06 | Advies sociaal-economische impact van de klimaattransitie

Advies over de sociaal-economische impact van de klimaattransitie

  • Gevraagd door Jean-Luc Crucke, Minister van mobiliteit, klimaat en ecologische transitie, belast met duurzame ontwikkeling, in een brief van 24 november 2025
  • Dit advies werd voorbereid door de werkgroep “Energie en klimaat” van de FRDO
  • Samen met de CRB
  • Goedgekeurd door de Algemene Vergadering via schriftelijke procedure op 2 april 2026

Advies (pdf)

 

 

 

1 Inbehandelingneming

  • [1] Op 24 november 2025 hebben de CRB en de FRDO een adviesvraag van de heer Crucke, minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische transitie, ontvangen m.b.t. een studie over de sectoriële impact van de klimaattransitie, met bijzondere aandacht voor activiteit, werkgelegenheid en opleiding[1].
  • [2] Op 12 december 2025 is een vertegenwoordiger van het kabinet-Crucke de adviesvraag komen toelichten en heeft de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de voedselketen en Leefmilieu de bovengenoemde studie aan de twee Raden gepresenteerd.
  • [3] De termijn voor het uitbrengen van het advies was 31 januari 2026, maar deze termijn werd verlengd tot eind maart 2026, aangezien de minister van de Raden een solide advies met concrete elementen wenst te ontvangen. Deze concrete elementen zullen bestemd zijn voor de regering, en zullen tot doel hebben haar keuzes te onderbouwen in de verschillende processen ter ondersteuning van het concurrentievermogen in de context van de verschillende transities, en meer bepaald de klimaattransitie.
  • [4] De Raden zijn op 15 januari, 5 februari en 2, 9, 13 en 24 maart 2026 bijeengekomen om gevolg te geven aan deze adviesvraag en gezamenlijk het advies voor te bereiden, dat werd goedgekeurd op 2 april 2026 tijdens de respectieve plenaire vergaderingen van de Raden.

2 Inleiding en algemene beschouwingen

  • [5] De klimaattransitie houdt een ingrijpende, onomkeerbare en multidimensionale transformatie in die zowel de economie als de samenleving treft. Ze gaat verder dan alleen technologische evolutie en hertekent onder meer de productie- en consumptiepatronen, het gedrag van burgers, de arbeidsorganisatie, de vaardigheden, de loopbaantrajecten, de investeringen en de vormen van governance. Het welslagen ervan hangt dan ook af van een bewustwording van de burgers en het vermogen van de overheden, de ondernemingen (waaronder de zelfstandigen), de werknemers, het maatschappelijk middenveld en de sociale partners om erop te anticiperen, ze te begeleiden en ze op een onderling afgestemde, billijke en prospectieve manier te sturen.
  • [6] Volgens de Raden is de klimaattransitie een van de transities die momenteel plaatsvinden (naast onder meer de digitale transitie en de demografische transitie[2]). Daarom benadrukken ze het belang van een geïntegreerde aanpak, waarbij de drie transities worden beschouwd als transversale uitdagingen waarmee in het overheidsbeleid in zijn geheel rekening moet worden gehouden. Hoewel sommige aanbevelingen in dit advies ook van toepassing zijn op de andere transities, concentreren de Raden zich in de onderhavige overwegingen op de klimaattransitie.
  • [7] Met het oog op het Belgisch voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie[3] was het doel van België toen ook om de drie pijlers van duurzaamheid – de milieu-, de economische en de sociale pijler – met elkaar te verzoenen volgens een logica van evenwicht tussen planeet, welvaart en mensen.
  • [8] De doelstelling van klimaatneutraliteit tegen 2050 houdt in dat de uitstoot van broeikasgassen drastisch moet worden verminderd om het leefmilieu te beschermen en tegelijkertijd te garanderen dat aan de basisbehoeften van de burgers wordt voldaan (“leave no one behind”), dat een performante economie in stand wordt gehouden die aantrekkelijke banen creëert en dat de overheidsfinanciën en het financiële stelsel stabiel blijven. De opkomst van een economie die gericht is op klimaatneutraliteit is al aan de gang, met de steun van steeds meer investeringen in de eco-industrieën. Dit brengt risico’s met zich mee – zoals banenverlies in bepaalde sectoren – maar biedt ook grote kansen op het gebied van groei, productiviteit en werkgelegenheid. De grootste uitdaging ligt niet alleen in de kosten van de transitie, maar ook in het vermogen om de voordelen ervan volledig en snel te benutten om deze zo goed mogelijk te begeleiden en om de stijgende krapte op de arbeidsmarkt tegen te gaan.
  • [9] Na kennis te hebben genomen van de studie hebben de Raden bovendien besloten dit advies op te stellen en hun eigen aanbevelingen te formuleren, zonder hun analysegebied te beperken tot de sectoren die in de bovengenoemde studie worden vermeld.
  • [10] Ten slotte doen de Raden aanbevelingen die verband kunnen houden met regionale bevoegdheden. Die zouden op interfederaal niveau moeten worden besproken.

