08 | Advies over transportbrandstoffen uit hernieuwbare bronnen

  • Op vraag van minister Zakia Khattabi, minister van klimaat, leefmilieu, duurzame ontwikkeling en Green Deal in een brief van 12 april 2021
  • Samen met de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven en de Bijzondere raadgevende commissie “Verbruik”
  • Dit advies werd voorbereid door de werkgroep productnormen
  • Goedgekeurd door de AV van de FRDO via schriftelijke procedure, 07/06/2021

Advies (pdf)

 

Draagwijdte van de aanvraag

Indiening

Op 12 april 2021 heeft mevrouw Zakia Khattabi, Minister van Klimaat, Leefmilieu, Duurzame Ontwikkeling en Green Deal, aan de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB), de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling (FRDO) en de bijzondere raadgevende commissie Verbruik (brc Verbruik) een adviesvraag gericht betreffende een ontwerp van koninklijk besluit houdende bepaling van productnormen voor transportbrandstoffen uit hernieuwbare bronnen. Het advies van de adviesorganen werd gevraagd op grond van artikel 5, § 1, 1ste al., 1°, 3°, 5°, 6° & 9° van de wet van 21 december 1998 betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu, de volksgezondheid en de werknemers. De toegekende termijn om op deze adviesaanvraag te reageren bedraagt één maand.

Overwogen reglementaire wijzigingen

  • [a] Het ontwerp van koninklijk besluit dat voor advies aan de adviesorganen werd voorgelegd, beoogt de omzetting van een gedeelte van de richtlijn (EU) 2018/2001 (Renewable Energy Directive, hierna RED II genoemd)[1]. De RED II is een herschikking van de richtlijn 2009/28/EG (RED). Deze herschikking betreft onder meer de duurzaamheidscriteria voor hernieuwbare transportbrandstoffen.
  • [b] Deze omzetting betreft de bepalingen inzake de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductie voor hernieuwbare transportbrandstoffen en transportbrandstoffen op basis van hergebruikte koolstof, alsook het verbieden van het op de markt brengen van bepaalde biobrandstoffen en biogassen die worden geproduceerd uit voedsel- en voedergewassen, met name op basis van palmolie en sojaolie (direct én indirect). De richtlijn voorziet in een kader dat de duurzaamheid van biobrandstoffen versterkt, en met name in een uitfasering van biobrandstoffen die een hoog risico inhouden op onrechtstreekse verandering in het bodemgebruik. Voor biobrandstoffen die worden geproduceerd uit teelten die voor voedsel en diervoeder worden gebruikt, legt ze een maximumgrens vast van 7% van het eindenergieverbruik. De “lidstaten kunnen evenwel een lagere grens” vastleggen wat betreft dit percentage.
  • [c] Gezien de vele wijzigingen werd besloten om het bestaande koninklijk besluit van 8 juli 2018 houdende bepaling van productnormen voor transportbrandstoffen uit hernieuwbare bronnen niet te wijzigen, maar volledig te vervangen door het voorliggende ontwerp van koninklijk besluit.

Hoorzittingen

  • [d] Naar aanleiding van deze adviesvraag zijn de bevoegde leden van de drie voornoemde adviesorganen op 23 april 2021 (en 17 mei 2021) virtueel bijeengekomen voor een uiteenzetting door de heren Ivo Cluyts en Brecht Vercruysse (FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu).

Werkzaamheden in de subcommissie en plenaire zitting

  • [e] Er werd overeengekomen dat de secretariaten een ontwerpadvies zouden opstellen. Dit ontwerpadvies werd via elektronische weg voorgelegd aan de plenaire vergaderingen van de CRB(goedgekeurd op 7 juni 2021) en de brc Verbruik (goedgekeurd op 7 juni 2021) en via elektronische weg aan de algemene vergadering van de FRDO (goedgekeurd op 7 juni 2021) .

