verder het volgende aan:[12]
    • energiearmoede oplossen en voorkomen, zodat die de maatregelen om naar een klimaatneutrale samenleving te evolueren niet afremt, onder andere door het tempo van de renovatie op te voeren
    • zorgen voor een effectieve structurele coördinatie van de gewestelijke en federale beleidslijnen
    • toezien op een systemische visie waarin alle – nochtans talrijke – dimensies in een coherent geheel kunnen worden geïntegreerd
    • het principe naleven van een geïntegreerde vermindering van vervuiling om zo overdrachten van het ene milieu naar het andere te vermijden.[13]
  • [8] Deze verschillende principes worden in de volgende paragrafen uitgewerkt en geconcretiseerd.

4. Transversale aanbevelingen

  • [9] De raad is van mening dat veel milieumaatregelen een positieve rol kunnen spelen in een rechtvaardige transitie.
  • [10] Hij gelooft dat maatregelen ter bevordering van consumptiepatronen gebaseerd op gebruik in plaats van eigendom de toegang tot meer duurzame goederen en diensten kunnen democratiseren.
  • [11] De raad is ook van mening dat de energietransitie zeer hoge investeringen zal vragen van bedrijven en de economische wereld in het algemeen. De overheid moet ervoor zorgen dat alle bedrijven, groot en klein, toegang hebben tot alternatieve energieoplossingen. Ze moet een wettelijk, reglementair en fiscaal kader creëren dat oplossingen voor deze transitie ondersteunt en dat de investeringen in deze richting stuurt.
  • [12] De raad roept op om investeringen in onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten die door de overheid worden ondersteund te oriënteren naar de ontwikkeling van nieuwe technologieën die effectief zijn in het verminderen van emissies of het verlagen van de prijzen van goederen en diensten die bijdragen aan de energie- en klimaattransitie, en zo de betaalbaarheid ervan verbeteren. Deze projecten zouden bv. gericht kunnen zijn op het optimaliseren van bouw- en renovatietechnieken en de implementatie van circulariteitsprincipes.
  • [13] De raad voegt eraan toe dat de maatregelen die worden genomen op het gebied van rechtvaardige transitie doeltreffend en geëvalueerd moeten zijn, rekening houdend met de energieonafhankelijkheid van het land en zijn economische performantie. Deze maatregelen vereisen ook voldoende financiering.
  • [14] In zijn advies Rechtvaardige transitie: kaderadvies pleit de raad voor het mutualiteitsbeginsel.[14] De raad doet ook de volgende concrete aanbevelingen die kunnen bijdragen tot een betere interfederale governance:
    • de DNSH-criteria (Do No Significant Harm) tussen de verschillende beleidsniveaus standaardiseren
    • maatregelen nemen om huidige en potentiële werknemers op te leiden en aan te trekken voor banen in verband met de energietransitie
    • zorgen voor samenhang tussen de gewestelijke en federale energiereglementering, in het bijzonder op vlak van energiebelastingen.