3 Aanbevelingen

3.1 De transformaties van de arbeidsmarkt beter opzetten en meer richten naar de beroepen die verband houden met de transitie

  • [11] De klimaattransitie zal leiden tot ingrijpende veranderingen op de arbeidsmarkt. Deze zullen onder meer tot uiting komen in het ontstaan en verdwijnen van banen, veranderingen binnen en tussen sectoren en een kwalitatieve transformatie van beroepen en taken. De ‘vergroening’ van bestaande banen, de opkomst van nieuwe beroepen en de verdwijning van bepaalde activiteiten zullen de structuur van de werkgelegenheid grondig veranderen.
  • [12] Deze ontwikkelingen dreigen de reeds bestaande spanningen op de Belgische arbeidsmarkt te versterken, met name het tekort aan arbeidskrachten in bepaalde beroepen en sectoren. Zorgen voor een betere afstemming tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt is dan ook een centrale uitdaging, die nauw verbonden is aan het veiligstellen van de beroepsloopbanen.

3.1.1 Een prospectieve en strategische aanpak hanteren, op basis van gedeelde bevindingen en van wenselijke trajecten

  • [13] Om een duurzame, inclusieve en concurrerende economie van de toekomst op te bouwen, moeten de kansen die de klimaattransitie biedt worden benut en moeten tegelijk ook de risico’s die deze met zich meebrengt voor de economie en de samenleving als geheel worden beperkt. Om dit te bereiken, moeten alle actoren een resoluut prospectieve en strategische aanpak hanteren, in plaats van een reactieve.
  • [14] Een dergelijke aanpak houdt in dat wordt geanticipeerd op de mogelijke effecten van de transitie, op basis van betrouwbare gegevens en van plausibele en wenselijke trajecten, die zijn opgesteld aan de hand van robuuste prognosemodellen. Deze trajecten moeten op nationaal/federaal, intersectorieel, regionaal en sectorieel niveau in aangepaste vorm worden uitgewerkt om rekening te houden met de specifieke territoriale en economische kenmerken.
  • [15] Daartoe kunnen de verschillende instanties voor maatschappelijke dialoog (adviesraden enz.) en de fondsen voor beroepsopleiding onder meer een beroep doen op onderzoeksinstituten (bv. gespecialiseerd in klimaatverandering) die in staat zijn om transitietrajecten in modellen vast te leggen. Op basis hiervan moeten deze instanties gezamenlijke bevindingen kunnen vaststellen en gemeenschappelijke aanbevelingen kunnen formuleren om weloverwogen beslissingen te ondersteunen.
  • [16] Volgens de studie van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de voedselketen en Leefmilieu moeten deze scenario’s niet alleen de investeringsbehoeften en de trajecten van de broeikasgasemissies bevatten, maar ook een evaluatie van de werkgelegenheid: volume, aard, kwaliteit en locatie van de gecreëerde of getransformeerde banen, alsmede de vaardigheden die nodig zijn ter ondersteuning van de transitie. Vervolgens moeten ze worden omgezet in onderling afgestemde initiatieven (bijvoorbeeld opleidingsplannen) die aangepast zijn aan de sectoren, ondernemingen en werknemers.
  • [17] Bovendien moet gebruik worden gemaakt van regionale expertise, aangezien elk gewest zijn eigen specifieke kenmerken heeft op het gebied van de arbeidsmarkt en beschikt over werkgelegenheidsobservatoria, sectoriële competentiecentra en partnerschappen met opleidingsfondsen, die allemaal middelen vormen om de bevindingen te verfijnen en operationeel te maken.
  • [18] Ten slotte benadrukken de Raden het belang van het intersectoriële niveau en beklemtonen ze de noodzaak om concurrentie tussen sectoren te vermijden (bv. voor het opleidingsaanbod, zie punt 3 hieronder).