 

Advies

1.  Algemene opmerkingen

  • [1] De adviesorganen merken op dat het voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit slechts een onderdeel vormt van het volledige geheel van de omzetting van de RED II. Er dienen dan ook nog bepalingen door de Gewesten en door de Minister van Energie te worden omgezet in de Belgische rechtsorde. Zo omvat de RED II niet alleen de duurzaamheidscriteria en de broeikasgasemissiereductiecriteria, maar ook de bepaling van de verplichting voor hernieuwbare energie in transport gedragen door de brandstofleveranciers. De definitie van wat al dan niet duurzaam is, hangt niet af van de reikwijdte van de verplichtingen, maar de reikwijdte van de haalbare verplichtingen kan worden beïnvloed door de duurzaamheidscriteria. In die zin zijn beide aspecten aan elkaar gelinkt. Teneinde te kunnen beoordelen in hoeverre de volledige omzetting van de RED II een coherent geheel vormt, vragen de adviesorganen dat zij de mogelijkheid zouden krijgen om een tweede advies uit te brengen wanneer ook de andere interagerende teksten van de omzetting van de RED II bekend zijn.
  • [2] De adviesorganen wijzen op Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en van de Raad van 11 december 2018 inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, en in het bijzonder, punt 25 en 45, waarin wordt geschreven dat de beleidslijnen van de energie- en klimaatplannen van de lidstaten compatibel moeten zijn en moeten bijdragen tot de verwezenlijking van de duurzame ontwikkelingsdoelstellingen (SDG) van de Verenigde Naties, en daarnaast de mensenrechten en gendergelijkheid dienen te eerbiedigen en promoten.
  • [3] De overheden, de burgers en de deelnemende partijen zijn nu overtuigd van de noodzaak van de transitie naar een koolstofarme maatschappij en willen dat die transitie op een georganiseerde manier verloopt. In dat opzicht moeten de betrokken overheden duidelijk aangeven dat ze kiezen voor een structureel proces van duurzame ontwikkeling (binnen een Europees en wereldwijd kader) dat is gebaseerd op de vooruitgang van wetenschappelijke kennis. Zo moet worden gegarandeerd:
    • dat de milieunormen worden nageleefd en dat de wil om te strijden tegen klimaatverandering wordt gerespecteerd, volgens het principe van gezamenlijke, doch verschillende, verantwoordelijkheid;
    • dat de energievoorziening wordt verzekerd, zowel voor consumenten als voor het land als geheel;
    • dat de economie goed presteert, waardoor onze bedrijven competitief blijven;
    • dat er sociale rechtvaardigheid is en dat er een faire transitie is, met respect voor de vijf pijlers: sociale dialoog, banen scheppen (investeringen, onderzoek en ontwikkeling, innovatie), training en competenties, respect voor mensen- en arbeidsrechten, en een georganiseerde en krachtige sociale bescherming;
    • dat de beleidslijnen voor het klimaat en duurzame ontwikkeling coherent zijn, waarbij erop wordt toegezien dat de transitie in België niet ten koste gaat van de duurzame ontwikkeling in ontwikkelingslanden.
  • In dat opzicht zijn de adviesorganen ervan overtuigd dat het kader van de Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen een belangrijke hefboom kan vormen voor het transformatiebeleid en dat het van de betrokken overheden de nodige garanties eist over deze systematische aanpak aan de hand van een transparante en gecoördineerde implementatiestrategie voor de Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen[2].
  • [4] De adviesorganen wijzen eveneens op het kader van de Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen en de Green Deal voor Europa, dat ervoor moet zorgen dat de grote investeringen die op de korte termijn worden voorzien België op weg helpen naar een koolstofarme, veerkrachtige en inclusieve maatschappij op de lange termijn, met daarnaast ook een digitale transitie, terwijl erop wordt toegezien dat de herstelplannen in België en elders in de Europese Unie geen negatief effect hebben op de economische, maatschappelijke en ecologische situatie in de rest van de wereld, in overeenstemming met het coherentieprincipe van de beleidslijnen voor ontwikkeling[3].
  • [5] De adviesorganen hebben tevens reeds beklemtoond dat het gebruikmaken van biobrandstoffen alleen niet zal volstaan om de emissies van broeikasgassen (BKG) in de transportsector aanzienlijk te doen verminderen en wijzen er nogmaals op dat het noodzakelijk is de vraag naar mobiliteit meester te worden en zich tot andere vormen van mobiliteit te wenden om deze uitdaging aan te gaan. Zij wijzen er nadrukkelijk op dat er dringend een gecoördineerd en coherent beleid inzake duurzaamheid nodig is dat in de eerste plaats gericht is op het beheersen van de vraag en op de modal shift naar alternatieven voor het vervoer met de eigen auto en het wegvervoer. De adviesorganen menen bovendien dat een doelstelling in termen van een absolute vermindering van de BKG-emissies tegen 2030 voor de transportsector veel gepaster zou zijn dan een doelstelling uitgedrukt in percentages aan hernieuwbare energie, waardoor het mogelijk zou zijn een beleid te bevorderen dat ook gericht is op gedragingen en de duurzaamheid van deze sector niet uitsluitend te laten afhangen van de energieproducenten en -leveranciers[4].
