- Op vraag van de FOD Economie, in een brief van 30/06/2025
- Dit advies werd voorbereid door de werkgroep innovatieve economische modellen
- Samen met de CRB en de BRC Verbruik
- Goedgekeurd door de Algemene Vergadering via schriftelijke procedure op 02/04/2026
Advies (pdf)
Inbehandelingneming
Op initiatief van de minister van Economie, Werk en Landbouw organiseerde de FOD Economie op 30 juni 2025 een intersectorale raadpleging in het kader van de voorbereiding van het ontwerp van federaal actieplan voor een circulaire economie 2025-2029. Aan deze raadpleging namen de sectorfederaties, academici en vertegenwoordigers van de verschillende administraties en kabinetten deel. Ook het secretariaat van de CRB en dat van de FRDO werden op deze rondetafel uitgenodigd.
Tijdens deze raadplegingsronde stelde de FOD Economie de structuur voor van het toekomstige actieplan dat momenteel wordt voorbereid. Dit plan zal worden opgebouwd rond vijf strategische assen en drie transversale thema’s. Dit zijn de vijf strategische assen: Innovatie, concurrentievermogen en werkgelegenheid; beheer en terugwinning van materialen; informatie, bewustmaking en bescherming van de consument; regelgevingskader en uitvoering van de Europese wetgeving; fiscaliteit en financiering. De drie transversale thema’s zijn: monitoring, governance en communicatie.
Ter voorbereiding van deze raadpleging werden de Raden en de andere deelnemers uitgenodigd om een vragenlijst in te vullen over de vijf grote strategische assen van het actieplan. Voor elke as werd gevraagd om de belangrijkste belemmeringen, hefbomen en concrete voorstellen of acties aan te duiden die aan de circulaire transitie kunnen bijdragen.
Het dagelijks bestuur van de CRB (tijdens de vergadering van 18 juni 2025) en dat van de FRDO (via schriftelijke procedure op 23 juni 2025 hebben beslist om op eigen initiatief deze vragenlijst in behandeling te nemen en er in de vorm van een advies op te reageren, volgens de vastgestelde procedures. Het onderstaande advies van de CRB, de brc Verbruik en de FRDO (hierna: de adviesorganen) is een antwoord op die beslissing.
Dit advies werd opgesteld door de subcommissie “Circulaire economie” van de CRB, de subcommissie “Leefmilieu” van de brc ‘Verbruik’ en de werkgroep “Innovatieve economische modellen” van de FRDO. Het werd op 2 april 2026 goedgekeurd in de plenaire vergaderingen van de CRB, de FRDO en de brc Verbruik.
Dit advies vormt een aanvulling op het advies “Oproep voor een ambitieus federaal actieplan circulaire economie” (CRB, 2026), dat op 21 januari 2026 door de adviesraden (CRB, FRDO en de brc Verbruik) werd gepubliceerd in het kader van de voorbereiding van het federaal actieplan voor de circulaire economie. De adviesraden hebben beslist om op voorhand een aantal aandachtspunten mee te geven in verband met het federaal actieplan voor de circulaire economie, om zo de hen meegedeelde deadline voor de afronding van het ontwerp van federaal actieplan (namelijk in de loop van februari) te kunnen respecteren. Dit meer gedetailleerde advies onderbouwt de aandachtspunten die naar voren zijn gebracht in het advies “Oproep voor een ambitieus federaal actieplan circulaire economie” (CRB, 2026) en kan helpen om het ontwerpplan nog bij te schaven vóór de definitieve goedkeuring van het federaal actieplan circulaire economie.
Advies
- [1] De adviesorganen benadrukken al jaren het belang van de circulaire economie, zowel op economisch als op maatschappelijk vlak. Het gaat om een model voor economische ontwikkeling dat kan helpen om een antwoord te bieden op verschillende maatschappelijke uitdagingen, zoals de schaarste aan grondstoffen[1], de aantasting van natuurlijke hulpbronnen, de achteruitgang van de biodiversiteit en de klimaatverandering, en dat ook tal van kansen biedt op het vlak van innovatie, het creëren van toegevoegde waarde en lokale werkgelegenheid. Volgens de Europese Commissie zou de Europese markt voor recyclage, hergebruik en refurbishing tegen 2030 een omvang van 100 miljard euro kunnen bereiken en 500 000 banen kunnen opleveren. De circulaire economie zou Europese bedrijven tussen 250 en 465 miljard euro per jaar aan grondstofkosten kunnen besparen en tegelijkertijd de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen met tot 39% kunnen verminderen. De transitie kan bovendien leiden tot de ontwikkeling van nieuwe (circulaire) activiteiten met bijhorende jobs en toegevoegde waardecreatie en zorgt – niet onbelangrijk in de huidige geopolitieke context – voor minder afhankelijkheid van import van grondstoffen. In 2019 was 7,5% van de jobs (ofwel 80 000 directe en indirecte jobs) in België verbonden met de circulaire economie (FRB & Circle Economy, 2019).
- [2] De transitie naar een circulaire economie is een belangrijke strategische kans voor België, dat al over een ruime expertise op het vlak van circulair ondernemen beschikt. België behoort tot de koplopers in Europa op het vlak van recyclage en het gebruik van secundaire materialen om aan de materiaalbehoeften van de economie te voldoen[2]. Op het vlak van hergebruik staat België bijvoorbeeld relatief goed gepositioneerd, met 25 % van de drankverpakkingen in herbruikbare verpakkingen, waaronder het statiegeldsysteem voor flessen (Global Data, 2022). België telt bovendien een aantal sterke spelers op het vlak van recyclage.
- [3] De circulaire economie beperkt zich niet tot recyclage en de resultaten van België zijn minder gunstig wat betreft de hoeveelheid afval[3] en materialen, die beide toenemen. Tussen 2016 en 2022 is de productie van stedelijk afval per inwoner met 65% gestegen (van 419 naar 690 kg). In dezelfde periode vertoont ook de totale materialenvoetafdruk[4] een duidelijke stijgende trend, van 151,7 naar 185,6 miljoen ton materialen (ofwel + 17%). Over het algemeen domineert het lineaire model nog steeds in ons land. Hoewel België op de goede weg is[5], is er nog veel werk aan de winkel en is er nog een lange weg te gaan voordat het een echte circulaire economie wordt. Volgens de adviesorganen is afwachten geen optie. Temeer omdat België na Luxemburg en Nederland het derde land van de EU is dat het meest afhankelijk is van de invoer van materialen (75,8% in 2024). In dit kader bestaat, onder meer voor huishoudelijke verpakkingen, de verplichting voor Fost Plus om tussen eind 2023 en eind 2029 het marktaandeel van hergebruik met 5% te verhogen en het aantal wegwerpverpakkingen in dezelfde periode met 5% te verminderen (Accreditatie Fost Plus, februari 2024).
- [4] De adviesorganen staan dan ook zeer positief tegenover de lancering van een nieuw federaal actieplan. Dit plan moet België in staat stellen om dit thema grondig aan te pakken en de kansen van de circulaire economie ten volle te benutten. Volgens de adviesorganen moet een efficiënte circulaire economie ook een motor zijn voor het Belgische herstelbeleid. Bovendien stellen de adviesorganen met tevredenheid vast dat de structuur van het ontwerp van het federaal actieplan voor de circulaire economie 2025-2029, opgesteld door de FOD Economie, rekening houdt met de aanbevelingen die zij in hun gezamenlijke adviezen van 6 december 2024[6] en 19 februari 2025[7] hebben geformuleerd. De vijf strategische pijlers en de drie transversale thema’s weerspiegelen namelijk de elementen uit deze twee adviezen.
- [5] De adviesorganen betreuren echter dat de bijdragen voor de raadpleging van 30 juni 2025 slechts bij één deel van de leden van de sociale en maatschappelijke overlegorganen zijn verzameld. In dit verband wijzen zij op het belang en de diversiteit van de sociale en maatschappelijke overlegorganen, alsook op de noodzaak om rekening te houden met de bestaande sociale en maatschappelijke overlegorganen (in dit geval de CRB, de FRDO en de sectorale brc’s). Deze organen bieden een reële meerwaarde voor de beleidsmaatregelen die door de beleidsmakers moeten worden uitgevoerd. Een structurele samenwerking met deze organen heeft als voordeel dat de voorstellen voor beleidsmaatregelen worden getoetst aan de realiteit op het terrein en dat het draagvlak voor het actieplan wordt versterkt, wat belangrijk is voor een succesvolle implementatie ervan. Daarom willen de adviesorganen betrokken blijven bij de uitwerking, opvolging en evaluatie van het actieplan voor de circulaire economie. Zij wijzen er echter op dat enerzijds rekening moet worden gehouden met hun werkwijze en anderzijds dat het zoeken naar consensus overleg en dus tijd vergt. Zowel voor de adviesorganen als voor de administraties is het belangrijk dat de raadpleging in een zo vroeg mogelijk stadium van het proces plaatsvindt.
- [6] Bovendien benadrukken de adviesorganen dat het federale actieplan voor een circulaire economie 2025-2029 moet passen in een duidelijke interfederale strategische visie, die van tevoren met alle beleidsniveaus is vastgesteld, om de samenhang van de maatregelen en de afstemming ervan op de Europese en regionale doelstellingen te waarborgen. Ze verwijzen hier naar het “Het ontwerp van Belgische geïntegreerde visie op circulaire economie als motor voor economische groei en veerkracht” opgesteld door het intra-Belgisch platform voor de circulaire economie, en naar het advies dat ze daaromtrent hebben gepubliceerd (CRB & FRDO, 2025).
- [7] Alvorens tot de kern van de zaak te komen, is het belangrijk om de termen “hergebruik” en “herbestemming”[8] te verduidelijken om misverstanden te voorkomen. Hergebruik verwijst naar elke handeling waarbij stoffen, materialen of producten die geen afval zijn, opnieuw worden gebruikt. Dit gebruik is bestemd voor een identiek doel als dat waarvoor de producten oorspronkelijk zijn ontworpen. Herbestemming is een handeling waarbij stoffen, materialen of producten, die afval zijn geworden, opnieuw worden gebruikt. Dit gebruik kan een ander doel hebben dan waarvoor de producten oorspronkelijk waren bestemd. Het verschil tussen hergebruik en herbestemming hangt dus samen met het beoogde gebruik en met de status van het desbetreffende voorwerp. Herbestemming heeft dus betrekking op afval, terwijl het voorwerp bij hergebruik nog in werkende staat kan zijn.
1. Transversale assen
- [8] In dit deel van het advies willen de adviesorganen de belangrijkste elementen in herinnering brengen die in elk van de drie transversale assen van het toekomstige federale actieplan voor de circulaire economie 2025-2029 moeten terugkomen. Deze elementen worden gedetailleerd beschreven in hun eerdere adviezen (CRB & FRDO, 2025; CRB & FRDO, 2024).
1.1 Governance en intra-Belgische samenwerking
- [9] De adviesorganen vinden het positief dat het intra-Belgisch Platform voor circulaire economie wordt versterkt, en dat voor de versterking ervan niet enkel zal worden ingezet op eigen middelen en mensen voor het platform, maar dat ook de expertise die aanwezig is bij de verschillende entiteiten beschikbaar wordt gesteld. Dit platform speelt ook een essentiële rol om de gewesten nader tot elkaar te brengen en de samenwerking tussen de gewesten en het federale niveau te versterken, met het oog op de totstandkoming van een eengemaakte Belgische markt. Het is inderdaad belangrijk dat de middelen die ter beschikking worden gesteld aan dit platform in overeenstemming zijn met zijn versterkt mandaat (CRB & FRDO, 2025, §4).