5. Energie

  • [15] De raad vindt dat de overheden op de verschillende beleidsniveaus moeten samenwerken om een echte interfederale energievisie te ontwikkelen die in het NEKP wordt opgenomen. Een plan voor een snelle reductie van fossiele brandstoffen voor energiedoeleinden is daarbij essentieel. Het doel is te zorgen voor schone, betaalbare en veilige energie voor zowel gezinnen als bedrijven.
  • [16] De raad herhaalt dat de overheden maatregelen moeten nemen om te streven naar de uitbanning van energiearmoede. Dit houdt in dat er ambitieuze maatregelen moeten worden genomen om gebouwen te isoleren, waarbij prioriteit wordt gegeven aan de gebouwen met de slechtste energieprestatie, dat er voorlichting en bewustmaking moet komen over energiebesparende maatregelen en dat de energietarieven toegankelijk moeten worden gemaakt voor de meest kwetsbare doelgroepen, met name voor hen door het sociaal tarief. Hij voegt eraan toe dat we de non take-up van sociale energierechten actief moeten proberen te verminderen.
  • [17] De raad is van oordeel dat de overheid moet streven naar een schone energiemix die het mogelijk maakt aan de voorzieningszekerheid te beantwoorden en de klimaatdoelen te behalen en tegelijk de prijzen onder controle houdt.
  • [18] Hij roept op te ijveren voor een level playing field voor energieprijzen voor bedrijven, wat wil zeggen vergelijkbare prijzen voor energieproducten tussen verschillende landen in de Europese Unie. Het proces van harmonisatie van de energieprijzen zou moeten bijdragen aan een versterking van de duurzame energietransitie.
  • [19] Hij voegt eraan toe dat het prijssignaal positieve gedragsveranderingen moet stimuleren, zoals het verminderen en flexibiliseren van het energieverbruik. De energie- en klimaattransitie zal inderdaad dergelijke veranderingen vereisen. Er moet echter aandacht worden besteed aan de effecten van deze prijssignalen op kwetsbare groepen – energiearmoede – die over het algemeen meer verliezen in termen van levenskwaliteit en comfort onder deze prijsregimes. Zij hebben ondersteuning nodig en toegang tot de nodige middelen (financieel, kennis, technologie, …) om flexibel of zuinig gedrag te kunnen aannemen zonder dat dit ten koste gaat van hun comfort of levenskwaliteit.
  • [20] De raad merkt op dat uit verschillende studies blijkt dat de hoogste inkomensgroepen meer energie verbruiken. Hij voegt eraan toe dat moet worden nagedacht over het beleid en de maatregelen die kunnen worden genomen om dit verbruik terug te dringen door het tegelijk meer efficiënt en groen te maken. Een bijzondere aandacht zou moeten worden besteed aan de vermindering van dat verbruik.
  • [21] De raad vindt dat het delen van energie en energiegemeenschappen aangemoedigd moeten worden. Op deze manier kan een gezin met een productieoverschot dit delen binnen een gemeenschap en het zo goed mogelijk gebruiken.