  • [6] De adviesorganen willen eraan herinneren dat ze reeds hebben gewezen op het feit dat het gebruik van biodiesel in sommige gevallen kan leiden tot een toename van de CO2-uitstoot in vergelijking met traditionele brandstoffen[5], rekening houdend met de volledige levenscyclus (waaronder onrechtstreekse effecten, zoals de verandering van landgebruik), en met name biodiesel op basis van palmolie en soja. Ze raden dus opnieuw aan dat de Europese en Belgische autoriteiten overgaan tot het beperken en verbannen van het gebruik van problematische alternatieven soja en palmolie (high risk ILUC), die over hun gehele levenscyclus meer broeikasgassen uitstoten dan de vervangen fossiele brandstof.
  • Het voorgelegde KB-ontwerp antwoordt deels op de vraag van de adviesorganen aan de autoriteiten om duidelijkheid te scheppen over de manier waarop zij het verwezenlijken van deze doelstelling willen aanpakken en vereist aanvullingen (daarvoor zorgt het wetsontwerp ter omzetting van de RED II). De adviesorganen herhalen hun verzoek om verduidelijking over de wijze waarop deze autoriteiten deze doelstelling zullen verwezenlijken[6].
  • De adviesorganen vinden dan ook dat de boekhouding van de BKG-emissies verbonden aan die alternatieven voor fossiele brandstoffen rekening zou moeten houden met hun volledige levensduur (met inbegrip van de indirecte effecten zoals de verandering van landgebruik), net als bij de andere energiebronnen[7].
  • [7] De adviesorganen zijn verder van mening dat de doelstelling inzake hernieuwbare energie in het vervoer moet worden nageleefd door gebruik te maken van de flexibiliteit waarin de Europese wetgeving voorziet om het gebruik van alternatieven met een hoge uitstoot terug te dringen[8].
  • [8] In het licht van de voorgaande paragrafen verwelkomen de adviesorganen de wil om de richtlijn om te zetten, die toelaat om de duurzaamheid van biobrandstoffen te verbeteren via het ontwerp van koninklijk besluit dat voor advies voorligt. De adviesorganen stellen tevens tevreden vast dat in dit ontwerp van koninklijk besluit, naast vloeibare biobrandstoffen, ook de gasvormige biobrandstoffen zijn opgenomen, alsook de hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong en de transportbrandstoffen op basis van hergebruikte koolstof.
  • Volledigheidshalve zou dit dan ook dienen gereflecteerd te worden in de titel van het koninklijk besluit als volgt:
  • ‘Het koninklijk besluit houdende bepaling van productnormen voor transportbrandstoffen uit hernieuwbare bronnen en voor transportbrandstoffen op basis van hergebruikte koolstof’.
  • [9] De adviesorganen stellen tevens voor om, op Europees niveau[9], naast strenge duurzaamheidscriteria voor biobrandstoffen ook werk te maken van sociale criteria zoals de bescherming van voedselzekerheid, de bescherming van landrechten, de garantie van toegang tot natuurlijke rijkdommen voor lokale gemeenschappen, het toepassen van het principe van Free, Prior and Informed Consent en het respect voor mensenrechten in de gehele toeleveringsketen.
  • De adviesorganen merken overigens op dat de nieuwe richtlijn RED II een zekere flexibiliteit toelaat wat betreft de doelstelling voor hernieuwbare energie in de vervoersector. Zo bedraagt het aandeel biobrandstoffen en biomassa geproduceerd uit teelten die voor voedsel en diervoeder zijn bestemd, maximaal 7% van het eindenergieverbruik in de vervoersector. Wanneer het aandeel van die biobrandstoffen en biomassa lager is dan 7% kan een lidstaat dus zijn hernieuwbare-energieverplichting van 14% in de vervoerssector verlagen, tot het minimum van 7%[10]. De adviesorganen pleiten ervoor dat de doelstelling voor hernieuwbare energie in de vervoersector (op dit moment 14%) wordt aangepast door de flexibiliteit aan te wenden die wordt voorzien in de RED II (met inbegrip van de vermenigvuldigingsfactoren) en met het oog op de mogelijkheden om voor het verwezenlijken van de doelstelling voor hernieuwbare energie gebruik te maken van biobrandstoffen en biomassa geproduceerd uit teelten die voor voedsel en diervoeder zijn bestemd in België.
  • [10] Na kennis te hebben genomen van het wetsontwerp RED ll van de minister van Energie vragen de adviesorganen om de coherentie tussen het voorgelegde ontwerp van KB en het bovenvermelde wetsontwerp te waarborgen.