- [10] Zij zijn echter van mening dat de coördinatie binnen België (CRB & FRDO, 2024) verder moet worden versterkt, met name de coördinatie van de initiatieven voor een circulaire economie die door de verschillende regeringen, en zelfs door de verschillende administraties binnen dezelfde regering, worden genomen. Parallel aan de raadpleging over het federale actieplan die op 30 juni 2025 door minister Clarinval werd georganiseerd, vonden op 21 mei en 16 juli bijvoorbeeld twee rondetafelgesprekken over hergebruik en de circulaire economie[9] plaats, georganiseerd door minister Crucke. Bovendien blijft het actieplan federaal, terwijl het cruciaal is om te streven naar een interfederaal, geïntegreerd en coherent actieplan dat de bevoegdheidsverdeling respecteert en rekening houdt met de sociaaleconomische specifieke kenmerken van elk gewest. Voor het opstellen van een dergelijk plan is namelijk een transversale aanpak nodig waarbij de verschillende administraties en beleidscellen van de betrokken ministeriële kabinetten op de verschillende bevoegdheidsniveaus worden betrokken.
- [11] In afwachting van een geïntegreerd interfederaal actieplan pleiten de adviesorganen voor de toepassing van het wederkerigheidsbeginsel, waarbij de maatregelen die de verschillende bevoegdheidsniveaus nemen elkaar zouden moeten aanvullen en versterken (CRB & FRDO, 2024, §10).
- [12] Naast een versterkte coördinatie binnen België pleiten de adviesorganen voor een versterkte coördinatie met de Europese Unie (EU). De belangrijkste beleidsimpulsen inzake circulaire economie komen immers van dit niveau (CRB & FRDO, 2024, §11). De adviesorganen moedigen de regeringen en administraties aan om zich ten volle te engageren in de Europese processen om daar nieuwe voorstellen te doen, daar invloedrijk te zijn en daar impact te hebben. Dat impliceert dat België met één stem moet spreken. De standpunten van België over de dossiers (wetgevingsinitiatieven) inzake circulaire economie die in het kader van het Europese besluitvormingsproces worden verdedigd, zouden binnen het intra-Belgische platform kunnen worden voorbereid. Voorts vragen de adviesorganen dat prioriteit wordt gegeven aan de implementatie (omzetting in nationaal recht) van de Europese wetgeving inzake circulaire economie, binnen de toegemeten termijn. Concrete voorbeelden hiervan worden uitgewerkt in de aanbevelingen die in de strategische assen zijn opgenomen.
1.2 Monitoring en evaluatie
- [13] Het federale actieplan voor een circulaire economie 2025-2029 hoeft niet van scratch af aan opnieuw te worden opgesteld. Het moet daarentegen aansluiten bij de geïntegreerde Belgische visie op de circulaire economie en voortbouwen op het vorige actieplan 2021-2024: de impact van de genomen maatregelen evalueren, ze aanpassen om de beoogde doelstellingen te bereiken en er nieuwe ambitieuze acties aan toevoegen. Volgens de adviesorganen zou elke actie die in het actieplan wordt opgenomen gepaard moeten gaan met een SMART doelstelling (specifiek, meetbaar, haalbaar, realistisch en tijdelijk omlijnd) en met een tijdschema voor de uitvoering ervan (CRB & FRDO, 2024, §19).
- [14] De adviesorganen wijzen ook op het belang van het vaststellen van ambitieuze doelstellingen op Europees niveau, met inachtneming van de hiërarchie in het beheer van hulpbronnen zoals vastgelegd in de Ladder van Lansink[10]. De vastgestelde doelstellingen mogen niet beperkt blijven tot recyclage, maar moeten ook betrekking hebben op preventie en hergebruik van grondstoffen/afval. Bovendien boeken sommige sectoren meer vooruitgang dan andere, zowel op het gebied van recyclage als van herbestemming. Deze Europese doelstellingen moeten dus per sector en/of per productsoort worden gedefinieerd en gefaseerd.
- [15] In dit kader is het belangrijk dat België, als een van de Europese pioniers op het gebied van de circulaire economie, deelneemt aan de Europese discussies en een voorbeeldfunctie vervult op het gebied van de doelstellingen voor de circulaire economie, zijn sterke punten in de verf zet en ervoor zorgt dat ambitieuze doelstellingen worden vastgesteld (of dat de doelstellingen in geen geval naar beneden worden bijgesteld). Deze discussies kunnen met name plaatsvinden in het kader van de door de Europese Commissie (EC) aangekondigde “Circular Economy Act”[11]. België moet zich, sterk door zijn specifieke positie, blijven positioneren als een van de belangrijkste Europese pioniers in de ontwikkeling van een circulaire economie, en andere landen inspireren.
- [16] In dezelfde geest is een van de belangrijkste uitdagingen het meten en vergelijken van de vooruitgang (met name per sector) die de lidstaten, waaronder België, boeken op het gebied van de circulaire economie (waaronder hun bijdrage aan de vermindering van de materiaal- en consumptievoetafdruk). Volgens de adviesorganen is het dan ook van cruciaal belang dat België actief deelneemt aan en invloed uitoefent op de discussies over de opname van de indicatoren van het kader voor de monitoring van de “Circular Economy Act”. Dit zal zorgen voor samenhang tussen dit Europese monitoringkader en dat van het federale actieplan voor de circulaire economie, waardoor de doeltreffendheid en de helderheid van die beleidsmaatregelen worden versterkt.
- [17] Ten slotte benadrukken de adviesorganen het belang van een effectieve uitvoering van de maatregelen die in het toekomstige actieplan zijn opgenomen. Daarom vragen ze een betere monitoring van de vorderingen die inzake circulaire economie worden geboekt en een evaluatie van de impact van het actieplan (CRB & FRDO, 2024, §20). Op basis daarvan kan immers worden vastgesteld waar er in voorkomend geval nood is aan bijsturing en/of aanvulling van de acties in het actieplan om de nagestreefde doelstellingen te bereiken. Het is ook belangrijk dat het actieplan moet kunnen evolueren en worden aangepast om in samenhang te blijven met het toekomstige werkprogramma “Circulaire economie” van de Europese Commissie (CRB & FRDO, 2024, §16).
1.3 Communicatie en bewustmaking
- [18] De adviesorganen zijn van oordeel dat er moet worden ingezet op het vergroten van kennis en bewustmaking van burgers en bedrijven van het belang van duurzame productie- en consumptiepatronen (CRB & FRDO, 2025, §14). Ze zijn van mening dat de voorlichtings- en communicatiecampagnes (waarin de ontwerpvisie voorziet) dit kunnen bevorderen, maar niet zullen volstaan. Ook het onderwijs en voortgezette vormingsinitiatieven (en ruimer, het pedagogische kader) hebben hierbij een belangrijke rol te vervullen. Meer concrete aanbevelingen in dit verband worden uiteengezet in punt 3.1 van dit advies.
2. Concrete maatregelen per strategische as
- [19] De adviesorganen vragen dat de volgende elementen (waarvan sommige al in het verleden door de adviesorganen werden aanbevolen en/of tijdens de vorige legislatuur al werden bestudeerd) worden opgenomen in het nieuwe actieplan voor een circulaire economie.
- [20] Alvorens verder te gaan, benadrukken de adviesorganen dat het van cruciaal belang is ervoor te zorgen dat de uitvoering van deze maatregelen geen onevenredige administratieve lasten voor bedrijven[12], met name kmo’s, met zich meebrengt en evenmin afbreuk doet aan het concurrentievermogen van lokale producenten. Onnodige administratieve lasten moeten namelijk worden vermeden om innovatie, economische activiteit en het vermogen van de betrokkenen om effectief bij te dragen aan de transitie naar een circulaire economie niet te belemmeren.
2.1 Ondersteunen van bedrijven: innovatie, concurrentievermogen, werkgelegenheid
- [21] De circulaire economie is een essentiële hefboom voor welvaart en innovatie voor alle bedrijven, ook voor zko’s en kmo’s. De overgang naar een circulaire economie kan ook bedrijven, waaronder de Belgische industrie, ondersteunen door hun afhankelijkheid van invoer te verminderen. Opdat Belgische bedrijven, ongeacht hun omvang of sector, kunnen genieten van de kansen die de overgang naar een circulaire economie biedt, is het met name essentieel om een “level playing field” te garanderen, bijzondere aandacht te besteden aan de werknemers en de arbeidsmarkt en innovatie te stimuleren.
- [22] Bovendien benadrukken de adviesorganen dat innovatie, concurrentievermogen en werkgelegenheid transversale assen zijn van de transitie naar een circulaire economie. Zo zijn aanbevelingen om innovatie, werkgelegenheid en concurrentievermogen van Belgische bedrijven te stimuleren aanwezig in elk van de vijf strategische assen.
2.1.1 Het principe van een gelijk speelveld (“level playing field”) garanderen
- [23] De adviesorganen benadrukken dat de transitie naar een circulaire economie en de promotie van circulaire producten en bedrijfsmodellen alleen mogelijk zijn als alle actoren zich aan dezelfde regels houden en als deze regels effectief worden toegepast. Alle producten die op de Europese markt worden gebracht, moeten dus aan dezelfde regelgeving voldoen. In de praktijk wordt dit principe echter niet altijd nageleefd door bepaalde importeurs en andere actoren die producten op de Europese markt brengen. Dagelijks worden tal van producten op de Europese markt gebracht die niet voldoen aan de geldende regelgeving op economisch, sociaal en ecologisch vlak (zoals inzake de circulaire economie[13]) of op het vlak van de gezondheid/veiligheid van de consument. Dit komt met name doordat de controles die nodig zijn om de naleving van de regelgeving te controleren, momenteel ontoereikend zijn, hetzij omdat er een gebrek is aan personeel en technische middelen, hetzij omdat het volume van de producten die op de markt komen te groot is om een systematische controle mogelijk te maken. Dit leidt tot oneerlijke concurrentie, waarbij bepaalde producten aan de gestelde eisen ontsnappen, en wat ook de circulariteit van producten kan belemmeren.
- [24] Deze uitdaging op het gebied van een “level playing field” wordt nog versterkt door de steeds grotere toestroom van pakketten die rechtstreeks aan consumenten worden geleverd. Door deze toenemende toestroom in België, en meer in het algemeen in de EU, ontsnappen veel niet-conforme, gevaarlijke of kwalitatief slechte producten (met een korte en niet-duurzame levensduur, zie punt 2.2) vaak aan de btw, douanecontroles en productveiligheidsregels. Deze situatie versterkt het structurele nadeel voor Belgische en Europese handelaars, nog afgezien van het feit dat deze producten niet voldoen aan de Europese duurzaamheidsregels. Veel van deze producten zouden eigenlijk direct bij aankomst in ons land door de douane moeten worden vernietigd (CRB, 2025a). Zonder een doeltreffende en grensoverschrijdende toepassing van de Europese regelgeving zal elk circulair initiatief worden ondermijnd door de toestroom van lineaire, wegwerpbare en niet-duurzame producten via deze platforms buiten de EU.
- [25] De adviesorganen benadrukken ook het belang van het creëren van een “level playing field” tussen ‘circulaire’ producten en diensten en “niet-circulaire” producten en diensten uit de lineaire economie. Circulaire producten brengen namelijk vaak extra kosten met zich mee voor innovatie, aanpassing van processen of naleving van strengere milieunormen. Omgekeerd kunnen bepaalde “lineaire” producten en bepaalde ruwe grondstoffen genieten van kunstmatig laag gehouden prijzen, hetzij door subsidies voor fossiele brandstoffen, hetzij door een (gedeeltelijke)[14] niet-internalisering van de milieukosten (of een combinatie van beide). Circulaire bedrijven dragen dus geïntegreerde milieukosten die lineaire modellen in bepaalde gevallen kunnen externaliseren.
- Aanbeveling 1. De toepassing van het principe van een gelijk speelveld op de Europese agenda blijven plaatsen
- [26] De adviesorganen vragen ook dat België de toepassing van het principe van een gelijk speelveld (“level playing field”) op de Europese agenda blijft plaatsen. Europese en niet-Europese handelaars moeten aan dezelfde regels en controles worden onderworpen. Dit geldt voor alle Europese regelgeving, ongeacht of deze rechtstreeks verband houdt met de circulaire economie (ecodesign, REACH, misleidende milieuclaims, enz.) of niet.