6. Grondstoffen en circulaire economie

  • [22] De Kenniscel voor een Rechtvaardige Grondstoffenresiliënte Samenleving die de federale regering wil oprichten, moet volgens de raad het federale, maar ook het regionale beleid ondersteunen en de coördinatie ervan mogelijk maken. Het zou een plaats moeten zijn waar goede praktijken op het gebied van rechtvaardige transitie en vermindering van het grondstoffenverbruik kunnen worden uitgewisseld. Volgens de raad zou de kenniscel ook de ontwikkeling van Europees beleid (bv. de wet op kritieke materialen) strategisch moeten voorbereiden. Hij voegt eraan toe dat deze cel moet coördineren met het intra-Belgische platform voor de circulaire economie.
  • [23] De raad herhaalt het “verzoek dat voldoende aandacht wordt besteed aan de sociale uitdagingen. Ze zijn van oordeel dat het onderwijs- en opleidingsaanbod moet worden aangepast om de arbeidsmarkt voor te bereiden op een circulaire economie. Meer concreet moeten de toekomstige werknemers (studenten en werkzoekenden) de nodige vaardigheden voor jobs in een circulaire economie verwerven en moeten alle huidige werknemers zo worden opgeleid dat ze in een circulaire economie kunnen blijven werken. Bovendien moet voldoende worden toegezien op de veiligheid van personen (burgers en werknemers) en van het leefmilieu. Dit is een basisprincipe dat in alle initiatieven m.b.t. de circulaire economie in aanmerking moet worden genomen. Het is belangrijk dat de bepalingen uit de Codex over welzijn op het werk van 28 april 2017 te allen tijde worden gerespecteerd.”[15]
  • [24] De raad is van oordeel dat de circulaire economie moet worden bevorderd, met name om de afhankelijkheid van de invoer uit derde landen van energie en grondstoffen die essentieel zijn voor de industrie (zoals zeldzame mineralen) te verminderen. De circulaire economie moet leiden tot een afname van onze totale grondstoffenvoetafdruk. Ook moet worden voorkomen dat de invoer van grondstoffen de lokale gemeenschappen in de uitvoerende landen schaadt of in gevaar brengt. In dit verband voegt hij eraan toe dat ervoor moet worden gezorgd dat materialen die afkomstig zijn van recycling of hergebruik betaalbaar en concurrentieel zijn ten opzichte van hun equivalent dat uit een mijn komt. Dit impliceert ook maatregelen om de huidige, lineaire waardeketens te ontmoedigen.
  • [25] De raad is van mening dat er moet worden geïnvesteerd in de circulaire economie, die zowel banen kan scheppen voor kwetsbare profielen als het verbruik van hulpbronnen kan verminderen. Hij voegt eraan toe dat de circulaire economie de creatie van lokale banen bevordert door de oprichting van hergebruik-, reparatie-, recycling- en terugwinningssectoren op regionale schaal aan te moedigen.
  • [26] De raad is van mening dat overheidsopdrachten een belangrijke rol spelen en dat overheden het goede voorbeeld moeten geven. Daarom is het van cruciaal belang dat ze, naast het aspect prijs, ook sociale, milieu- en circulariteitscriteria bevatten en dat ze zoveel mogelijk vereenvoudigd worden, zodat zoveel mogelijk bedrijven (in het bijzonder kmo’s) erop kunnen inschrijven. Criteria die circulariteit afremmen moeten worden uitgefaseerd.
  • [27] De raad is van oordeel dat de verschillende overheden van het land de circulaire economie moeten bevorderen door er de aandacht op te vestigen en ze op te nemen in hun overheidsopdrachten. Hij roept ook op tot een betere governance van de circulaire economie en herinnert eraan dat hij in een eerder advies al heeft opgeroepen tot inspanningen op het gebied van coördinatie, samenhang en samenwerking.[16]
  • [28] Hij roept op tot investeringen in onderzoek en ontwikkeling om het potentieel van bepaalde materialen te vergroten door hun duurzaamheid, prestaties en aanpasbaarheid aan de eisen van de circulaire economie te bevorderen. De raad merkt eveneens op dat er reeds tal van alternatieve materialen ontwikkeld zijn, en dat er dus moet worden ingezet op de opschaling van deze reeds beschikbare technieken.

7. Voedingssysteem

  • [29] De raad is van oordeel dat er maatregelen moeten worden genomen om de voedselsoevereiniteit te versterken en een duurzamer voedselsysteem te ondersteunen, dat de biodiversiteit versterkt in plaats van schaadt, dat bestand is tegen klimaatverandering en in lijn is met de transitie naar klimaatneutraliteit (en niet alleen koolstofneutraliteit), rekening houdend met de emissies in derde landen en tijdens het vervoer.
  • [30] Hij voegt eraan toe dat de rechtvaardige transitie het mogelijk moet maken om het gebrek aan toegang tot voedsel (in het bijzonder gezond en duurzaam voedsel) in België uit te bannen. Als onderdeel van de transitie moet het zeer grote aantal mensen dat afhankelijk is van voedselhulp worden verminderd.
  • [31] De raad herinnert eraan dat een van de pijlers van de eiwittransitie zich op productie en consumptie richt en streeft ernaar – in het kader van een evenwichtig en gezond voedingpatroon – om de consumptie van dierlijke eiwitten te verschuiven naar meer duurzaam geproduceerde dierlijke eiwitten en naar eveneens duurzaam geproduceerde plantaardige eiwitten. Hij voegt eraan toe dat ervoor moet gezorgd worden dat deze voor iedereen toegankelijk zijn.[17]