2.  Inhoudelijke opmerkingen

2.1  Duurzaamheidscriteria/broeikasgasemissiereductiecriteria (hoofdstuk IV)

  • [11] De adviesorganen stellen vast dat op verschillende plaatsen in het voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit wordt verwezen naar ministeriële besluiten voor verdere details. Deze ministeriële besluiten zijn momenteel echter nog niet beschikbaar, waardoor het onmogelijk is voor de adviesorganen om het project in zijn geheel te evalueren. De adviesorganen vragen dan ook de ontwerpen van deze ministeriële besluiten tijdig te communiceren zodat de marktdeelnemers de tijd krijgen zich te organiseren.

2.2  Modaliteiten voor product verklaring/ bewijsvoering/certificering (hoofdstuk V, VI en VIII)

  • [12] De adviesorganen vragen om de verplichtingen (wie/wat/wanneer) van elkeen in zake de productverklaring, de auditnorm en de certificering te verduidelijken en op te nemen in het voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit:
    • Wat met meerdere marktdeelnemers, vb. aan aankoopzijde (groepsaankopen)?
    • De term ‘op de markt brengen’ wordt herhaaldelijk gebruikt, zonder uitdrukkelijke definiëring in het ontwerp van koninklijk besluit;
    • Is certificering steeds noodzakelijk bij elke productverklaring?
    • Wat moet de inhoud van de auditnorm zijn?
    • Betekenen art. 20, 22 en 23 dat marktdeelnemers verplicht worden om gecertificeerd te zijn op basis van een erkend certificeringsschema (bijv. ISCC)?
    • Hiermee samenhangend, betekent artikel 23 dat de Belgische autoriteit contact kan opnemen met de auditor/certificatie body voor informatie?
    • Specifiek voor productie-eenheden die zowel produceren voor garanties van oorsprong (Art 19 RED II in book&claim en die gewestelijke materie zijn) alsook en terzelfdertijd voor brandstoffen (ART 25-33 van de REDII en die federale materie is): welk orgaan zal de gemeten ‘hernieuwbare’ hoeveelheden uniform bepalen en opsplitsen voor -rapportering naar de respectievelijke autoriteiten (gewesten/federale) en hoe zal dubbel gebruik worden uitgesloten?
  • [13] In artikel 10 van dit voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit wordt voor het beschikbaar maken van de productverklaring verwezen naar “de modaliteiten op de website van FOD Leefmilieu”. De adviesorganen stellen vast dat de voorgestelde methode momenteel nog onbekend is. Niettemin wensen zij te wijzen op het ‘vluchtig’ karakter van publicaties via websites, en opteren bijgevolg voor een meer vastomlijnd regulier kader door de modaliteiten zo uitgebreid mogelijk te verduidelijken in het ontwerp van koninklijk besluit.
  • [14] Gezien het nieuwe proces, de verschillende betrokken marktdeelnemers en de voorziene snelle inwerkingtreding van dit koninklijk besluit (10 dagen na publicatie) vragen de adviesorganen tijdig een infosessie te organiseren.