- [27] Zij benadrukken dan ook dat dezelfde controle- en handhavingsmechanismen moeten gelden voor producten die van buiten de EU afkomstig zijn en rechtstreeks naar de consument worden verzonden. Om eerlijke concurrentievoorwaarden te garanderen, vragen de adviesorganen met name om een versterking van de middelen (vooral personeel) ter beschikking van de verschillende administraties die belast zijn met het toezicht op en de controle van producten die op de markt worden gebracht (inkomende producten): douanecontroles, Economische Inspectie, de diensten “Reglementering” en “Veiligheid van producten” van de FOD Economie, en de milieu-inspectie van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu.
- [28] Daarnaast stellen de adviesorganen concrete maatregelen voor om de doeltreffendheid van de controles te verbeteren:
- – Investeren in opleiding en bijscholing van overheidspersoneel (douane, inspectiediensten, enz.) om de doeltreffendheid van de controles te vergroten;
- – Investeren in geschikte meetinstrumenten om de meest relevante controles uit te voeren (bijvoorbeeld valproeven voor smartphones);
- – Een coördinatieforum oprichten voor de uitvoering, waar autoriteiten en industrie elkaar ontmoeten, om praktische richtlijnen voor conformiteit en toezicht te ontwikkelen.
- [29] Wat betreft het markttoezicht op e-commerce is er bijzondere aandacht nodig voor die ondernemingen en activiteiten die moeilijk te controleren zijn en te vaak de dans ontspringen, waaronder niet-EU online retailers en marktplaatsen die niet-EU handelaren hosten (CRB & FRDO, 2025, §9). In dit verband verwijzen de adviesorganen naar de concrete aanbevelingen in het gezamenlijke advies “Werk maken van een efficiënte en effectieve controle van e-commerce-importstromen” van de brc “Postdiensten en E-commerce” en “Distributie”, gepubliceerd in juli 2025 (CRB, 2025a).
- [30] De adviesorganen benadrukken dat de verantwoordelijkheid voor het waarborgen van een gelijk speelveld niet alleen bij de overheidsdiensten ligt (hetzij via de douane, hetzij via andere inspectiediensten). Het gelijke speelveld kan ook worden verbeterd door de zorgvuldigheidsplicht te versterken, met name in de bedrijven.
- [31] Bovendien moet ervoor worden gezorgd dat de regels op een eerlijke manier worden toegepast en dat uitzonderingen worden vermeden die vaak alleen ten goede komen aan grote bedrijven.
- Aanbeveling 2. Prijssignalen corrigeren die circulariteit benadelen
- [32] Om weer een gelijk speelveld (“level playing field”) te creëren, moeten prijssignalen die circulariteit benadelen worden gecorrigeerd. Daarom moet op EU-niveau worden gepleit voor:
- – Een wijziging van bijlage III bij de btw-richtlijn om de lidstaten in staat te stellen verlaagde btw-tarieven toe te passen op diensten en producten in verband met de circulaire economie waarvan de “verificatie” nu al kan worden gegarandeerd, d.w.z. diensten en producten in verband met reparatie en onderhoud (textiel, huishoudelijke apparaten, IT, fietsen, auto’s, enz.), hergebruik en tweedehandsartikelen (textiel, meubilair, elektronica enz.) en refurbishing/upcycling (met name IT, meubilair, bouwmaterialen);
- – Een analyse maken van andere hefbomen die moeten worden geactiveerd om ecodesign, producten die zijn gemaakt van gerecycleerde materialen of producten die worden gebruikt in de functionaliteitseconomie te bevorderen;
- – De ecomodulatie (cf. §58[15]) van de bijdragen op basis van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (UPV) versterken in functie van de werkelijke duurzaamheid, repareerbaarheid en recycleerbaarheid van producten;
- – Fiscale neutraliteit tussen ruwe en gerecycleerde materialen, zodat het gebruik van gerecycleerde materialen niet wordt benadeeld;
- – Fiscale stimulansen voor circulaire investeringen.
- [33] Het gaat er niet om subsidies te verstrekken, maar om de prijzen op elkaar af te stemmen. De keuze voor circulariteit moet een economisch rationele keuze worden die budgettair houdbaar is voor de federale overheid.
2.1.2 Bijzondere aandacht besteden aan de werknemers en de arbeidsmarkt
- [34] De adviesorganen vragen dat in het toekomstige actieplan aandacht wordt besteed aan de aspecten die betrekking hebben op (de transformatie van) de werkgelegenheid, het initiële onderwijs, de voortgezette opleiding, de omscholing van de werknemers, hun veiligheid en hun gezondheid (CRB & FRDO, 2024, §32). De transitie naar een circulaire economie zal op sociaaleconomisch vlak heel wat gevolgen hebben (bv. de verdwijning van sommige activiteiten die door nieuwe zullen worden vervangen, de verschuiving van werk uit verdwijnende activiteiten naar nieuwe activiteiten, de diverse veranderingen in de vervaardiging en in de werkmethoden) (CRB & FRDO, 2024, §21). De studie “The sectoral impacts of the climate transition”, in opdracht van de FOD Leefmilieu (Climact & Idea Consult, 2024), benadrukt het belang van het aantrekkelijk maken van banen in de sleutelsectoren van de transitie, en geeft met name aan dat syndicalisering en het sluiten van cao’s in deze opkomende sectoren hieraan kunnen bijdragen.
- [35] Deze veranderingen zijn in bepaalde sectoren al merkbaar. Zo kent de sector van de terugwinning, tweedehandsartikelen en reparatie de afgelopen jaren een constante groei, gedreven door een veranderend consumentengedrag. Deze dynamiek gaat gepaard met een positieve verschuiving in de perceptie van het grote publiek ten aanzien van deze activiteiten. Deze positieve dynamiek brengt echter ook uitdagingen met zich mee. De sector kampt met een gebrek aan zichtbaarheid en een tekort aan geschoolde arbeidskrachten in verschillende beroepssectoren van de circulaire economie, zoals reparatie en hergebruik. Bovendien blijft het aanbod van opleidingen die zijn afgestemd op circulaire praktijken beperkt, wat de ontwikkeling en professionalisering van deze sectoren in de weg staat.
- [36] Deze inertie en het tekort aan gekwalificeerd personeel worden nog verergerd doordat ambachtelijke vaardigheden weinig erkenning krijgen en bepaalde beroepen geleidelijk verdwijnen door een gebrek aan adequate opleidingen.
- Aanbeveling 3. Het onderwijs- en opleidingsaanbod aanpassen
- [37] De adviesorganen zijn van oordeel dat het onderwijs- en opleidingsaanbod moet worden aangepast om de arbeidsmarkt voor te bereiden op een circulaire economie – wat tal van nieuwe profielen zal vereisen. Van de ene kant moeten de toekomstige werknemers (studenten en werkzoekenden) de nodige waarden en vaardigheden verwerven voor jobs in een circulaire economie. Van de andere kant moeten al de huidige werknemers zo worden opgeleid dat ze in een dergelijke economie kunnen blijven werken (CRB & FRDO, 2024, §32). Daartoe vragen de adviesorganen dat met de principes van de circulaire economie rekening wordt gehouden in initiatieven voor permanente vorming voor werknemers en werkzoekenden. Werknemers die hun job verliezen door de transitie naar een circulaire economie moeten ook begeleid en omgeschoold worden, zodat ze in een andere sector aan de slag kunnen. Er dient dan ook een omscholingsbeleid te worden uitgewerkt.
- [38] Meer in het algemeen zijn de overlegorganen van mening dat het onderwijs- en opleidingsaanbod moet zijn afgestemd op de vereisten van de klimaat- en ecologische transitie, waarvan de circulaire economie deel uitmaakt. Dit betekent dat dit aanbod moet worden ontwikkeld met een horizon op middellange- en lange termijn (2050), in functie van transitievooruitzichten en skills assessments van de verschillende sectoren. De sectorfondsen en sectorale vormingsinstellingen hebben hierin zeker een rol te spelen.
- [39] In België valt beroepsopleiding voornamelijk onder de bevoegdheid van de Gemeenschappen. Het federale niveau speelt echter ook een ondersteunende rol en biedt een kader voor beroepsopleiding. Het federale beleid ter ondersteuning van beroepsopleiding houdt onder meer de financiering van bepaalde opleidingen in en de bevordering van levenslang leren. Dit zijn allemaal federale beleidsmaatregelen die kunnen dienen als belangrijke hefboom ter ondersteuning van de circulaire economie.
- Aanbeveling 4. Inzetten op de aantrekkingskracht van de sector om (toekomstige) werknemers aan te trekken
- [40] Volgens de adviesorganen moeten de bevoegde autoriteiten via communicatiecampagnes inzetten op het positieve imago van de sector van de terugwinning, tweedehandsartikelen en reparatie om (toekomstige) werknemers voor de sector te interesseren. Dankzij dergelijke campagnes zullen deze beroepen ook beter bekend raken bij het grote publiek[16]. Een dergelijke strategie is onontbeerlijk om te kunnen voldoen aan de groeiende vraag naar reparatiediensten, die naar verwachting nog zal toenemen in het kader van het toekomstige Europese beleid inzake de circulaire economie (waaronder de “Circular Economy Act”).
- [41] De adviesorganen zijn van mening dat de sociale partners ook een belangrijke rol kunnen spelen bij het aantrekkelijk maken van deze beroepen, met name door deze sectoren te promoten, de sociale dialoog binnen de sector te versterken en collectieve overeenkomsten te sluiten.
- Aanbeveling 5. Competentieprofielen opstellen voor reparatieberoepen
- [42] Om (toekomstige) werknemers aan te trekken voor de reparatiesector en aan deze nieuwe vraag te kunnen voldoen, vinden de adviesorganen het belangrijk om reparatieberoepen dezelfde professionele erkenning te geven als meer gevestigde technische beroepen (loodgieters, elektriciens, mecaniciens, enz.). Daartoe vragen zij de bevoegde autoriteiten om, in samenwerking met de actoren op het terrein, eerst competentiereferentiekaders voor reparatieberoepen vast te stellen. In een eerste fase kunnen de overheidsinstanties zich op deze referentiekaders baseren om opleidingen te ontwikkelen die zijn aangepast aan de realiteit op het terrein. Met een duidelijk referentiekader zal het voor een werknemer ook gemakkelijker zijn om zijn ervaring te valideren. In een tweede fase kan worden onderzocht of het mogelijk is om op basis van deze referentiekaders de deur open te zetten voor wettelijke erkenning.
- Aanbeveling 6. Toezien op de veiligheid van personen en op de bescherming van het leefmilieu.
- [43] De adviesorganen wijzen erop dat de veiligheid van personen (burgers en werknemers) en de bescherming van het leefmilieu basisprincipes zijn die in alle initiatieven m.b.t. de circulaire economie in aanmerking moeten worden genomen. Het is belangrijk dat de bepalingen uit de Codex over welzijn op het werk van 28 april 2017 te allen tijde worden gerespecteerd en dat ze zo nodig worden aangepast (CRB & FRDO, 2024, §33).
2.1.3 Innovatie op het gebied van circulaire economie stimuleren
- [44] België beschikt over een grote (technologische) expertise op het gebied van circulaire economie en behoort vandaag tot de koplopers in Europa op het vlak van recyclage en circulair gebruik van materialen. Voor de adviesorganen is het belangrijk dat ons land deze positie kan behouden en versterken (met name door onderzoek en ontwikkeling te ondersteunen). In dit verband vragen de adviesorganen om extra aandacht te besteden aan de inzameling en recyclage van kritieke metalen. De digitale transitie en de energietransitie zorgen namelijk voor een sterke vraag naar deze grondstoffen (CRB & FRDO, 2021, §11).
- [45] Bovendien herinneren de adviesorganen eraan dat innovatie verder gaat dan technologische innovatie op het gebied van recyclage (CRB, 2016, p.10). Er is ook sprake van nieuwe economische modellen (zoals product-dienstcombinaties, deelplatforms, functionele economie, bulkverkoop, hergebruik van verpakkingen, enz.), organisatorische innovatie, sociale innovatie, penetratie van nieuwe markten (enz.), ongeacht de technologische intensiteit van de bedrijven. Deze vormen van innovatie, die kunnen plaatsvinden in bedrijven waarvan de “core business” niet recyclage is, moeten prioritair worden gestimuleerd om waardeverlies te voorkomen (zie Ladder van Lansink). Tot de kernactiviteiten behoren (niet-uitputtende lijst): afvalpreventie, hergebruik van verpakkingen, deeleconomie, reparatie, renovatie en hoogwaardige recyclage.