 8. Gebouwenpark

  • [32] De raad is van mening dat gebouwen in het kader van de rechtvaardige transitie zoals gedefinieerd door de IAO (zie paragraaf [6] van het kaderadvies rechtvaardige transitie) een van de belangrijkste thema’s vormen, met name op het gebied van klimaatverandering. Beleid en maatregelen ten aanzien van het gebouwenbestand zullen gevolgen hebben voor gezinnen, met name op het vlak van baten en kosten en de verdeling van deze baten en kosten, en roepen ook vragen op ten aanzien van de praktische uitvoerbaarheid.
  • [33] De bouwsector zal te maken krijgen met een grote behoefte aan arbeidskrachten in het kader van de energietransitie.[18] Er is momenteel een groot tekort aan arbeidskrachten. De raad is daarom van mening dat de verschillende overheden van het land de nodige maatregelen moeten nemen om de sector aantrekkelijker te maken, met name voor jongeren. Ook de opleidings- en werkgelegenheidsmogelijkheden moeten snel versterkt worden, met aandacht voor de genderdimensie. De studie uitgevoerd door Climact – Implication of the climate transition on employment, skills and training in Belgium is een goede bron van inspiratie.
  • [34] Er moeten grootschalige plannen komen voor energierenovatie en decarbonisatie, waarbij de inspanningen van de overheid worden gericht op gebouwen met de slechtste energieprestatie.
  • [35] Hij is van mening dat waar mogelijk een collectieve aanpak moet worden ontwikkeld, waarbij renovaties per wijk worden opgezet met een operator die kan coördineren, stimuleren, collectieve aankopen kan aanbieden, een renovatieprogramma voor een hele wijk kan opzetten en waarbij publieke voorfinanciering wordt voorzien voor kwetsbare gezinnen.
  • [36] De raad is van mening dat het aantal energie-efficiënte sociale woningen moet worden verhoogd, waarbij ervoor moet worden gezorgd dat deze woningen betaalbaar blijven.
  • [37] Er moet ook rekening worden gehouden met de kwaliteit van de renovaties. Bij renovaties moet ook rekening worden gehouden met de situatie van huurders.
  • [38] De raad herinnert aan de volgende aanbeveling, oorspronkelijk gedaan door de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven, waarin het volgende werd gesteld: “de openbare sector heeft volgens de raad ambitieuze actieplannen voor de renovatie van haar eigen gebouwen nodig. Hij moet daartoe een traject uitstippelen op het vlak van isolatie, optimaal en slim energiebeheer, energie-efficiëntie, doeltreffende warmte- en koudeproductie, opslag en productie van hernieuwbare energie. De openbare sector moet een voorbeeldfunctie inzake energie vervullen, niet alleen voor zijn gebouwenpark, maar ook voor de gebouwen die hij huurt. De openbare sector zal alleen gebouwen mogen huren die beantwoorden aan hoge EPB-normen.”[19] Hij wijst er ook op dat België op COP 27 het Net-zero government initiative heeft ondertekend, dat erop gericht is overheden koolstofneutraal te maken tegen ten laatste 2050. Dit erkent de prominente rol van overheden en openbare besturen als grote werkgevers en energieverbruikers in het land, en hun verplichting om een rolmodel te zijn door de overgang naar koolstofneutraliteit te versnellen.
  • [39] Om het principe van wederkerigheid in de praktijk te brengen, vraagt de raad om harmonisatie tussen de regio’s van de energiecertificatiesystemen voor gebouwen (EPC), zowel voor de berekeningsmethode als voor de waarden van elk label.