2.3  Aandeel hernieuwbare transportbrandstoffen uit een gezamenlijk productieproces (hoofdstuk VII)

  • [15] De adviesorganen achten het zeer belangrijk dat ook voor co-processing reeds een basis wordt gelegd. Om aldus a priori geen andere alternatieve stromen dan biomassa die in de komende 10 jaar nog ontwikkeld kunnen worden, uit te sluiten voor co-processing, vragen de adviesorganen om de titel van dit hoofdstuk aan te passen als volgt:
  • “Aandeel hernieuwbare transportbrandstoffen uit een gezamenlijk productieproces met fossiele brandstoffen en uit een productieproces voor hernieuwbare transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong”
  • [16] Om dezelfde reden dient ook artikel 15 van het voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit als volgt aangepast te worden:
  • “De minister bepaalt de methode voor het bepalen van het aandeel hernieuwbare transportbrandstoffen en transportbrandstoffen op basis van hergebruikte koolstof, uit een gezamenlijk productieproces met fossiele brandstoffen.”
  • [17] In het kader van artikel 14 van het voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit, aandeel hernieuwbare transportbrandstoffen uit een productieproces voor hernieuwbare transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong, vragen de adviesorganen te verduidelijken waarom er enkel additionaliteit wordt toegepast voor elektriciteit die wordt verkregen uit een rechtstreekse aansluiting van een hernieuwbare elektriciteitsopwekkingsinstallatie, en niet voor elektriciteit die uit het net wordt genomen. In dit kader zal rekening moeten worden gehouden met de ‘delegated acts’ gerelateerd aan art. 27 RED II die in ontwerp zijn bij de Europese Commissie en waarvan de finale versie verwacht wordt tegen eind 2021.

2.4  Verbod om bepaalde biobrandstoffen en biogassen die worden geproduceerd uit voedsel- en voedergewassen op de markt te brengen (hoofdstuk X)