- Aanbeveling 7. Een regelgevend kader dat duidelijkheid en rechtszekerheid biedt
- [46] Investeringen in innovatie zullen pas gebeuren indien de verwachte opbrengst voldoende groot is. Verschillende elementen die besproken worden in de assen hieronder hebben hierop een invloed en zijn dus van belang voor innovatie. In dit verband moet worden opgemerkt dat bepaalde investeringen op korte termijn niet rendabel zijn en dat het belangrijk is om circulaire modellen de tijd te geven om zich te ontwikkelen. Zo kunnen bedrijven in de sector van hergebruik op korte termijn weinig rendabel zijn, omdat ze eerst hun bedrijfsactiviteiten moeten uitbreiden voordat ze van schaalvoordelen kunnen profiteren. Ook het milieuvoordeel moet in de afweging worden meegenomen; puur financieel gewin mag niet het enige zijn dat telt.
- [47] Maar ook een duidelijk en rechtszeker regelgevend kader is cruciaal voor innovatie. Op dit moment is hierover heel wat onduidelijkheid en leeft de vraag of de vooropgestelde doelstellingen niet zullen afgezwakt worden. Dit maakt het voor bedrijven moeilijk om een inschatting te maken van de verwachte opbrengst van investeringen in innovatie en vormt op die manier een belangrijke rem op innovatie. Het is belangrijk dat er zo snel mogelijk duidelijkheid komt; zolang dit niet gebeurt, zal de circulaire trein niet vertrekken. Daarom roepen de adviesorganen de Belgische autoriteiten op ervoor te zorgen dat het omnibus-milieuwetgevingspakket dat momenteel op Europees niveau wordt besproken, niet in tegenspraak is met of geen afbreuk doet aan de ambitieuze doelstellingen die België zich op het gebied van de circulaire economie heeft gesteld.
- Aanbeveling 8. Gerichte steun voor circulaire innovatie versterken
- [48] De Raden pleiten, naast het bottom-up innovatiebeleid, voor een sterkere sturing van het innovatiebeleid in de richting van een circulaire economie (mission oriented innovatiebeleid). De transitie naar een circulaire economie zou kunnen versterkt worden via gerichte projectoproepen.
- Aanbeveling 9. Meer interregionale samenwerking en inschakeling in Europese initiatieven
- [49] Het is tevens belangrijk om te bekijken hoe Belgische bedrijven zich nog beter kunnen inschrijven in Europese projecten rond circulaire economie, in het bijzonder in de creatie van “Trans-Regional Circularity Hubs”, zoals aangekondigd in de “Clean Industrial Act”. Bedrijven moeten nog beter (en meer proactief) begeleid worden bij het aanvragen voor Europese steun (bv. in het kader van Horizon Europe) en gestimuleerd worden om zich in te schakelen in Europese initiatieven op het vlak van circulaire economie.
- [50] Er moet opgevolgd worden wat er op Europees niveau beweegt op dit terrein, zoals bv. het voorstel van het JEF-IPCEI om te beginnen met de voorbereiding en uitwerking van een IPCEI rond circulaire geavanceerde materialen voor schone technologieën. Interregionale samenwerking en informatiedeling op dit vlak kan nuttig zijn. Daarnaast moet ook bekeken worden hoe België een grotere impact kan hebben op de inhoud van deze programma’s, rekening houdend met onze economische sterktes. Ook op dit vlak is een sterkere samenwerking nodig tussen de verschillende beleidsniveaus om de positie van België op Europees niveau te versterken. In dit verband is het met name belangrijk om de nadruk te leggen op projectoproepen en kennisuitwisseling over de taalgrenzen heen (zie bijvoorbeeld “Interpool”[17] en “Consortium Horizon”[18]).
- [51] De federale overheid moet een faciliterende rol spelen om interregionale ambities te ondersteunen, met name op het gebied van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (UPV). Dit kan met name door middel van de productnormen en de fiscaliteit (cf. punt 5).
2.2 Het bestaande beleid inzake materiaalrecuperatie versterken
- [52] Europa moet zijn inspanningen concentreren op de top van de Ladder van Lansink (preventie, hergebruik, reparatie) en niet alleen op recyclage, dat een laatste redmiddel blijft. Daar liggen de grootste economische en ecologische voordelen. De “Circular Economy Act” moet het overheidsbeleid dus sturen in de richting van de voorafgaande fasen van de circulaire economie, door een duidelijk stimulerend kader te creëren, lokale economische modellen te ondersteunen en praktijken te bevorderen die afvalpreventie vanaf het ontwerpstadium bevorderen. De Europese Unie heeft een structurerende rol te spelen: door bindende doelstellingen op het gebied van preventie vast te stellen, door infrastructuur voor hergebruik en reparatie te financieren, …
- [53] Zoals hierboven vermeld, bereidt de EU haar “Circular Economy Act” voor, die naar verwachting rond 2026 zal worden aangenomen en die tot doel heeft een interne markt voor secundaire grondstoffen tot stand te brengen, het aanbod van hoogwaardige gerecycleerde materialen te vergroten en de vraag naar deze materialen binnen de EU te stimuleren. Het doel dat de Europese Commissie in dit kader heeft aangekondigd (maar nog moet worden bevestigd) is dat 24 % van de materialen tegen 2030 circulair zou zijn[19]. Hoewel België goed presteert op het gebied van recyclage en al jaren inspanningen levert op het gebied van preventie (met name via de preventieplannen voor verpakkingen), moet er nog veel vooruitgang worden geboekt op het gebied van preventie en hergebruik/herbestemming van hulpbronnen. Volgens de adviesorganen is het dan ook van essentieel belang dat de overheid, in overleg met alle betrokken partijen, op Europees niveau ambitieuze voorwaarden creëert, met name in het kader van de “Circular Economy Act”, om materialen op grote schaal terug te winnen met het oog op herbestemming en recyclage. In dit verband is het belangrijk om niet te overreguleren (“goldplating”) en de gecoördineerde initiatieven tussen de verschillende beleidsniveaus te versterken. Niettemin moet België, waar het Europese kader dit expliciet toestaat, een voorbeeldfunctie vervullen en zich ambitieus opstellen om aan de top van een “Circulair Europa” te blijven staan. België heeft namelijk een comparatief voordeel ten opzichte van andere lidstaten op bepaalde gebieden van de circulaire economie. Het behoud van dit voordeel is belangrijk voor het concurrentievermogen van het Belgische economische weefsel. Zo kunnen we “kampioenen” creëren die kunnen worden uitgezet in het buitenland en marktleiders kunnen worden op de Europese markt.
2.2.1 Ecodesign en verlenging van de levensduur van producten
- [54] De transitie naar een circulaire economie vergt veranderingen over de ganse waardeketen, waaronder ook veranderingen in het design van producten (CRB & FRDO, 2024, §48). In de ogen van de adviesorganen is ecodesign (ecologisch ontwerp), dat o.a. tot doel heeft de milieu-impact van producten te verminderen over hun ganse levenscyclus, van primordiaal belang. Ecodesign is belangrijk opdat een product gemakkelijk te demonteren, herstellen, herbestemmen, hergebruiken en recycleren is. Hoewel er steeds meer aandacht is voor ecodesign bij producten die op de Europese markt worden gebracht, gebeurt dit nog niet systematisch. Dit komt met name doordat slechts bepaalde productcategorieën (31 productgroepen) onder de richtlijn inzake ecologisch ontwerp van 2009 (EU 2009/125) vielen. De verordening inzake ecologisch ontwerp (ESPR), die in juni 2024 werd aangenomen (EU 2024/1781)[20] breidde het toepassingsgebied van bovenvermelde richtlijn uit en is van toepassing op alle fysieke goederen die in de handel worden gebracht of in gebruik worden genomen, met inbegrip van onderdelen en tussenproducten, behalve enkele uitzonderingen die in art.1, §2[21] vermeld staan. De uitbreiding naar verschillende producten en sectoren zal geleidelijk worden doorgevoerd.
- Aanbeveling 10. Actieve deelname aan de Europese discussies over het werkplan inzake ecodesign
- [55] De adviesorganen vinden het cruciaal dat ecodesign als voorafgaande vereiste voor het in handel brengen van producten wordt geïntegreerd, met prioriteit voor de hiërarchie van de Ladder van Lansink. Hergebruik, herstelbaarheid, vervanging van defecte onderdelen en upgradability moeten worden vergemakkelijkt om de levensduur van producten te verlengen. De Europese wetgeving inzake ecologisch ontwerp (EU) 2024/1781, die een kader vaststelt voor het vastleggen van vereisten op het gebied van ecodesign voor duurzame producten, vormt het uitgangspunt. Ecologisch ontwerp moet ook zo worden opgevat dat het gebruik van hulpbronnen wordt voorkomen (preventie) en verminderd en dat deze in de eerste plaats worden hergebruikt/herbestemd, en dat recyclage weer de plaats krijgt die het toekomt, zoals wordt aangegeven in de Ladder van Lansink.
- [56] In dit kader achten de adviesorganen het belangrijk om stap voor stap te werk te gaan en producten te identificeren waarvoor ecodesign een echte meerwaarde kan hebben op basis van hun potentiële positieve milieueffecten, hun impact op de waardeketens en hun economisch gewicht. In dit verband steunen zij het werkplan 2025-2030 van de Europese Commissie voor het ecologisch ontwerp van duurzame producten[22] en benadrukken zij het belang van een weloverwogen en gerichte voortzetting van deze aanpak. Het is van cruciaal belang dat België actief deelneemt aan de Europese discussies over het volgende werkplan voor ecologisch ontwerp, om zo bij te dragen aan het vaststellen van de eisen en het selecteren van prioritaire producten, rekening houdend met de specifieke kenmerken van het Belgische ecosysteem.
- Aanbeveling 11. Ecodesign stimuleren in het kader van de UPV
- [57] Om ecodesign te stimuleren, ondersteunen de adviesorganen in het algemeen de invoering van Europese regels voor het beheer van het einde van de levensduur van producten en verpakkingen, zowel in het kader van de “uitgebreide producentenverantwoordelijkheid” (UPV) als van de “Packaging and Packaging Waste Regulation” (PPWR). Dit om bedrijven aan te moedigen duurzamere producten te ontwerpen, die beter of minder verpakt zijn en gemakkelijk te herbestemmen/recycleren zijn. Enerzijds is de “uitgebreide producentenverantwoordelijkheid” van de EU al van toepassing op verpakkingen, elektrische en elektronische apparatuur, batterijen, voertuigen, textiel en schoenen, meubels en bouwmaterialen. Anderzijds introduceert de “Packaging and Packaging Waste Regulation” (PPWR) voor verpakkingen doelstellingen op het gebied van hergebruik, recycleerbaarheid, gewichts- en volumevermindering, drempel voor de preventie van verpakkingsafval, vermindering van het percentage lege verpakkingen in transport- en e-commerceverpakkingen, evenals een verbod op het in de handel brengen van bepaalde soorten plastic verpakkingen voor eenmalig gebruik en ecomodulatieheffingen. Er zij ook op gewezen dat de toekomstige uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor professionele verpakkingen rekening houdt met de PPWR.
- [58] Om de bestaande wetgeving te versterken, pleiten de adviesorganen ervoor dat de UPV-regels, in het kader van de ESPR, voldoende stimulerende “ecomodulatieheffingen”[23] bevatten die zijn gebaseerd op geharmoniseerde criteria, vastgesteld op het niveau van de ESPR, en op coherente en ambitieuze doelstellingen die de naleving van de Ladder van Lansink garanderen. België moet dan ook een ambitieuze houding aannemen in de lopende en toekomstige Europese discussies over de ESPR, teneinde een Europees kader tot stand te brengen dat nadien zal worden geïmplementeerd in het Belgische UPV-systeem.