3.1.2 De aantrekkingskracht en bekendheid van beroepen en sectoren die betrokken zijn bij de klimaattransitie versterken

  • [19] Om het potentieel van de transitie ten volle te benutten, is het noodzakelijk om de aantrekkingskracht van banen en sectoren die betrokken zijn bij de klimaattransitie te versterken en mensen beter te informeren over deze beroepen. In dit verband spelen de onderwijsstructuren en arbeidsbemiddelingsdiensten, in samenwerking met de sectorfondsen en de paritaire comités om rekening te houden met de behoeften van de ondernemingen en de werkzoekenden, een centrale rol bij het informeren over en toeleiden naar opkomende sectoren en beroepen, die vaak nog onbekend zijn bij het grote publiek.
  • [20] Verschillende actiepistes kunnen worden overwogen:
    • de beroepen identificeren die verband houden met de klimaattransitie en waarnaar veel vraag is of waarnaar de vraag in de nabije of verre toekomst waarschijnlijk zal toenemen, en specifieke informatiebijeenkomsten organiseren om deze voor te stellen;
    • stages in groene sectoren aanmoedigen, met bijzondere aandacht voor sectoren met een groot toekomstpotentieel;
    • de vaardigheden en beroepen die nodig zijn voor de transitie bij jongeren promoten, rechtstreeks via voorlichtingscampagnes in de scholen, in de media en op de sociale netwerken;
    • net als in sommige landen, zoals de Verenigde Staten en Zweden, programma’s opzetten die een volledige waaier aan steunmaatregelen en diensten bieden (beroepsopleiding, financiële steun, loopbaanbegeleiding enz.) aan mensen die overstappen naar een groene baan waar veel vraag naar is[4].
  • [21] Om nieuwe talenten aan te trekken voor beroepen en sectoren die betrokken zijn bij de klimaattransitie, is het ook belangrijk om aantrekkelijke arbeids- en loonvoorwaarden te behouden, opdat ze zich daarin gedurende hun hele loopbaan kunnen ontplooien. De Raden drukken ook de wens uit dat aandacht wordt besteed aan de concurrentiepositie van de ondernemingen. In die twee gevallen vormt het sociaal overleg een belangrijke hefboom.
  • [22] Het is daarbij belangrijk om in te zetten op de toegankelijkheid van die jobs en profielen, en met oog voor de inclusie – ook in het kader van de transitie – van iedereen op de arbeidsmarkt, onder andere de meest kwetsbaren (personen in precaire situaties, met een handicap), en geen nieuwe vormen van uitsluiting te creëren. De studie die het voorwerp uitmaakt van deze adviesvraag[5], de HRW en de OESO tonen aan dat er in de komende jaren weliswaar veel groene banen zullen bijkomen, maar dat daarvoor in eerste instantie meer hooggekwalificeerde profielen nodig zullen zijn dan minder gekwalificeerde profielen. Er moet dan ook speciale aandacht worden besteed opdat laaggeschoolde personen zonder de gepaste kwalificaties groene banen kunnen uitoefenen onder omstandigheden die de menselijke waardigheid respecteren. In dit verband vormen projecten die gericht zijn op het creëren van kwalitatief hoogstaande banen, ook voor personen die al lange tijd geen werk meer hebben, opdat de arbeidsmarkt hun perspectieven biedt en tegelijkertijd wordt ingespeeld op essentiële behoeften die specifiek zijn voor regio’s of subregio’s, een interessante piste. Ook de sociale economie kan hierin een belangrijke rol spelen.
  • [23] Het verwerven van de vaardigheden die nodig zijn om toegang te krijgen tot groene banen of banen in duurzame sectoren blijft een essentiële hefboom, die in het volgende punt aan bod komt. Opgemerkt moet worden dat veel van de vaardigheden die voor deze beroepen vereist zijn, al kenmerkend zijn voor de knelpuntberoepen.