  • [18] De adviesorganen sluiten zich aan bij de doelstelling van de RED II om het gebruik van de 1ste generatie biobrandstoffen met een hoog risico van indirecte veranderingen in landgebruik geleidelijk aan uit te faseren.
  • [19] De adviesorganen merken op dat het voorgelegde ontwerp van KB gebruik maakt van de nieuwe flexibiliteit die wordt voorzien door de RED II om de lidstaten toe te laten de duurzaamheidscriteria te versterken. De adviesorganen stellen bijgevolg vast dat artikel 24 van het ontwerp van koninklijk besluit een verbod oplegt om vanaf 1 juli 2022 biobrandstoffen en biogassen op basis van palmolie of andere rechtstreeks of onrechtstreeks van de oliepalm afgeleide producten op de markt te brengen. Vanaf 1 januari 2023 geldt dit eveneens voor biobrandstoffen en biogassen op basis van sojaolie of andere rechtstreeks of onrechtstreeks van de sojaplant afgeleide producten. Aldus is in het ontwerp van koninklijk besluit sprake van een versnelde en een bredere uitfasering.
  • [20] De adviesraden nemen akte van het uitfaseren van de eerste generatie biobrandstoffen op basis van palmolie en soja.
  • [21] Wat betreft geavanceerde biobrandstoffen die onrechtstreeks zijn afgeleid van de oliepalm / sojaplant, menen de Raden dat de situatie ingewikkelder is en wijzen ze op de volgende zaken:
  • [22] De adviesorganen stellen inderdaad vast dat ook biobrandstof op basis van onrechtstreeks van de oliepalm en sojaplant afgeleide producten in het voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit worden verboden, terwijl deze door de Europese Unie niet als ‘high risk ILUC’ worden ingedeeld. Sommigen (zoals POME[11]) worden zelfs als geavanceerde biobrandstoffen door de EU erkend (RED II bijlage IX part A) en zijn één van de weinige huidig commerciële beschikbare geavanceerde biobrandstoffen. Niettemin merken de adviesorganen op dat er, gezien de zwakke daling en de verwachte toename van het gebruik, nood is aan extra aandacht en voorzichtigheid wat betreft het vervangingsrisico, met het oog op het garanderen van de duurzaamheid van die producten.
  • [23] Hoewel palmolie en zijn onrechtstreekse derivaten (zoals POME en PFAD[12]) met elkaar verbonden zijn via de toeleveringsketens, zijn het verschillende hernieuwbare grondstoffen: palmolie is een plantaardige olie op basis van voedselgewassen, terwijl PFAD en POME een verwerkingsresidu is dat ontstaat bij de raffinage van palmolie van levensmiddelenkwaliteit.
  • [24] Palmolieproducenten krijgen een lagere prijs voor het verwerkingsresidu dan voor de eetbare palmolie. Daarom is de huidige raffinage van palmolie erop gericht de productie van eetbare palmolie te maximaliseren, en niet die van hun residu. Momenteel is het gebruik van niet gewenste bijproducten niet de economische drijvende kracht achter de palmolieproductie of de uitbreiding van de teelt ervan. Dezelfde redenering is van toepassing voor de onrechtstreeks van de sojaplant afgeleide producten (zoals SBEO[13]).
  • [25] POME (onrechtstreeks derivaat van palmolie) werd zelfs toegevoegd aan de RED II bijlage IX deel A omdat POME-vijvers aanzienlijke hoeveelheden methaan uitstoten, indien deze niet naar behoren behandeld worden. Het creëren van een marktwaarde voor POME heeft als gevolg dat de palmolieproducenten gestimuleerd worden om voor hun afvalstromen te zorgen en de methaanemissies te verminderen (methaan is 25 CO2eq[14]). PFAD komt daarentegen niet voor in RED II bijlage IX deel A en wordt dus niet beschouwd als grondstof voor geavanceerde biobrandstoffen in de betekenis van de richtlijn.
  • [26] De RED II bepaalt dat de bijdrage van geavanceerde biobrandstoffen en biogassen die worden geproduceerd uit in bijlage IX, deel A, vermelde grondstoffen, ten minste gelijk moet zijn aan 0,2 %en in 2022, 1 %en in 2025 en 3,5 %en in 2030 (na dubbeltelling). Stratas Advisors verwacht dat binnen de groep grondstoffen die in aanmerking komen voor deze subdoelstelling in 2030, POME waarschijnlijk zal concurreren met talloliepek, waarvan wordt aangenomen dat het aanbod zijn limiet reeds heeft bereikt. Anderzijds kunnen geavanceerde brandstoffen op basis van biomethaan (Bio-CNG en Bio-LNG) hiervoor wel in aanmerking komen.
  • [27] De adviesorganen menen dat de materiaalstromen die compatibel kunnen zijn met een duurzaam gebruik op kleine schaal, soms niet meer duurzaam zijn wanneer de gevraagde volumes fors stijgen. Bepaalde vervangingseffecten kunnen zich dan immers voordoen op een ruimer niveau.
  • [28] Gelet op de bovenstaande vaststellingen en op het feit dat bijgevolg momenteel weinig alternatieven voorhanden lijken te zijn om aan het Europese submandaat voor geavanceerde biobrandstoffen te voldoen, vragen de adviesorganen zich af in welke mate het relevant is om bepaalde grondstoffen vermeld in bijlage IX deel a van de RED II (geavanceerde biobrandstoffen) uit te sluiten. Volgens de adviesorganen is het bovendien noodzakelijk dat ook alle alternatieve hernieuwbare energieën (elektriciteit, e-fuels, waterstof, enz.) en hergebruikte koolstof, zoals beschreven in de RED II, een plaats krijgen.
  • [29] Indien de bruikbare materialen voor verplichte bijmenging worden beperkt, is het in elk geval belangrijk om de beschikbare duurzame volumes te objectiveren, en om te vermijden dat er onhaalbare verplichtingen worden vastgelegd.
  • [30] De adviesorganen vragen ook rekening te houden met de snelheid waarmee cultuurwissels in de landbouwgronden kunnen doorgevoerd worden, gelet de landbouwcyclussen, en met het feit dat een geleidelijke uitfasering de mogelijke prijsstijging van transportbrandstoffen zou spreiden in de tijd aangezien de vervanging door andere duurzame brandstoffen een hogere kost met zich mee kan brengen welke in het programma-akkoord dient gereflecteerd te worden.
  • [31] Teneinde meer duidelijkheid te creëren, vragen de adviesorganen tot slot een lijst te voorzien van rechtstreeks en onrechtstreeks afgeleide producten van de oliepalm en sojaplant.