- [59] De adviesorganen wijzen ook op het belang van het organiseren van controles op de naleving van deze Europese wetgeving (ESPR en UPV), met name voor geïmporteerde producten (zie punt 1.1).
- Aanbeveling 12. Consumenten voorzien van instrumenten om te rapporteren over niet-duurzame producten
- [60] Belgische PRO’s (Producer Responsibility Organizations) moeten het goede voorbeeld geven op het gebied van ecodesign en actief meewerken aan de ontwikkeling van oplossingen voor Belgische producenten. Om consumenten meer bij het proces te betrekken, pleiten de adviesorganen ervoor om hen tools ter beschikking te stellen waarmee ze gevallen van niet-duurzame producten kunnen melden. Dat kan via het platform ‘ConsumerConnect’, waar nu al twijfelachtige milieuclaims kunnen worden gemeld. Het zou ook zinvol zijn om dit platform te gebruiken om de verschillende punten waarop consumenten actief kunnen zijn te centraliseren, door er links naar bestaande meldingsinitiatieven aan toe te voegen, zoals het Meldpunt Oververpakking van Fost Plus, dat nog te weinig bekend is. De federale overheid kan en moet een rol spelen ten aanzien van de consumenten. De brc Verbruik (CRB, 2025b) heeft bovendien een advies opgesteld over ConsumerConnect om het platform te verbeteren, met name om het gebruiksvriendelijker te maken.
2.2.2 De traceerbaarheid van de hergebruikte en gerecycleerde materialen verbeteren
- [61] Bepaalde normen maken het onmogelijk om hergebruikte of gerecycleerde materialen in producten te gebruiken (CRB, 2016, p. 12):
- – Bepaalde materialen moeten voldoen aan zeer hoge kwaliteits- of prestatie-eisen (bv. eisen op het vlak van voedselveiligheid, prestaties in de bouw – waaronder materiaalsterkte, brandveiligheid, …), die in geval van recyclage van producten – welke in bepaalde gevallen een zekere contaminatie vertonen door gebruik – niet altijd gehaald kunnen worden (CRB & FRDO, 2020, §38). Voor bepaalde stoffen is het momenteel bovendien nog onmogelijk om op basis van tests het percentage gerecycleerde materialen te bepalen;
- – Materialen (met name in de bouw) die men wil hergebruiken, zijn vaak niet gecertificeerd volgens de huidige normen, omdat ze in sommige gevallen dateren uit een periode waarin bepaalde normen nog niet bestonden of omdat de normen sinds hun invoering zijn aangescherpt of gewijzigd. De huidige normen zijn dan ook soms onverenigbaar met hergebruikte materialen (of zelfs met het gebruik van biogebaseerde materialen in het specifieke geval van de bouwsector).
- [62] De adviesorganen benadrukken dat het niet de bedoeling is om aparte eisen voor deze materialen vast te stellen. Hergebruikte en gerecycleerde materialen en producten moeten voldoen aan dezelfde technische en kwaliteitseisen als nieuwe materialen en producten. De bestaande normen waaraan het product moet voldoen, moeten als basis dienen voor het testen van hergebruikte en gerecycleerde materialen en producten.
- [63] Hoewel de kwalificatie van de prestaties van hergebruikte en gerecycleerde materialen in veel gevallen niet verplicht is, is deze wel wenselijk, ten minste voor een minimum aan essentiële kenmerken met het oog op het beoogde gebruik. Technische beschrijvingen voor deze materialen zijn echter zelden beschikbaar. Daardoor bestaat er vaak onzekerheid over de kwaliteit, de technische eigenschappen en de prestaties van deze materialen, die bovendien vaak moeilijk traceerbaar zijn. Zonder productpaspoorten is het moeilijk om de kwaliteit en de technische prestaties te beoordelen, maar deze paspoorten zijn nog niet standaard beschikbaar[24]. De technische eisen zijn bekend, het probleem ligt in de juiste testmethode. Daarom moeten adequate testmethoden worden ontwikkeld om herbestemde of gerecycleerde producten te evalueren op hun geschiktheid (volgens gekende specificaties) tot herbestemming in de bewuste toepassing.
- [64] Ondernemers worden bovendien vaak geconfronteerd met een mozaïek van tegenstrijdige regels, al naargelang het beleidsniveau.
- Aanbeveling 13. Maatregelen en instrumenten (bij voorkeur op Europees niveau) ondersteunen die gericht zijn op het verbeteren van de traceerbaarheid van hergebruikte en gerecyclede materialen
- [65] Om bepaalde hergebruikte of gerecyclede materialen te stimuleren, moet het mogelijk zijn om hun specifieke kenmerken aan te tonen. In dit verband voorziet de Europese “Circular Economy Act” – die voor eind 2026 wordt verwacht – in het stimuleren van traceerbaarheid door middel van digitale instrumenten (met name via digitale productpaspoorten) en gedeelde indicatoren. Op termijn zal de ontwikkeling en invoering van digitale productpaspoorten het mogelijk maken om duidelijke informatie te verstrekken over de kenmerken van gerecycleerde en hergebruikte materialen. Daarom ondersteunen de adviesorganen de invoering van digitale productpaspoorten op Europees niveau (zie punt 3.1) en het gebruik ervan in het kader van de terbeschikkingstelling van informatie en de circulaire economie; daarbij moet ervoor worden gezorgd dat ze interoperabel zijn met de Europese systemen en praktisch bruikbaar zijn voor alle marktdeelnemers, met inbegrip van kmo’s.
- [66] De adviesorganen vragen de Belgische overheid om de Europese discussies en vorderingen met betrekking tot de verbetering van de traceerbaarheid van hergebruikte en gerecycleerde materialen in het kader van de “Circular Economy Act” op de voet te volgen. Als deze wet op termijn echter geen grote vooruitgang op dit gebied oplevert, is het volgens de adviesorganen aan België om te onderzoeken of het opportuun is maatregelen te nemen en instrumenten te ontwikkelen om de traceerbaarheid van hergebruikte en gerecycleerde materialen te verbeteren. Zij preciseren dat deze nationale maatregelen en instrumenten alleen mogen worden ontwikkeld voor domeinen die niet onder de Europese wetgeving vallen.
-
- Voorbeeld uit de bouwsector:
- De bouwsector werkt momenteel, op initiatief van Buildwise, aan de oprichting van een nationaal kwaliteitsreferentiekader voor secundaire bouwmaterialen (minimale prestatiedrempels, traceerbaarheidseisen, gebruiksvoorwaarden), met vier pijlers:
- Een horizontale norm voor hergebruik, afgestemd op de Europese norm die momenteel wordt uitgewerkt;Een technische informatiebrochure van Buildwise, waarin op praktische wijze wordt beschreven hoe bouwactoren herbruikbare materialen met voldoende vertrouwen en garanties in hun projecten kunnen integreren;
- Specifieke protocollen en richtlijnen voor bepaalde materiaalketens (bijv. minerale wol, bakstenen, houten balken);
- Een certificerings-/attestatie-/controlesysteem (nog te ontwikkelen), toevertrouwd aan een nog te bepalen derde instantie.
- Het werk van Buildwise kan als inspiratiebron dienen voor de ontwikkeling van een referentiekader op Europees niveau. Deze methodologie zou overigens ook op andere sectoren kunnen worden toegepast.
2.2.3 De zichtbaarheid van herbruikbare materialen in de bouwsector verbeteren
- [67] Actoren in de bouwsector, zowel professionals als particulieren, hebben moeite om toegang te krijgen tot het aanbod van herbruikbare materialen vanwege een gebrek aan zichtbaarheid en gecentraliseerde informatie. In België bestaan er enerzijds overzichtlijsten van actoren op het gebied van hergebruik (zoals Opalis). Deze lijsten geven een overzicht van de bedrijven die deze materialen verwerken, maar bieden geen mogelijkheid om er rechtstreeks materialen aan te kopen of te verkopen. Anderzijds bestaan er al verschillende onlineplatforms[25], maar die blijven zeer beperkt in termen van bereik en schaalgrootte. Bovendien lopen deze initiatieven uiteen naargelang het gewest en de taalgemeenschap, wat de algemene visibiliteit van het aanbod vermindert.
- [68] Uit een studie in het kader van het FCRBE-project[26] is gebleken dat veel bouwelementen technisch gezien herbruikbaar/herbestembaar zijn, maar vaak worden gerecycled of verwijderd bij gebrek aan doeltreffende mechanismen/platforms om kopers en verkopers met elkaar in contact te brengen. Dit probleem wordt nog versterkt door de onvoorspelbaarheid van het aanbod (ICEDD, 2020). De voorraad herbruikbare grondstoffen in de bouw is namelijk heterogeen en fluctueert. Enerzijds hebben de materialen die uit gebouwen vrijkomen zeer uiteenlopende vormen en toepassingen. Anderzijds is het moeilijk in te schatten in welk tempo elementen vrijkomen. Bovendien is het beschikbare aanbod verspreid en geprivatiseerd, waardoor vaak voorafgaande onderhandelingen met de eigenaar nodig zijn om toegang te krijgen tot herbruikbare/herbestembare materialen. Om het gebruik van herbruikbare materialen in de bouwsector te vergemakkelijken, pleiten adviesorganen voor de invoering van systemen die vraag en aanbod op elkaar afstemmen.
- Aanbeveling 14. Een nationale database aanleggen over de beschikbaarheid van herbruikbare bouwmaterialen
- [69] Om het gebrek aan zichtbaarheid van herbruikbare materialen weg te werken, bevelen de adviesorganen aan om een nationale database aan te leggen in de vorm van een open en interoperabel digitaal platform, waarin de beschikbare materialen uit sloop en hergebruik worden geregistreerd. Het digitale formaat moet het mogelijk maken om gegevens over bouwproducten, materialen, afvalstromen (enz.) te delen en te verrijken, in overeenstemming met de principes van “Data Spaces” en de protocollen voor de publicatie van gegevens, aangepast aan de sector.
- [70] Deze database, die is gebaseerd op het principe van open data, moet worden gevoed op basis van de verplichte inventarisatie van materialen vóór de sloop en moet worden afgestemd op bestaande initiatieven (digitale paspoorten, bouwlogboeken, enz.). Hierdoor krijgen hergebruikbedrijven een beter inzicht in de stromen van bouwelementen die dagelijks opnieuw in omloop worden gebracht. De database zal ook de traceerbaarheid verbeteren, de uitwisseling tussen actoren vergemakkelijken en de hergebruikmarkt structureren, en tegelijkertijd de toegang tot informatie voor bedrijven vergemakkelijken en de overgang naar een circulaire economie ondersteunen. Voor de overheid zal het verzamelen van deze inventarissen bovendien een nuttig instrument zijn voor het opstellen van sectorstatistieken.
- [71] Om doeltreffend te zijn, moet deze database gemakkelijk toegankelijk zijn voor bouwbedrijven. In eerste instantie lijkt het relevant om de toegang te beperken tot uitsluitend B2B-gebruik. Zo kan het platform in een professionele omgeving worden getest en gestabiliseerd. Vervolgens kan een geleidelijke openstelling voor B2C worden overwogen, met name afhankelijk van het type product of de beschikbare hoeveelheden. In bepaalde specifieke gevallen kan een uitbreiding naar B2C gerechtvaardigd zijn, wat tijdens de ontwikkeling moet worden geëvalueerd.
- [72] Volgens de adviesorganen zou Buildwise, het innovatiecentrum voor de bouwsector, kunnen worden aangewezen als structuur om dit project uit te voeren. Het verdient namelijk de voorkeur om een reeds bestaande structuur met expertise op dit gebied in te schakelen. Het gaat er niet om helemaal vanaf nul te beginnen, maar om de bestaande middelen te versterken en te bundelen om de markt voor hergebruik meer volume en zichtbaarheid te geven[27]. De implementatie van de database op Belgisch niveau vereist echter een initiële investering en middelen voor de komende jaren. Deze publieke investering zou de nodige gemeenschappelijke basis vormen waarop de actoren in de sector vervolgens haalbare economische modellen zouden kunnen ontwikkelen.