3.2 Opleiding en vaardigheden inzetten als belangrijke hefbomen van een geslaagde groene transitie

  • [24] Opleiding blijkt een van de essentiële pijlers te zijn voor het welslagen van de groene transitie. Zowel recente als oudere adviezen van de adviesraden zijn het eens over het belang van het versterken van levenslang leren, om tegelijkertijd aan de behoeften van de ondernemingen, de uitdagingen op het gebied van aanwerving en het veiligstellen van de loopbaantrajecten van de burgers tegemoet te komen. Voor de Raden impliceert dit een gedeelde verantwoordelijkheid tussen de overheden (op federaal en gewestelijk niveau), de sociale gesprekspartners, de ondernemingen en alle burgers op arbeidsleeftijd. De Raden beklemtonen de belangrijke rol van de sociale dialoog in het proces van beleidsvorming en beleidsuitvoering.
  • [25] In het licht van de milieu-, de digitale en de demografische transitie wordt het verhogen van de vaardigheden van de gehele bevolking een prioriteit. De opleidingen moeten o.a. worden afgestemd op de knelpuntberoepen en vooral op de opkomende beroepen. Bovendien zijn volgens het verslag van de HRW[6] de opleidingsvereisten voor groene beroepen in het algemeen hoger dan voor andere beroepen.
  • [26] De Raden stellen verschillen vast in de graden van participatie aan opleiding, met name tussen werknemers, werklozen, inactieven en actieven, afhankelijk van het kwalificatieniveau. Daarom benadrukken ze het belang van een brede deelname aan opleidingen om te voorkomen dat de ongelijkheid toeneemt. In het kader van de drievoudige transitie zijn bijkomende kwalificaties noodzakelijk voor iedereen, ongeacht het kwalificatieniveau. De inspanningen om de nodige kwalificaties te verwerven zullen echter groter zijn voor de laagstgekwalificeerden dan voor de hoogstgekwalificeerden. Opleiding moet verschillende kernopdrachten vervullen: de productiviteit en de groei ondersteunen, de persoonlijke en beroepsontplooiing, de inzetbaarheid en het aanpassingsvermogen versterken, de beroepsmobiliteit vergemakkelijken en bijdragen tot de (her)inschakeling op de arbeidsmarkt.
  • [27] De klimaattransitie zal o.a. meer mensen met technische, wetenschappelijke en technologische kwalificaties vereisen. In dit verband zijn ook de aantrekkingskracht van wetenschappelijke loopbanen, de opleiding van onderzoekers en de ondersteuning van O&O strategische uitdagingen. Naarmate koolstofarme technologieën zich verspreiden, zal er ook vraag zijn naar minder gekwalificeerde profielen, maar hiervoor zullen voorafgaande opleidingen nodig zijn. Bovendien zullen andere vaardigheden noodzakelijk zijn om de transities te begeleiden, zoals bijvoorbeeld gedragsvaardigheden (interpersoonlijke vaardigheden, veerkracht en aanpassingsvermogen, motivatie, nieuwsgierigheid, de wil om te blijven leren en zich bij te scholen enz.).

3.2.1 Opleidingsinitiatieven en -programma’s aanpassen om in te spelen op de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt, dankzij een benadering die gericht is op vaardigheden

  • [28] Het aanbieden van omscholingstrajecten is een belangrijke hefboom voor een efficiënte begeleiding naar de groene banen van morgen. Daartoe moet, in een geest van gedeelde verantwoordelijkheid, worden gekozen voor een “vaardigheden eerst”-benadering (“skills first approach[7]»). Deze benadering, die oorspronkelijk werd toegepast op de aanwervingspraktijken – ze zou werkgevers in staat stellen hun recruteringsvijver uit te breiden en levenslang leren te ondersteunen -, kan ook worden ingezet om opleidingsprogramma’s te ontwikkelen die vlotter kunnen worden aangepast aan de gezochte vaardigheden op de arbeidsmarkt. Zo biedt de benadering op basis van competentieblokken een persoon met een diploma of een certificaat de mogelijkheid om zijn of haar vaardigheden aan te passen door middel van slechts één aanvullende opleidingsmodule, zonder dat hij of zij het volledige diploma, het volledige getuigschrift of certificaat opnieuw hoeft te halen. In deze context zou door certificeringen op te splitsen in competentieblokken en de erkenning van verworven competenties (EVC)[8] te versterken, beter kunnen worden ingespeeld op technologische veranderingen en zouden de opleidingskosten kunnen worden verlaagd.
  • [29] Met het oog op de verwachte behoeften en de toekomstige ambities (cf. §14) is een op vaardigheden gerichte aanpak ook gebaseerd op het in kaart brengen van welomschreven Het doel is ook om de verschillende (technische, transversale of gedragsmatige en overdraagbare) vaardigheden in kaart te brengen om strategieën voor ‘upskilling‘ en ‘reskilling te ontwikkelen. Upskilling (bijscholing) is gericht op het versterken van bestaande vaardigheden die nodig zijn voor de groene transitie; reskilling (omscholing) maakt het mogelijk nieuwe vaardigheden te verwerven om van beroep, functie of sector te veranderen. Het identificeren van de transversale vaardigheden is in dit verband bepalend voor het uitwerken van interne of intersectoriële omscholingstrajecten (zo is bijvoorbeeld het diagnostisch vermogen van een thermische mechanicus een vaardigheid die kan worden meegenomen naar het onderhoud van windturbines).
  • [30] Om een “vaardigheden eerst”-benadering te ondersteunen, is het ook noodzakelijk de toekomstige vaardigheden in kaart te brengen. Dat is nuttig op intra- en op intersectorieel niveau en voor de opleidingsinstellingen, om in hun opleidingsprogramma’s rekening te houden met de competentiebehoeften en om beroepsmobiliteit (binnen en tussen sectoren), met name naar groene banen waarvoor veel vraag is, te vergemakkelijken.
  • [31] Een andere uitdaging bestaat erin opleidingen te stimuleren die certificaten van beroepsbekwaamheid afleveren, maar ook de systemen voor de erkenning van competenties te uniformiseren om zo het vertrouwen en de vergelijkbaarheid te versterken. De overheid kan de invoering van duidelijke en samenhangende kaders voor erkenning en evaluatie aanmoedigen – onder meer ook via alternatieve titels of certificeringen zoals microdiploma’s en digitale badges[9] – om een erkenning van competenties te waarborgen.
  • [32] In overeenstemming met het eerder genoemde idee (zie punt 3.1) om een prospectieve en strategische aanpak te hanteren, is het van essentieel belang beter te anticiperen op de ontwikkeling van de competentie- en opleidingsbehoeften op middellange en lange termijn, zowel op regionaal en sectorieel niveau maar ook op het niveau van de ondernemingen (waaronder de zelfstandigen), als voor de werknemers en de personen die in alle bij de transities betrokken sectoren zullen werken en van wie de behoeften mogelijk zullen evolueren. Dit zou op andere sectoren kunnen worden toegepast. Het is daarbij belangrijk om in te zetten op nauwe samenwerking tussen de bedrijfswereld enerzijds, en instellingen als arbeidsbemiddelingsdiensten, onderwijsinstellingen en opleidingscentra anderzijds, opdat deze instellingen maximaal kunnen inspelen op de evoluties van de arbeidsmarkt, d.m.v. diverse aangepaste opleidingsmodaliteiten (stages, korte certificeringen, langere cursussen enz.). Een nuttige piste zou erin bestaan om, waar dat uitvoerbaar is, binnen de ondernemingen een functie van transitiebemiddelaar of transitieadviseur in te voeren. Het zou gaan om een verbindende functie tussen ondernemingen, sectoren en onderwijs- en opleidingsinstellingen, met als doel beter te anticiperen op de behoeften en deze zo snel mogelijk te vertalen. Tot slot moeten de opleidingsbehoeften van de docenten ook worden geïdentificeerd en moet erop worden geanticipeerd om de kwaliteit van het onderwijs te waarborgen. De leerkrachten moeten absoluut kunnen evolueren in functie van de veranderingen die zich binnen de sectoren voordoen.