9. Mobiliteit- en transportsysteem

  • [40] De raad herinnert eraan dat hij herhaaldelijk heeft gewezen op de noodzaak “om snel te komen tot een interfederale strategische visie inzake mobiliteit die verenigbaar is met duurzame ontwikkeling. Deze visie is noodzakelijk om de beleidslijnen van de verschillende beleidsniveaus op elkaar af te stemmen. Deze visie zou moeten worden opgebouwd in samenhang met een strategische visie over ruimtelijke ordening.”[20] Hij voegt eraan toe dat een goede ruimtelijke ordening het mogelijk moet maken om de vraag naar mobiliteit en vervoer te verminderen en congestie en andere negatieve gevolgen van mobiliteit tegen te gaan. Hij voegt er ook aan toe dat mobiliteit op een holistische manier moet worden benaderd rekening houdend met woon-werkverkeer, maar ook breder gezien met de andere types van verplaatsingen.
  • [41] De raad benadrukt dat met name in deze sector een grote opleidingsinspanning nodig zal zijn, namelijk voor de autotechniekers, vooral na de elektrificatie van het wagenpark.
  • [42] De raad is van mening dat er in het bijzonder op moet worden gelet dat de meest kwetsbare groepen toegang hebben tot hun mobiliteitsbehoeften. Er moet bijvoorbeeld rekening worden gehouden met de toegang tot gezondheidszorg.
  • [43] De raad verwijst naar zijn recente adviezen Spoorvisie 2040[21] en Advies over het uitwerken van een interfederale MaaS-visie[22] en voegt toe dat investeringen nodig zijn om deze visies te implementeren.
  • [44] De overheden moeten op creatieve wijze de samenwerking tussen bedrijven (en burgers) in hetzelfde geografische gebied aanmoedigen om hun vervoersstromen te bundelen en tegelijkertijd de vertrouwelijkheid van de vervoerde goederen te beschermen. Deze samenwerking kan ook worden ingevoerd voor het verkeer van werknemers (shuttles, carpooling, …).
  • [45] De raad is van mening dat betrouwbaar en toegankelijk openbaar vervoer essentieel is. Het is belangrijk vanuit een economisch, sociaal en milieustandpunt dat het openbaar vervoer op verschillende niveaus zo goed mogelijk wordt gecoördineerd. In dat perspectief moet één enkel vervoerbewijs het mogelijk maken om gebruik te maken van de diensten van de verschillende openbaarvervoermaatschappijen. De bestaande voorkeurtarieven moeten behouden blijven en openbaarvervoersbedrijven moeten streven naar eeneen harmonisatie van deze voorkeurtarieven.
  • [46] De raad is van mening dat een beleid van rechtvaardige transitie zoals gedefinieerd door de IAO (zie paragraaf [6] van het kaderadvies rechtvaardige transitie) burgers toegang moet bieden tot een reeks goederen en diensten, zonder dat ze daarvoor noodzakelijk moeten reizen (bv. toegang tot overheidsdiensten voor burgers zonder fysiek te reizen). Een toegankelijke vervoersoplossing moet evenwel voldoende beschikbaar zijn, ook voor meer geïsoleerde gebieden en kwetsbare wijken. De raad roept de overheden op om de invoering van creatieve oplossingen aan te moedigen. In dit verband wijst de raad er ook op dat aandacht moet worden besteed aan de digitale kloof (zie Rechtvaardige transitie: kaderadvies).
  • [47] Wat het openbaar vervoer betreft, is de raad van mening dat de overheden rekening moeten houden met het beginsel van universele toegankelijkheid. Hieronder vallen bv. personen met een lichamelijke handicap of beperking en slechtzienden. Maatregelen ter versterking van de universele toegankelijkheid komen iedereen ten goede, met name mensen met bagage, kinderwagens, fietsen, …[23]
  • [48] De raad wil dat openbaarvervoersbedrijven over voldoende financiële middelen beschikken, als ruggengraat van een duurzaam mobiliteitssysteem.
  • [49] De betaalbaarheid voor de verschillende categorieën van openbaarvervoerreizigers moet een aandachtspunt blijven, net als de kwaliteit van de geleverde diensten.
  • [50] De raad is van mening dat een beleid voor een zachte en actieve mobiliteit ondersteund moet worden.. Belemmeringen voor het gebruik van de fiets als vervoermiddel moeten dus weggenomen worden. Een van de belemmeringen die regelmatig wordt vastgesteld, is fietsdiefstal. De raad staat dan ook volledig achter het initiatief om een nationaal fietsregister MyBike op te zetten. De raad roept de verschillende overheden van het land op om dit register zo snel mogelijk in te voeren en waar nodig te promoten. De raad benadrukt ook dat dit project, gebaseerd op een interfederaal samenwerkingsakkoord, een voorbeeld is dat navolging verdient op het vlak van governance.
  • [51] De raad wijst erop dat de impact van de automobiliteit teruggedrongen moet worden.