- [73] Bovendien moet de lancering van een dergelijke database gepaard gaan met een betere certificering van hergebruikte, herbestemde en gerecycleerde materialen. Dit om de betrouwbaarheid en kwaliteit van de producten in deze database te garanderen.
- Aanbeveling 15. Lokale circuits voor hergebruik en recyclage ondersteunen en een gestructureerde markt voor secundaire materialen ontwikkelen
- [74] Volgens de adviesorganen is het van cruciaal belang om lokale circuits voor hergebruik en recyclage actief te ondersteunen, met name via de financiering van logistieke infrastructuur (circulaire hubs, opslagplatforms), de vereenvoudiging van administratieve procedures en de invoering van economische stimulansen: verlaagde btw, subsidies, groene fiscaliteit (waaronder steun voor innovatie en hergebruik van materialen), enz. Bij de ontwikkeling van lokale circuits en de toekenning van overheidssteun moet rekening worden gehouden met het aanwezige potentieel, waaronder de beschikbaarheid van hulpbronnen op de markt[28], de rentabiliteit en de milieu-impact. Als de grondstoffen potentieel beschikbaar zijn, maar niet op de markt worden gebracht, moet worden onderzocht hoe dit kan worden gestimuleerd. Het doel is om te komen tot een grotere duurzaamheid van materialen.
- [75] De ontwikkeling van een gestructureerde markt vereist ook de invoering van kwaliteitscertificeringssystemen voor hergebruikmaterialen, wederzijdse erkenningen tussen de gewesten van de status van hergebruikmaterialen en afvalstoffen[29], en de integratie van circulariteitscriteria in overheidsopdrachten (zie punt 3.2). Deze maatregelen zullen ervoor zorgen dat secundaire materialen concurrerender worden, de vraag wordt gestimuleerd en de afzetmogelijkheden voor de actoren in de sector worden veiliggesteld.
2.2.4 De beschikbaarheid van materialen voor de recyclage verbeteren
- [76] Voor bepaalde materialen kampt de recyclagesector met een onvoldoende beschikbaarheid van materialen voor recyclage. Deze situatie is het gevolg van een combinatie van factoren, waaronder:
- – Een lage inzamelings-/recuperatiegraad van bepaalde afvalstoffen (bijvoorbeeld elektronische apparaten);
- – Het feit dat ecodesign (waaronder het vergemakkelijken van demontage en recyclage) nog niet systematisch in aanmerking wordt genomen bij producten die op de Europese markt worden gebracht (zie punt 2.2.1);
- – Het bestaan van grote verschillen in interpretatie tussen de lidstaten en de regio’s (zelfs binnen België) met betrekking tot de regels voor het transport, de sortering en de opslag van afval (zie punt 2.4.1);
- – De uitvoer van bepaalde soorten afval (bijvoorbeeld kunststoffen, textiel, gebruikte elektrische apparaten, enz.) naar landen buiten Europa. De afvalmarkt is een internationale markt. Afval wordt soms vervoerd naar landen (bijvoorbeeld in Azië) waar het goedkoper kan worden verwerkt, onder minimale omstandigheden op het gebied van milieu, gezondheid en veiligheid van burgers en werknemers (CRB, 2016). Om dit probleem aan te pakken, heeft het Europees Parlement in februari 2024 gestemd voor een verbod voor de lidstaten om afval dat bestemd is voor vernietiging naar derde landen uit te voeren, en gevaarlijk afval dat bestemd is voor terugwinning, alsook plastic afval naar niet-OESO-landen te exporteren. De export van afval naar OESO-lidstaten zal bovendien aan strengere controles worden onderworpen en er kunnen sancties worden opgelegd als de milieu- en gezondheidsnormen niet worden nageleefd. Deze regelgeving treedt in werking op 21 november 2026.
- [77] Volgens de adviesorganen moeten er maatregelen worden genomen om deze beperkingen zoveel mogelijk weg te nemen en zo de beschikbaarheid van materialen voor recyclage te verbeteren. Ze merken echter op dat het gebrek aan beschikbaarheid van materialen voor recyclage niet voor alle materialen geldt. Zo is er bijvoorbeeld een hoge beschikbaarheid van materialen voor de recyclage van verpakkingen. Een objectieve analyse om na te gaan waar de beschikbaarheidsproblemen het meest schrijnend zijn, zou dan ook nuttig zijn. Voorts mag een betere beschikbaarheid van materialen voor recyclage niet ten koste gaan van de hogere treden van de Ladder van Lansink, met name door lock-in-effecten en afhankelijkheid van een hoge productie. Het reduceren en hergebruiken van materialen moet voorrang krijgen boven het recyclen ervan.
- [78] Tegelijkertijd blijft de EU bepaalde soorten afval invoeren – met name metalen, papier, karton en hoogwaardige kunststoffen – voor haar eigen recyclage-installaties. Hoewel deze invoer kan bijdragen tot het veiligstellen van de voorziening van recycleerbare materialen, brengt zij ook een aantal uitdagingen met zich mee:
- – Toegenomen concurrentie met materialen uit Europese inzameling;
- – Afhankelijkheid van internationale stromen waarvan de stabiliteit niet gegarandeerd is;
- – De noodzaak om te garanderen dat geïmporteerd afval voldoet aan de hoge normen van de EU op het gebied van kwaliteit, traceerbaarheid en milieuconformiteit.
- [79] De herziening van de verordening betreffende de overbrenging van afvalstoffen verscherpt bovendien de invoervoorwaarden om te waarborgen dat deze stromen daadwerkelijk bijdragen aan de Europese circulaire economie, zonder de lokale recyclagemarkten te destabiliseren.
- [80] Naast de aanbevelingen in verband met het ontwerp voor recyclage (zie punt 2.2.1) en de harmonisatie van de afvalstoffenregelgeving (zie punt 2.4.1) pleiten de organen voor een beter gescheiden inzameling en sortering van het afval, alsook voor een intensievere bestrijding van de illegale uitvoer van afvalstoffen.
- Aanbeveling 16. De illegale uitvoer van afvalstoffen intensiever bestrijden
- [81] Volgens de adviesorganen (CRB, 2016) is het tegengaan van de illegale uitvoer van afvalstoffen ook een belangrijk element om een “level playing field” te garanderen. Zo geldt er bijvoorbeeld een verbod op de uitvoer van gevaarlijke afvalstoffen naar landen die geen lid zijn van de OESO. De uitvoering van deze bepaling levert echter vaak problemen op.
- [82] Belangrijk hier is een duidelijke definitie van afval, product, bijproduct, … (zie punt 4.1). Op die manier kan de controle op de uitvoer en invoer van afval op een eenduidige manier gebeuren. Verder is een duidelijke methodologie op het vlak van traceerbaarheid uiterst belangrijk in de strijd tegen de illegale uitvoer van afvalstoffen. In dit opzicht moet Europa een leidende rol spelen. In België moet de nadruk liggen op het wegwerken van regionale verschillen om een coherente toepassing te garanderen.
- [83] Tot slot is controle van cruciaal belang. Zonder voldoende controles om toe te zien op de naleving van de wetgeving kan een echt “level playing field” op internationaal niveau niet worden gegarandeerd, wat ongetwijfeld negatieve gevolgen heeft voor het concurrentievermogen van bedrijven en de werkgelegenheid in België. Daarom pleiten de adviesorganen voor strengere controles op de invoer en uitvoer van afvalstoffen. Deze controles vereisen overigens voldoende coördinatie, zowel op internationaal als op nationaal niveau, en dit met name in de Belgische context, waar de bevoegdheden op het gebied van controles verdeeld zijn tussen de federale overheid en de gewesten.
- [84] De adviesorganen pleiten er ook voor om de vergunning voor het vervoer van afvalstoffen te koppelen aan de certificering van de bedrijven die zorgen voor de eindverwerking van de afvalstoffen. Zo wordt geëist dat de in Europa voortgebrachte afvalstoffen ook worden verwerkt in bedrijven die aan bepaalde kwaliteitsnormen voldoen.
2.3 De aanbodgerichte aanpak aanvullen met een vraaggestuurde actie
2.3.1 Consumenten informeren en beschermen
- [85] De transitie naar een circulaire economie vraagt niet alleen maatregelen aan de aanbodzijde, maar ook een ondersteuning van de vraagzijde (CRB & FRDO, 2025, §11). Hoewel de vraag geleidelijk toeneemt, blijft deze nog steeds relatief laag voor circulaire producten, d.w.z. producten die zijn ontstaan door refurbishing, reparatie, hergebruik of korte ketens. Hetzelfde geldt voor ‘Product as a Service’ (PaaS)-diensten. Volgens de adviesorganen toont deze vaststelling de noodzaak aan om de consument te informeren en te beschermen. Overheidsopdrachten kunnen ook een belangrijke rol spelen in de overgang naar een circulaire economie.
- [86] Uit een recente enquête onder consumenten over circulaire handel (IPSOS in opdracht van Comeos) blijkt namelijk dat een aanzienlijk deel (26 tot 56 % naargelang het model) van de groep consumenten die momenteel circulaire modellen zoals tweedehands, reparatie of verhuur afwijst, hiervoor geen specifieke reden opgeeft. Dit betekent dat er nog ruimte is om deze groep te overtuigen. Goede communicatie, normalisering van circulaire modellen en fiscale stimulansen (zie punt 5) kunnen hieraan bijdragen.
- [87] Om de onderstaande vraaggerichte maatregelen ten volle te kunnen uitvoeren, moet bovendien bijzondere aandacht worden besteed aan het voorkomen en bestrijden van de digitale kloof wat betreft de toegang tot infrastructuur en vaardigheden, zowel voor consumenten als voor bedrijven (en met name kmo’s). Door informatie te digitaliseren via initiatieven zoals het digitale productpaspoort krijgen consumenten, bedrijven en overheden toegang tot een breed scala aan digitale informatie, wat het vertrouwen in de markt kan helpen versterken. De invoering van dergelijke digitale instrumenten vereist echter wel dat iedereen ze kan gebruiken en toegang heeft tot de informatie.
- [88] In dit verband is het dus belangrijk, zoals aanbevolen in het advies van de brc Verbruik (CRB, 2020), extra inspanningen te leveren op het gebied van digitale geletterdheid en vaardigheden, niet alleen op school, maar ook bij de hele bevolking. Het is in het algemeen noodzaak om een visie op “e-inclusie” te hebben, die op participatieve wijze is ontwikkeld, samen met alle belanghebbenden[30]. Ten slotte is het belangrijk dat burgers en consumenten die niet aan boord kunnen stappen van de digitale trein, niet-digitale alternatieven blijven hebben voor openbare diensten. Bedrijven die deze alternatieven nodig hebben, moeten ook op ondersteuning kunnen rekenen, bijvoorbeeld via een centraal loket (CRB, 2025c).
- Aanbeveling 17. Consumenten beter informeren over de mate van duurzaamheid/circulariteit van het product en hen beschermen tegen misleidende beweringen
- [89] Circulariteit wordt soms geassocieerd met negatieve clichés, zoals bijvoorbeeld: hergebruikte materialen staan gelijk aan afval, circulaire producten zijn tweederangsproducten (bijv. refurbished) of juist dure producten (bijv. korte ketens), de toegang tot circulaire producten is beperkt, reparaties zijn duur, op hergebruikte materialen zit geen garantie, enz. Dit gebrek aan vertrouwen van sommige consumenten in circulaire producten kan verschillende oorzaken hebben, waaronder:
- – onvoldoende informatie over de voordelen van deze producten die afkomstig zijn van refurbishing, reparatie, hergebruik of korte ketens;
- – een versnippering van de wetgeving inzake etikettering, waardoor de consument[31] wordt overspoeld met informatie, waardoor het soms moeilijker wordt om essentiële informatie te onderscheiden van overbodige;
- – de veelheid aan labels en misleidende milieuclaims leidt tot een verlies van vertrouwen bij de consument.