3.2.2 De toegang tot groene opleidingen versterken en modules invoeren die gericht zijn op de groene transitie in alle basisopleidingen en/of levenslang leren

  • [33] De Raden zijn van oordeel dat het, gezien de drievoudige (groene, digitale en demografische) transitie en de effecten daarvan op de behoeften van de arbeidsmarkt en op de werknemers, belangrijker is dan ooit om het recht van eenieder op inclusief en kwalitatief hoogstaand onderwijs, opleiding en levenslang leren te waarborgen, teneinde vaardigheden te verwerven en te behouden die het mogelijk maken ten volle te participeren aan de samenleving en de transities naar en binnen de arbeidsmarkt in goede banen te leiden[10]. Plannen voor voortgezette opleiding, ook binnen de ondernemingen, moeten zo worden opgezet dat een ‘Mattheuseffect[11]’ wordt voorkomen, d.w.z. ten nadele van minder geschoolde, oudere personen enz.
  • [34] Bij het opzetten van opleidingsprogramma’s moet ook rekening worden gehouden met de leermethoden. Er moeten flexibelere opleidingsvormen worden ontwikkeld (bijvoorbeeld via online of deeltijdse cursussen) om de toegankelijkheid en inclusiviteit van opleidingen te vergroten en ze tegelijkertijd aantrekkelijker te maken, met name dankzij een benadering op basis van competentieblokken (cf. vorig punt 3.1.1).
  • [35] Om opleidingen voor zoveel mogelijk personen toegankelijk te maken, moeten verschillende soorten belemmeringen worden weggenomen: financiële (inschrijvingskosten), geografische en taalgerelateerde. Ongelijkheden in de toegang tot digitale technologieën, evenals verschillen in digitale vaardigheden, moeten ook volledig worden geïntegreerd in de ontwikkeling van het opleidingsaanbod.
  • [36] Het is eveneens essentieel dat deze opleidingen uitmonden in reële kansen op werk, wat een nauwe coördinatie en samenwerking tussen de verschillende betrokken actoren vereist, om ervoor te zorgen dat de ontwikkelde vaardigheden aansluiten bij de behoeften van de arbeidsmarkt. Bovendien moeten de opleiders zelf bewust worden gemaakt van en, waar adequaat, correct worden opgeleid voor de uitdagingen van de transitie, want de kwaliteit en de bijschaving van hun expertise, die soms specifiek is voor hun sector, vormen een onmisbare voorwaarde voor het welslagen van deze programma’s.
  • [37] Ten slotte zou de inhoud van de opleidingen idealiter een systemische benadering[12] moeten omvatten. Dit houdt in dat er, zowel in alle domeinen van de initiële opleiding als in het levenslang leren en in alle sectoren, o.a. modules moeten worden opgenomen die gewijd zijn aan de meer mondiale uitdagingen, zoals bv. de planetaire grenzen, de circulaire economie en de bescherming van het leefmilieu en de rechtvaardige transitie. Voor opleidingen die specifiek gericht zijn op groene beroepen of op milieugerelateerde sectoren, is het belangrijk om hun daadwerkelijke bijdrage aan de ontwikkeling van groene vaardigheden of aan de transitie te toetsen, overeenkomstig de geest van paragraaf [25].
  • [38] Het is ook essentieel om het onderwijs over het milieu, duurzame ontwikkeling en de uitdagingen van de transitie vanaf zeer jonge leeftijd te versterken. Bij de ontwikkeling van de leerplannen voor de gemeenschappelijke pijler (‘tronc commun’)[13] moet deze dimensie geleidelijk en transversaal in het leerproces worden geïntegreerd. Initiatieven en programma’s die o.m. gericht zijn op onderwijs over het milieu en duurzame ontwikkeling moeten worden aangemoedigd, ondersteund en ontwikkeld om de verspreiding en duurzaamheid ervan te bevorderen. Hetzelfde geldt voor de initiatieven die gericht zijn op de ontwikkeling van ecologisch burgerschap door kinderen aan te zetten tot actie, zorg en begrip voor de natuurlijke, sociale en economische omgeving.