3.  Technische opmerkingen

  • [32] De adviesorganen merken op dat artikel 1, 27° van het voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit, het begrip “marktpartij” definieert, terwijl er ook sprake van “marktdeelnemers” is. De adviesorganen achten het aangewezen in het ontwerp van koninklijk besluit coherent te zijn en dezelfde terminologie te gebruiken als in de definities.
  • [33] Bij de definitie van “marktpartij” stellen de adviesorganen zich eveneens de vraag of oliemaatschappijen die duurzame transportbrandstoffen toevoegen en/of co-processen ook onder deze definitie vallen.
  • [34] De adviesorganen stellen vast dat in artikel 4, §7 van het voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit de nummering niet correct is en daaruit volgend ook de verwijzingen. De adviesorganen vragen bijgevolg deze §7 als volgt aan te passen:
    • “§ 7 De biobrandstoffen en biogassen uit bosbiomassa die in aanmerking worden genomen voor de in lid 1, eerste alinea, onder a), b) en c), bedoelde doeleinden voldoen aan de volgende eisen inzake landgebruik, wijzigingen in het landgebruik en bosbouw (LULUCF):
    • a) het land waaruit de bosbiomassa afkomstig is of de regionale organisatie voor economische integratie waaronder de bosbiomassa valt moet:
      • i) een partij zijn bij de Overeenkomst van Parijs,
      •  ii) een nationaal bepaalde bijdrage (NDC) geleverd hebben aan het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC), die betrekking heeft op emissies en verwijderingen van landbouw, bosbouw en landgebruik om ervoor te zorgen dat wijzigingen in de koolstofvoorraad die verband houden met de oogst van biomassa meegeteld worden voor het in de NDC gespecificeerde streefcijfer van het land voor het verminderen of beperken van broeikasgasemissies, of
      • iii) er nationale of subnationale wetgeving is, overeenkomstig artikel 5 van de Overeenkomst van Parijs, die van toepassing is op de oogst, met het oog op instandhouding en versterking van koolstofvoorraden en -putten, en die aantoont dat de in de LULUCF-sector gerapporteerde emissies niet hoger liggen dan de verwijderingen;
    • b) indien geen in dit lid, onder a), bedoeld bewijs beschikbaar is worden biobrandstoffen en biogassen uit bosbiomassa in aanmerking genomen voor de in lid 1, eerste alinea, onder a), b) en c), bedoelde doeleinden indien op het niveau van het oorsprongsgebied van het bos beheersystemen voorhanden zijn om ervoor te zorgen dat de niveaus van de koolstofvoorraden en -putten in het bos voor lange termijn worden gehandhaafd of versterkt.
    • De minister bepaalt operationele richtsnoeren over het bewijs dat is voldaan aan de in paragraaf 6 en 7 vastgestelde criteria. “
  • [35] In Art 5, § 1 van het voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit, dient volgens de adviesorganen volgende redundantie verwijderd te worden: “§1. Een lot biobrandstoffen of biogassen dat biobrandstoffen of biogassen bevat die voldoen…”
  • [36] De adviesorganen stellen vast dat in artikel 9, 2°, 9°, 10°, 11°, 13° et 15° van het voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit, sprake is van “transportbrandstoffenproducent”. Volgens hen zou het juister en vollediger dit te vervangen door “producent van transportbrandstoffen uit hernieuwbare bronnen en van transportbrandstoffen op basis van hergebruikte koolstof”.
  • [37] De adviesorganen vragen in artikel 18, 2°, de volgende aanpassing door te voeren:
  • [38] “2° als de verwerking van een levering grondstoffen leidt tot meer dan één output die bedoeld is voor de productie van biobrandstoffen, vloeibare biomassa, of biomassabrandstoffen hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong, of transportbrandstoffen op basis van hergebruikte koolstof, wordt…”

 

 

 

[1] Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen, https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX%3A32018L2001.