- [90] In deze context benadrukken de adviesorganen het belang van duidelijke en correcte informatie over de milieueffecten van een product, en van bescherming tegen misleidende milieuclaims. Volgens hen kan ook de communicatie over circulaire diensten worden verbeterd. Er wordt namelijk nog te weinig aandacht besteed aan de voordelen van businessmodellen van het type “Product as a Service” (PaaS).
- [91] Daarom hebben zij hieronder een reeks aanbevelingen in die zin geformuleerd. De repareerbaarheidsindex is een ander instrument om consumenten in staat te stellen circulariteit in producten beter te herkennen. Dit instrument wordt behandeld in punt 4.3.
- Aanbeveling 18. Zorgen voor positieve communicatie naar consumenten toe
- [92] Volgens de adviesorganen begint het stimuleren van de vraag naar circulaire producten met positieve communicatie aan consumenten. Dat kan onder meer gebeuren door:
- – het promoten en ondersteunen van refurbished producten, “repair cafés”, circulaire praktijken (bijv. bulkaankopen, herbestemming van verpakkingen, enz.) en korte ketens, waarbij de economische en ecologische meerwaarde van deze modellen wordt benadrukt;
- – bewustmaking en begeleiding van de consument/burger via workshops in gemeenten of scholen (bijv. noodzaak om attitudes en percepties van consumenten te veranderen, …) en het promoten van goede praktijken;
- – het lanceren van bewustmakingscampagnes in samenwerking met de gewesten om de consistentie van de boodschappen te verzekeren.
- [93] De adviesorganen benadrukken dat de vraag naar lokale en circulaire producten ook kan worden gestimuleerd door overheidsaankopen en aankopen door lokale scholen en hun aanbestedingsregels (zie punt 3).
- Aanbeveling 19. Het digitale productpaspoort optimaal gebruiken
- [94] Zoals vermeld in punt 2.2 ondersteunen de adviesorganen de invoering van digitale productpaspoorten (of “digital product passport”, DPP in het Engels), zoals voorzien in Verordening (EU) 2024/1781 inzake ecologisch ontwerp. Naast het informeren van bedrijven over de kenmerken van producten (waaronder gerecycleerde, hergebruikte of herbestemde producten), zullen digitale productpaspoorten actoren (waaronder consumenten) gemakkelijk toegang geven tot essentiële productgegevens, zoals technische specificaties, milieuprestaties en conformiteitsverklaringen. Volgens de adviesorganen kunnen ze ook worden gebruikt als instrument om te voldoen aan nationale informatie- en taalvereisten en om puur Belgische informatieverplichtingen weer te geven (bijvoorbeeld de SAR-waarde[32] voor mobiele telefoons)[33] – het gebruik ervan is niet beperkt tot de circulaire economie.
- [95] In dit kader pleiten de adviesorganen voor een optimaal en doordacht gebruik ervan. Een grootschalige invoering van het DPP op het niveau van een individueel product is voor de meeste consumptiegoederen niet zinvol en ook niet realistisch. In sommige gevallen zou het genereren en beheren van een uniek DPP per stuk een enorme administratieve en digitale belasting met zich meebrengen (databases, QR-codes, updates, wat onevenredige kosten zou betekenen voor de bedrijven, vooral voor kmo’s, en voor het milieu, zonder duidelijk voordeel voor de consument. De adviesorganen vragen daarom dat België op EU-niveau het standpunt verdedigt om het DPP toe te passen op het niveau van het productmodel of zelfs het productlot, en niet, of slechts in zeer specifieke gevallen, op het niveau van het individuele product.
- [96] Het DPP is (nog) niet van toepassing op alle producten. De Commissie heeft verschillende prioritaire productgroepen vermeld waarvoor het DPP in eerste instantie zal worden ingevoerd: textiel en schoenen, batterijen, elektronische en ICT-producten, bouwproducten en grondstofintensieve tussenproducten (staal, aluminium, cement, chemische producten, kunststoffen). De ESPR-verordening bepaalt dat de lijst van betrokken producten geleidelijk zal worden uitgebreid op basis van bepaalde criteria. Het DPP wordt ook vermeld in andere toekomstige Europese wetgeving: detergenten, speelgoed, enz. Een “Product Act”, die in 2026 zal worden voorgesteld, heeft tot doel de verschillende bepalingen over het DPP (terecht) verder te harmoniseren.
- [97] In het kader van het digitale productpaspoort zal de Commissie ook een transparantieverplichting (“score”) invoeren op het gebied van duurzaamheid, herkomst en repareerbaarheid. De adviesorganen steunen het principe om consumenten in staat te stellen producten met elkaar te vergelijken, zowel in een winkel als op een webshop. Op basis daarvan zou ook een online vergelijkingstool kunnen worden gelanceerd, op voorwaarde dat deze regelmatig kan worden bijgewerkt.
- Aanbeveling 20. Harmoniseren van de verzekerings- en garantieregels voor producten die zijn vervaardigd uit hergebruikte materialen
- [98] De adviesorganen vragen om harmonisatie van de verzekerings- en garantieregels voor producten die zijn vervaardigd uit hergebruikte materialen. De invoering van een specifieke commerciële garantie voor producten die zijn vervaardigd uit hergebruikte materialen zou het gebruik van hergebruikte materialen kunnen stimuleren, omdat de betrokken partijen zich dan zekerder zouden voelen.
- [99] De adviesorganen geven echter aan dat ze alleen voor producten die zijn vervaardigd uit hergebruikte materialen[34] voorstander zijn van harmonisatie van de verzekerings- en garantieregels. Voor hergebruikte producten[35] (d.w.z. occasie- of tweedehandsproducten) die (als zodanig) in winkels worden verkocht, moet de toepassing van een commerciële garantie een vrije keuze blijven voor producenten/verkopers. De adviesorganen zijn van mening dat refurbished producten eerder ”weer zo goed als nieuw”[36] zijn dan dat ze “voor hergebruik werden voorbereid” en dat ze daarom tot de eerste categorie behoren.
- [100] Bij gebrek aan geharmoniseerde wettelijke definities is het in sommige gevallen (bijvoorbeeld voor refurbished producten[37]) echter moeilijk te bepalen tot welke van de twee bovengenoemde categorieën een product behoort. Het lijkt daarom wenselijk om te werken aan wettelijke definities, bij voorkeur op Europees niveau, waarmee een onderscheid kan worden gemaakt tussen hergebruikte producten en producten die zijn vervaardigd uit hergebruikte materialen (waaronder refurbished producten)
- Aanbeveling 21. Stroomlijnen van de labels voor circulaire producten
- [101] Volgens de adviesorganen is een stroomlijning nodig van de veelheid aan labels die er op dit moment zijn (CRB & FRDO, 2021, §48). In België, net als op Europees niveau, bestaan er tal van labels gericht op de circulaire economie die bepaalde projecten, vaardigheden of zelfs producten en diensten kunnen certificeren. Hoewel labels nuttig kunnen zijn om consumenten te informeren en bewust te maken, bemoeilijkt de overvloed ervan de communicatie en kan deze zelfs tot verwarring leiden bij de consument.
- [102] Om dit probleem aan te pakken, voorziet Richtlijn (EU) 2024/825, die in Belgisch recht moet worden omgezet, onder meer in een verbod op het weergeven van duurzaamheidskeurmerken die niet op een certificeringsregeling zijn gebaseerd of niet door overheidsinstanties zijn ingesteld. Deze praktijk zal voortaan door de richtlijn onder alle omstandigheden als oneerlijke handelspraktijk worden beschouwd. In dit kader bevelen de adviesorganen aan dat België prioriteit geeft aan de ontwikkeling van gecertificeerde en op Europees niveau erkende labels – zoals het Europese Ecolabel[38] – in plaats van labels op nationaal niveau te ontwikkelen. Dit om extra administratieve lasten voor bedrijven, maar ook voor consumenten te vermijden.
- Aanbeveling 22. Gericht controleren van misleidende milieuclaims
- [103] Milieuclaims zijn handelspraktijken die gereglementeerd worden door specifieke Belgische of Europese sectorale wetgeving of normen, of bij gebrek daaraan, door de algemene wettelijke basis, namelijk de artikelen VI.93 tot VI.100 van het Wetboek van economisch recht betreffende het verbod op oneerlijke en misleidende handelspraktijken[39]. Het is belangrijk dat deze wetgeving wordt toegepast. In dit kader vragen de adviesorganen om een strengere controle door de Economische Inspectie op misleidende milieuclaims, alsook een strengere controle door de douane op producten die op de markt worden gebracht (zie punt 1.1).
- [104] Opdat de consument een weloverwogen “verantwoorde” aankoopbeslissing zou kunnen nemen, is het van essentieel belang dat milieuclaims geen onjuiste informatie bevatten en dat zij de consument niet misleiden door het effect of de algemene indruk die zij wekken. Dit geldt des te meer omdat milieuclaims een krachtig marketinginstrument zijn geworden. Elke ecologische claim moet duidelijk, relevant, op bewijzen gebaseerd en begrijpelijk zijn voor de consument.
- [105] In deze context steunen de adviesorganen de wil van de toekomstige Green Claims-richtlijn[40] om misleidende milieuclaims te bestrijden en zo het vertrouwen in circulaire producten te versterken. De inhoud van de toekomstige richtlijn moet echter worden afgestemd met de belanghebbenden en mag geen onevenredige administratieve last voor bedrijven met zich meebrengen, met name voor micro-, kleine en middelgrote ondernemingen. België moet er, via zijn vertegenwoordiging in de Europese Raad, op aandringen dat het wetgevende proces over deze richtlijn op Europese niveau snel een aanvang kan nemen en, indien er geen draagvlak meer zou zijn, zorgen dat de nodige duidelijkheid hierover gebracht wordt.
- [106] Bovendien willen de adviesorganen benadrukken dat ze de publicatie door de FOD Economie (2024) van de “Guidelines – Milieuclaims” waarderen, bedoeld om bedrijven bewust te maken en hen te helpen de juistheid van milieuclaims te beoordelen. Ze waarderen ook de oprichting van het meldpunt ConsumerConnect, dat consumenten de mogelijkheid biedt om klachten in te dienen, met name over misleidende milieuclaims. De Economische Inspectie analyseert vervolgens deze meldingen om onderzoeken in te stellen en deze misleidende praktijken te bestrijden. De adviesorganen benadrukken echter dat het platform ConsumerConnect nog onvoldoende bekend is bij de consumenten. Er is een grootschalige communicatiecampagne nodig om dit meldpunt onder de aandacht te brengen, met bijzondere aandacht voor ouderen en kwetsbare personen. Het platform kan bovendien nog worden verbeterd. In dit verband verwijzen de adviesorganen naar het advies “Aanbevelingen over ConsumerConnect” van de brc Verbruik (CRB, 2025b).
- Aanbeveling 23. Consumenten bewust maken van de modellen van grote platforms (ultra fast fashion) en andere fast-fashion-spelers
- [107] Sommige grote buitenlandse e-commerceplatforms, met name uit Azië, produceren zeer grote hoeveelheden (vaak overtollige) producten van slechte kwaliteit die niet voldoen aan de Europese regels (zie punt 1.1) en tegen zeer lage prijzen worden verkocht. Een groot deel van deze producten wordt nooit verkocht en wordt uiteindelijk vernietigd zonder te zijn gebruikt. De producten die wel worden verkocht, worden vaak snel door de consument weggegooid, hetzij omdat ze door hun slechte kwaliteit snel verslijten, hetzij omdat de voortdurende vernieuwing van de collecties, in combinatie met de zeer lage prijzen, aanzet tot impulsieve aankopen en het vaak vervangen van eerder gekochte producten. Bovendien zijn deze producten over het algemeen niet ontworpen om te worden gerepareerd, hergebruikt of gerecycled, waardoor ze sneller tot afval worden. De kosten voor de verwerking van dit afval wegen zwaar op de sociale economie en zetten deze sector onder enorme druk. De economische modellen die door deze grote platforms worden gebruikt, staan dus haaks op het principe van de circulaire economie, die erop gericht is afval te beperken, de levensduur van producten te verlengen en herbestemming te bevorderen. En dan hebben we het nog niet eens over de extra CO2-voetafdruk die het internationale transport van deze producten met zich meebrengt.