3.2.3 De in sommige sectoren bestaande oplossingen versterken, ondersteunen en promoten

  • [39] Ten slotte zouden sommige oplossingen die werden geïdentificeerd in specifieke sectoren als voorbeeld kunnen dienen en kunnen worden toegepast op andere sectoren of, in sommige gevallen, zelfs op de hele economie, zoals bijvoorbeeld:
    • het opleiden en oprichten van een netwerk van onafhankelijke technische adviseurs (naar het voorbeeld van de landbouw) die de kmo’s van alle sectoren (bouw, scheikunde, vervoer enz.) begeleiden bij de keuze van koolstofarme technologieën;
    • de oprichting van een opleidingsrichting in “onderhoud voor een tweede leven” (naar het voorbeeld van de automobiel- en de elektronicasector) die de ‘klassieke’ onderhoudsopleidingen zou omvormen tot opleidingen in ‘preventief onderhoud en hergebruik’, om de levensduur van apparatuur te verlengen;
    • de invoering van een ‘buurtlogistiek’ dankzij AI (naar het voorbeeld van de vervoersector): dit houdt in dat digitale tools (AI, data) niet alleen worden ingezet voor financiële prestaties, maar ook voor energie- en milieuzuinigheid. Dit houdt met name in dat de werknemers worden opgeleid voor het optimaliseren van de stromen van hulpbronnen (grondstoffen, afvalstoffen, energie).

3.3 De governance op meerdere niveaus verbeteren en de coördinatie en samenwerking tussen de belanghebbenden versterken, zonder dat dit tot concurrentie leidt