 

 

 

[1] https://commission.europa.eu/strategy-and-policy/priorities-2019-2024/european-green-deal/repowereu-affordable-secure-and-sustainable-energy-europe_nl

[2] Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot vaststelling van een kader om een veilige en duurzame voorziening van kritieke grondstoffen te waarborgen, en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 168/2013, (EU) 2018/858, (EU) 2018/1724 en (EU) 2019/1020. COM/2023/160 final.

[3] MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD, HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ EN HET COMITÉ VAN DE REGIO’S Een nieuw actieplan voor een circulaire economie Voor een schoner en concurrerender Europa. COM/2020/98 final.

[4] Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2019/1937. COM/2022/71 final.

[5] Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van de Richtlijnen 2005/29/EG en 2011/83/EU wat betreft het versterken van de positie van de consument voor de groene transitie door middel van betere informatie en bescherming tegen oneerlijke praktijken. COM/2022/143 final.

[6] https://commission.europa.eu/business-economy-euro/economic-recovery/recovery-and-resilience-facility_nl

[7] https://investeu.europa.eu/index_en

[8] https://commission.europa.eu/funding-tenders/find-funding/eu-funding-programmes/just-transition-fund_en

[9] Neighbourhood, Development and International Cooperation Instrument. https://neighbourhood-enlargement.ec.europa.eu/funding-and-technical-assistance/neighbourhood-development-and-international-cooperation-instrument-global-europe-ndici-global-europe_en

[10] Cf. Advies over het herstelbeleid van de federale regering, 2020a07, 03/06/2020, §[10]

[11] Ibid., §[11]

[12] Cf. Advies over het herstelbeleid van de federale regering, 2020a07, 03/06/2020, § [12].

[13] Zo hadden verscheidene beleidslijnen die het gebruik van diesel aanmoedigden om de CO2-uitstoot van de wegtransportsector te verminderen het ongewenste gevolg dat de uitstoot van andere vervuilende stoffen toenam, zoals van stikstofoxiden. Op dezelfde manier kan de verbranding van biomassa (pellets,…), die alsmaar populairder wordt als vervanging van de fossiele brandstoffen in de verwarmingssector, een belangrijke bron worden van fijn stof, waarvan de schadelijke effecten op de gezondheid bewezen zijn. (Advies betreffende de governance inzake luchtkwaliteit, 2018a05, 22/05/2018, §[15])

[14] Volgens het principe “waarbij ieder beleidsniveau zodanig probeert te handelen dat de effectiviteit van alle andere beleidsniveaus wordt versterkt”. Cf. Advies over de concretisering van de transitie van België naar een koolstofarme maatschappij in 2050, 2014a04, 03/06/2014, § [8].

[15] Cf. Gezamenlijk advies van de FRDO, de CRB en de BRC Verbruik Advies over het ontwerp van federaal actieplan circulaire economie, 2021a11, 15/07/2021, § [11]

[16] Zie: Gezamenlijk advies van de FRDO, de CRB en de BRC Gebruik Advies over het ontwerp van federaal actieplan circulaire economie, 2021a11, 15/07/2021.

[17] Zie: Advies over dierlijke en plantaardige eiwitten, 2011a01, 03/02/2011.

[18] Zie:  Implications of the climate transition on employment, skills, and training in Belgium. Studie van Climact, KULeuven et ULiège, voor de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, 2023.

[19] Advies CRB 2018-1750 van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven, “Concrete maatregelen voor het federale deel van het Nationaal energie-klimaatplan”, 20 juni 2018

[20] Cf. Advies van de FRDO over het ontwerp van Nationaal Energie Klimaat Plan 2030 (NEKP), 2019a02, § [36]

[21] Cf. Advies over het ontwerp “Spoorvisie 2040”, 2022a02, 08/03/2022

[22] Cf. Advies over het uitwerken van een interfederale MaaS-visie, 2022a03, 19/04/2022

[23] Ibid., § [12]

Opmerkingen, vragen of suggesties?