[2] Zie het advies van de FRDO over het herstelbeleid van de federale regering, 2020a07n, 3 juni 2020, § [8].

[3] Zie het advies van de FRDO over het herstelplan van de federale regering, 2020a10, 23 oktober 2020, § [3].

[4] Zie o.a. het advies van de FRDO over het ontwerp van koninklijk besluit houdende bepaling van productnormen voor transportbrandstoffen uit hernieuwbare bronnen, 2018a01, 14 februari 2018, § [6] en het advies van de CRB over het ontwerp van koninklijk besluit houdende bepaling van productnormen voor transportbrandstoffen uit hernieuwbare bronnen, CRB 2018-0581, 22 februari 2018.

[5] Zie ook het advies van de FRDO over het ontwerp van koninklijk besluit betreffende de benaming en de kenmerken van de gasolie-diesel en van de benzines, 2017a09, 5 december 2017, en het advies van de CRB over de benamingen en de kenmerken van de gasolie-diesel en van benzines, CRB 2017-2521, 22 november 2017.

[6] Zie o.a. het advies van de FRDO over het ontwerp van koninklijk besluit betreffende de benaming en de kenmerken van de gasoliediesel en van de benzines, 2017a09, 5 december 2017, § [19] en het advies van de CRB over de benaming en de kenmerken van de gasolie-diesel en van benzines, CRB 2017-2521, 27 november 2017.

[7] Zie o.a. het advies van de FRDO over het ontwerp van koninklijk besluit houdende bepaling van productnormen voor transportbrandstoffen uit hernieuwbare bronnen, 2018a01, 14 februari 2018, § [6] en het advies van de CRB over het ontwerp van koninklijk besluit houdende bepaling van productnormen voor transportbrandstoffen uit hernieuwbare bronnen, CRB 2018-0581, 22 februari 2018.

[8] Zie het advies van de FRDO, CRB en brc Verbruik over een ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van artikelen 2 en 4 van het koninklijk besluit van 8 juli 2018 betreffende de benaming en de kenmerken van de gasolie-diesel en van de benzines, 2021a03, CRB 2021-0820, 6 april 2021.

[9] De adviesorganen wijzen op de herziening van de richtlijn RED III die in voorbereiding is.

[10] Zie het advies van de FRDO over het ontwerp van Nationaal Energie Klimaat Plan 2030 (NEKP), 2019a02n, 10 mei 2019, § [45].

[11] 1 POME – Palm Oil Mill Effluent – is olieafval afkomstig van het effluent van palmoliemolens. Het bestaat uit het resterende olieachtige afval dat van het afvalwater van de palmoliemolen wordt afgeroomd; omwille van zijn hoge organische belasting, moet dit afvalwater worden behandeld voordat het wordt geloosd.

[12] PFAD – Palm Fatty Acid Distillate – is een verwerkingsresidu dat afkomstig is van de laatste stadia van de raffinage van palmolie voor de voedselindustrie. Het bestaat uit afgebroken vetten, vrije vetzuren, die moeten worden verwijderd voordat palmolie voldoet aan de kwaliteitsnormen van de voedingsindustrie in termen van smaak, geur, kleur en houdbaarheid.

[13]SBEO Spent Bleaching Earth Oil bestaat uit olieafval dat wordt teruggewonnen uit verbruikte bleekaarde dat wordt gebruikt bij de raffinageprocessen van verschillende plantaardige oliën.

[14] Methaan is 25 CO2eq – De mate waarin 1kg methaan bijdraagt aan het broeikaseffect (Global Warming Potential) is 25 maal groter dan het effect dat de uitstoot van 1 kilogram CO2 teweegbrengt.

 

Opmerkingen, vragen of suggesties?