  • [40] Een succesvolle transitie voor alle actoren (de staat, de burgers, de werknemers en de ondernemingen) vereist een versterkte coördinatie en samenwerking tussen de bestuursniveaus en alle belanghebbenden, zonder dat dit tot concurrentie leidt. Dit is een essentieel element voor de opbouw van een coherent en doeltreffend ecosysteem.
  • [41] Concreet houdt dit in dat de inspanningen moeten worden afgestemd tussen het federale niveau – dat belast is met de vaststelling van de klimaatdoelstellingen, de evaluatie van de federale en interregionale coördinatie en samenwerking, het toezicht op het niveau van uitvoering en de (ecologische, sociale en economische) impact van de maatregelen die zijn opgenomen in het Nationaal Klimaatplan via de Nationale Klimaatcommissie (NKC), en het activeren van fiscale en normatieve hefbomen – en het regionale niveau, dat verantwoordelijk is voor de tenuitvoerlegging van het werkgelegenheids- en opleidingsbeleid[14].
  • [42] Daartoe moeten de belanghebbende partijen op alle niveaus kunnen terugvallen op een samenhangende diagnose, plannen kunnen opstellen en concrete verbintenissen kunnen aangaan (cf. punt 1).
  • [43] De actoren die verantwoordelijk zijn voor het beleid inzake opleiding, begeleiding van personen en ondersteuning van ondernemingen moeten in staat zijn om zich de resultaten van de uitgevoerde studies en gestelde diagnoses daadwerkelijk eigen te maken. Zo niet bestaat het risico dat de eraan verbonden aanbevelingen nooit ten uitvoer worden gelegd.
  • [44] Er zou jaarlijks of tweejaarlijks een Interministeriële Conferentie Klimaat, Werkgelegenheid, Opleiding en Economie kunnen worden georganiseerd om de balans op te maken van de concrete verbintenissen die de verschillende bestuursniveaus en beleidsdomeinen hebben aangegaan en die voortvloeien uit het Nationaal Energie- en Klimaatplan (NEKP), om de uitvoering ervan te onderzoeken en de impact ervan te evalueren. De Raden zijn van mening dat een versterkte intra-Belgische coördinatie, zowel verticaal als horizontaal, onontbeerlijk is om de samenhang van het beleid te waarborgen en de toepassing van het wederkerigheidsbeginsel[15][16] mogelijk te maken. Dat zou ook de gelegenheid zijn om goede praktijken te delen en de ondervonden moeilijkheden in kaart te brengen.
  • [45] De actieve participatie van de sociale partners is eveneens een noodzakelijke voorwaarde voor het welslagen van een transitie die niemand achterlaat en die het concurrentievermogen van de economische actoren vrijwaart. Net als bij de tenuitvoerlegging van de Green Deal[17] achten de Raden het van essentieel belang dat er een stevige maatschappelijke consensus tot stand komt over de groene transitie en de wegen die moeten worden ingeslagen om deze te realiseren. De sociale dialoog moet integraal deel uitmaken van het institutionele kader voor beleidsvorming en -uitvoering op alle niveaus.
  • [46] De sociale partners beschikken immers over de nodige expertise en instrumenten – collectieve overeenkomsten, sectoriële opleidingsfondsen, overlegmechanismen binnen de ondernemingen – om de transformaties te begeleiden, op veranderingen te anticiperen en de impact ervan op de werkgelegenheid, de opleiding en de arbeidsorganisatie te beheren. Coördinatie tussen de bestuursniveaus en de naleving van de gesloten sociale akkoorden zijn onontbeerlijk om de samenhang en de aanvaardbaarheid van het beleid te waarborgen.
  • [47] De toepassing van een competentiegerichte aanpak vereist echter dat bepaalde partnerschappen worden hervormd, dat de samenwerking tussen belanghebbenden wordt versterkt en dat concrete verbintenissen formeel worden vastgelegd, zowel op nationaal, regionaal en sectorieel niveau als binnen de ondernemingen. Dit zou bijvoorbeeld kunnen gebeuren via samenwerkingsovereenkomsten tussen sectorfondsen om te anticiperen op de banen van de toekomst en daarin op te leiden, en om intersectoriële omscholingsmechanismen te ondersteunen.

3.4 De nodige investeringen voor de transitie realiseren

  • [48] Voorts vereist een succesvolle klimaattransitie aanzienlijke en duurzame investeringen, niet alleen in energie-infrastructuur en -uitrusting, maar ook in innovatie, opleiding en onderzoek. Investeringen in energie-efficiëntie hebben bijvoorbeeld positieve effecten op het concurrentievermogen van de ondernemingen, het beschikbaar inkomen van de huishoudens en de werkgelegenheid.
  • [49] De Raden benadrukken echter dat overheidsinvesteringen weliswaar noodzakelijk zijn, maar niet zullen volstaan: het inzetten van privékapitaal is onontbeerlijk. Dit vereist een stabiel, transparant en voorspelbaar juridisch en fiscaal kader dat rechtszekerheid voor investeerders garandeert. Door te investeren in concurrerende koolstofarme technologieën zou België niet alleen hoogwaardige banen kunnen creëren en behouden, maar ook industriële niches kunnen ontwikkelen en zijn concurrentiepositie op lange termijn kunnen versterken.

 

 

 

Referenties van de vermelde adviezen

– CRB 2023-2825 / NAR Advies nr. 2.392  – “Het prospectieve luik van het Belgisch voorzitterschap van de Europese Unie (EU-agenda 2024-2029)” – 12/12/2023

– CRB 2023-2500 / NAR Advies nr. 2.383 – “Werkgelegenheid, onderwijs en opleiding in het kader van de Conferentie voor een rechtvaardige transitie” – 07/11/2023

– CRB 2023-1375 / NAR Advies nr. 2.370 – “Belgisch voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie (1ste semester 2024) – Werkprogramma op het gebied van sociale zaken en werkgelegenheid” – 30/05/2023

– CRB 2019-1257 – “De uitdagingen van de Belgische economie – De energietransitie naar een koolstofarme economie, waarbij de bevoorradingszekerheid en concurrerende prijzen worden gewaarborgd” – 2019

– CRB 2019-0377 – “De uitdagingen van de Belgische economie – Een betere afstemming van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt” – 2019

– CRB 2010-0470 / NAR Advies nr. 1.727 – “Een geslaagde overgang naar een koolstofarme economie – Tweede advies over de thematiek van de groene jobs” – 16/03/2010

 

 

 

 

[1] “The sectoral impacts of the climate transition: focus on activity, employment and training”, Methodology, main learnings and considerations, December 2024 (van Climact en Idea Consult, in opdracht van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de voedselketen en Leefmilieu)

[2] CRB, Verslag Werkgelegenheid-Concurrentievermogen 2024

[3] Van 1 januari tot en met 30 juni 2024.

[4] WERKGELEGENHEIDSVOORUITZICHTEN VAN DE OESO 2024

[5]The sectoral impacts of the climate transition: focus on activity, employment and training”, Methodology, main learnings and considerations, December 2024 (van Climact en Idea Consult, in opdracht van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de voedselketen en Leefmilieu)

[6] Hoge Raad voor de Werkgelegenheid, De transitie naar een groenere arbeidsmarkt, februari 2025 (link)

[7] (Vert.) “Deze benadering houdt in dat de aanwervingspraktijken worden gewijzigd, waarbij meer nadruk wordt gelegd op competenties, vaardigheden en capaciteiten dan op formele kwalificaties. Op die manier worden kandidaten eerder beoordeeld op basis van de mate waarin hun competenties en vaardigheden aansluiten bij de aangeboden functie, dan op basis van hun diploma of vroegere beroepstitel” (European Commission, 2024, “The skills first approach – opportunities and risks”, blz. 2).

[8] Dankzij de EVC kunnen volwassenen die weer gaan studeren vrijstellingen, een lichter programma of toegang tot opleidingscycli krijgen zonder aan de formele academische voorwaarden te voldoen, door hun beroeps- en persoonlijke ervaring te laten erkennen.

[9] Een digitale badge wordt gedefinieerd als een “gevalideerde grafische weergave van een leerervaring – bijvoorbeeld deelname aan een cursus, seminar of workshop, of het verwerven van kennis, vaardigheden en competenties – al dan niet gepaard gaande met een certificering.” Cf. https://www.cedefop.europa.eu/fr/tools/vet-glossary/glossary/digitales-abzeichen-digitales-offenes-lernabzeichen.

[10] Cf. hoofdstuk 1 van de Europese Pijler van Sociale Rechten (The European Pillar of Social Rights)

[11] Dit effect verwijst hier naar het feit dat vooral personen met een hoger onderwijs- en kwalificatieniveau bijkomende opleidingen zullen krijgen.

[12] Met een systemische aanpak bedoelen de Raden een benadering die de drie pijlers van duurzaamheid – de milieu-, de economische en de sociale pijler – met elkaar verzoent volgens een logica van evenwicht tussen “Planet, Prosperity en People”.

[13] In de Fédération Wallonie-Bruxelles leggen de leerplannen voor de gemeenschappelijke pijler (‘tonc commun’) de inhoud en leerdoelen per jaar vast. Cf. http://www.enseignement.be/index.php?page=28590

[14] Ter herinnering: in een eerder gezamenlijk advies over de herziening van het Nationaal Energie- en Klimaatplan 2030 (CRB 2024-0640 en FRDO 2024a2) hadden de Raden in het kader van een coöperatief federalisme al gepleit voor de toepassing van het wederkerigheidsbeginsel, volgens hetwelk elk bestuursniveau ernaar streeft te handelen op een manier die de doeltreffendheid van alle andere bestuursniveaus versterkt.

[15] De Raden pleiten in hun CRB-advies 2026-0210 met name voor systematische raadplegingen van de verschillende bestuursniveaus, gezamenlijke effectbeoordelingen van de maatregelen en van de gemeenschappelijke indicatoren voor de opvolging van de nationale doelstellingen. De Raden nodigen ook het parlement uit om toe te zien op de samenhang tussen de Europese klimaatdoelstellingen en de op federaal niveau genomen maatregelen.

[16] Ter herinnering: in hun gezamenlijk advies over de herziening van het NEKP (Ibid. 2024, blz. 6) riepen de Raden er ook toe op om de bestaande instrumenten voor samenwerking en harmonisatie ten volle in te zetten, zowel op interfederaal niveau (bijvoorbeeld de Interministeriële Conferentie) als binnen elk bevoegdheidsniveau.

[17] Cf. gezamenlijk advies van de FRDO (nr. 2.392) en de CRB (CRB 2023-2825) met betrekking tot het prospectieve luik van het Belgisch voorzitterschap van de Europese unie (EU-agenda 2024-2029)

Opmerkingen, vragen of suggesties?