- Aanbeveling 24. Consumenten bewust maken van de verborgen kosten van de bedrijfsmodellen van bepaalde grote platforms buiten de EU (met name degene die momenteel uit Azië komen)
- [108] Volgens de adviesorganen is het belangrijk om consumenten bewust te maken van hun koopgedrag en hen te wijzen op de verborgen kosten van deze bedrijfsmodellen (vervuiling, arbeidsomstandigheden, afval, verspilling, gevaar voor de gezondheid en veiligheid van consumenten/gebruikers van de producten) . Deze bewustmaking alleen zal niet volstaan en moet worden gecombineerd met andere maatregelen, zoals de bevordering van modellen die verenigbaar zijn met de circulaire economie (zie punt 3.2) en de toepassing van de Europese regels (zie punt 2.1.1). Om een “level playing field” te garanderen en de Belgische industrie te beschermen, moet de invoering van sancties, vergelijkbaar met die welke in Frankrijk worden voorgesteld in de wet tegen “ultra-fast fashion”, in België worden geanalyseerd en op Europees niveau worden verdedigd. Meer in het algemeen beoogt de Franse wet tegen “ultra fast fashion”, die in 2024 is aangenomen, deze platforms te reguleren via een gerichte definitie van ultra fast fashion, het verbod op reclame (zelfs via influencers) en de invoering van een progressieve “ecologische malus”, evenals een belasting op kleine pakketten van buiten de EU, terwijl de milieu-impact verplicht moet worden vermeld.
- [109] In het algemeen moeten de handelspraktijken van grote concerns die aanzetten tot overconsumptie van producten, producten van zeer slechte kwaliteit verkopen en de hulpbronnen uitputten, concreet worden aangepakt.
2.3.2 Naar circulaire overheidsopdrachten
- [110] Volgens de adviesorganen heeft de overheid via de overheidsaanbestedingen een belangrijke rol te spelen langs de vraagzijde (CRB & FRDO, 2024, §46). Hoewel het al mogelijk is om duurzaamheidscriteria op te nemen in overheidsopdrachten, wordt hiervan om verschillende redenen nog maar weinig gebruik gemaakt. De richtlijnen voor de gunning van overheidsopdrachten bevorderen circulaire oplossingen niet uit angst voor beroepsprocedures, door een gebrek aan kennis bij openbare aankopers, enz. Bovendien is het niet zo eenvoudig om criteria te definiëren op basis van de opdracht: elke opdracht is anders. Er zijn ook juridische belemmeringen voor de integratie van de “korte keten” als technische specificatie in aanbestedingsprocedures. In bestekken worden bepaalde gerecycleerde of hergebruikte materialen zelfs vaak expliciet uitgesloten, vooral in bouwproducten. Dit staat in schril contrast met onder meer de wil om recyclage en hergebruik te ondersteunen via groene overheidsopdrachten.
- Aanbeveling 25. Sociale, milieu- en circulariteitscriteria integreren in overheidsopdrachten
- [111] De adviesorganen pleiten ervoor om overheidsopdrachten circulair te maken door naast het aspect ‘prijs’ ook verplichte circulaire criteria op te nemen (bijv. gerecycleerde inhoud, levensduur van producten, reparatiemogelijkheden (of repareerbaarheid) en evolutiviteit of ‘upgradability’[41]) en verplichte criteria voor ‘low-carbon chemicals[42] in de selectie-, gunnings- en uitvoeringscriteria (CRB, 2022).
- [112] Ze benadrukken ook het belang voor België om proactief te zijn in het Europese debat over de invoering van verplichte duurzaamheidscriteria in overheidsopdrachten. De landen die vooroplopen op het gebied van duurzame aanbestedingen zullen namelijk de grote lijnen van de Europese verplichtingen bepalen. Bovendien zullen zij al gewend zijn om systematisch te participeren in duurzame aanbestedingen, wat hen een concurrentievoordeel oplevert. Als België op dit vlak niets onderneemt, zullen belangrijke openbare aanbestedingen steeds vaker worden weggekaapt door buitenlandse bedrijven. Er zijn dus niet alleen milieu- of sociale redenen om als land actiever te worden op het gebied van duurzame aankopen, maar ook belangrijke economische redenen.
- [113] In dat opzicht is het belangrijk om nu al te experimenteren met duurzame overheidsopdrachten in België. De overheid kan zich laten inspireren door de MVO-criteria (maatschappelijk verantwoord ondernemen) van de overheidsopdrachten van de Vlaamse regering, alsook door het MVOO-instrument[43] dat deze Vlaamse criteria voor maatschappelijk verantwoorde overheidsopdrachten overneemt. Deze MVO-criteria kunnen een inspiratiebron zijn op Europees niveau. In ieder geval moet er een sectorale raadpleging worden georganiseerd over de definitie van de duurzaamheidscriteria, voordat deze worden geïntegreerd.
- [114] Het is namelijk van cruciaal belang ervoor te zorgen dat de duurzaamheidscriteria geen uitsluitingscriteria vormen voor Belgische of Europese bedrijven (ten opzichte van buitenlandse bedrijven). De adviesorganen pleiten er dan ook voor dat de criteria voor circulariteit en duurzaamheid in overleg met de betrokken sectoren worden vastgesteld, zodanig dat deze criteria haalbaar zijn voor Belgische en Europese ondernemingen (waaronder kmo’s). Het doel is een evenwicht te vinden tussen circulariteit en de aanwezigheid van beschikbare oplossingen.
- Aanbeveling 26. De mogelijkheid om de korte keten op te nemen als technische specificatie in de overheidsopdrachten
- [115] De adviesorganen nemen ook notitie van de wens van de federale regering, zoals verwoord in het federale regeerakkoord 2025-2029 (p. 68), “om het juridisch mogelijk te maken om de “korte keten” op te nemen als technische specificatie in de aanbestedingsprocedure van de openbare voedselmarkt”. Zij vragen dat deze maatregel snel wordt toegepast – behalve als zou worden aangetoond dat een korte keten minder economische, milieu- en sociale voordelen heeft dan een lange keten – en dat wordt onderzocht voor welke andere sectoren dit ook nuttig zou kunnen zijn.
- [116] De adviesorganen onderstrepen evenwel dat de wet over de overheidsopdrachten geen definitie van een ‘korte keten’ bevat. De overheid moet hier dus werk van maken. In deze definitie moeten minstens criteria worden opgenomen over de afstand die het product heeft afgelegd (‘lokale bevoorrading’) en over het aantal tussenpersonen (max. 1 tussen de producent en de consument).
- Aanbeveling 27. De mogelijkheid van gelegenheidsaankopen in de klassieke sectoren activeren
- [117] De adviesorganen bevelen ook aan om de wettelijk voorziene mogelijkheid voor gelegenheidsaankopen[44] in de klassieke sectoren te activeren – een mogelijkheid die al van toepassing is in de speciale sectoren[45]. De tweedehandsmarkt vereist namelijk een zekere reactiviteit en het aanbod aan tweedehandsproducten is beperkt, waardoor de aankoop van dergelijke producten doorgaans niet verenigbaar is met het beginsel van mededinging, dat nochtans een fundamenteel beginsel is op het gebied van overheidsopdrachten. Bijgevolg is de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande oproep tot mededinging een geschikte procedure voor een aanbestedende dienst die snel een tweedehandsgoed wil aankopen.
- [118] In dit kader biedt het artikel 42, §1, tweede lid van de wet van 17 juni 2016 de Koning de mogelijkheid om het gebruik van de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking toe te staan wanneer het gelegenheidsaankopen betreft voor overheidsopdrachten geplaatst in de klassieke sectoren waarvan de geraamde waarde lager moet liggen dan de Europese drempels. Deze mogelijkheid met betrekking tot gelegenheidsaankopen werd echter nog niet ten uitvoer gelegd. Hoewel de aankoop van een tweedehandsproduct in theorie mogelijk is voor alle overheidsopdrachten, blijkt uit een onderzoek van de geldende wetgeving dat momenteel en onder bepaalde voorwaarden alleen aanbesteders die in de speciale sectoren actief zijn, tweedehandsproducten kunnen aankopen zonder een mededingingsprocedure te organiseren.
- Aanbeveling 28. Modelclausules opstellen die circulariteit bevorderen en openbare aankopers opleiden
- [119] De adviesorganen vragen dat er modelclausules worden opgesteld die hergebruik, herstelbaarheid en modulariteit bevorderen, om het gebruik van circulaire varianten en opties in bestekken aan te moedigen. Criteria die circulariteit afremmen moeten worden uitgefaseerd (CRB & FRDO, 2024, §46).
- [120] Om te komen tot circulaire overheidsopdrachten is het bovendien essentieel om openbare aankopers te trainen in de uitdagingen en praktijken van circulariteit. Een dergelijke opleiding stelt hen in staat om de duurzaamheidscriteria die in de bestekken moeten worden opgenomen (gerecycleerde inhoud, herstelbaarheid, modulariteit, levensduur, koolstofvoetafdruk, enz.) onder de knie te krijgen en tegelijkertijd de juridische overeenstemming met het recht inzake overheidsopdrachten te garanderen.
- Aanbeveling 29. Overheidsopdrachten zoveel mogelijk vereenvoudigen, met name door een hervorming van overheidsopdrachten van geringe omvang
- [121] De adviesorganen herhalen hun oproep om overheidsopdrachten zoveel mogelijk te vereenvoudigen, zodat zoveel mogelijk bedrijven (in het bijzonder kmo’s) erop kunnen inschrijven (CRB & FRDO, 2024, §46). Volgens hen is het belangrijk dat circulaire/duurzame overheidsopdrachten het industrieel beleid ondersteunen en, meer in het algemeen, dat ze ingezet worden om op duurzame wijze zoveel mogelijk waarde te creëren voor de Belgische samenleving en economie.
- [122] In dit verband pleiten zij voor een verhoging van de drempels en een vereenvoudiging van de regels voor opdrachten van beperkte waarde[46]. Dit om de regels eenvoudiger en soepeler te maken voor zowel aanbesteders als economische actoren die willen inschrijven op de aanbestedingen, en om meer actoren (waaronder kmo’s en lokale actoren) in staat te stellen deel te nemen aan deze overheidsopdrachten.
2.4 Het regelgevingskader verder blijven verbeteren en focussen op de implementatie van Europese wetgeving
- [123] De regelgevingsbarrières die de transitie naar een circulaire economie of de ontwikkeling van circulaire bedrijfsmodellen belemmeren, zijn bekend en zijn al onder de loep genomen. De adviesorganen herhalen hun oproep om actie te ondernemen en concrete maatregelen uit te werken om de barrières die in talrijke studies naar voren zijn gekomen, zo snel mogelijk weg te nemen. Wat deze barrières en maatregelen betreft, benadrukken de adviesorganen het volgende:
2.4.1 De status van hergebruikte materialen en afval harmoniseren
- [124] Grensoverschrijdend transport van afvalstoffen is aan specifieke regelgeving onderworpen die de duur van het transport van afval soms fors verlengt of het transport zelfs verhindert. In die zin is het onderscheid tussen afvalstoffen, bijproducten en stoffen in de einde-afvalfase (end-of-waste) zoals gedefinieerd in de afvalstoffenrichtlijn (2008/98/EG) belangrijk. Binnen de categorie ‘afvalstoffen’ bestaan er bovendien nog verschillende typen. Voor het transport ervan worden afvalstoffen die zijn bestemd voor nuttige toepassing ingedeeld in een groene en een oranje lijst. Dit gebeurt op basis van de verordening over de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels (CLP). Ondanks de definities die worden gegeven in de afvalstoffenrichtlijn en de CLP-verordening bestaan nog belangrijke verschillen in interpretatie tussen de lidstaten en de regio’s (zelfs ook binnen België) (CRB & FRDO, 2016, p.8).
- [125] Bovendien zal iedereen die bepaalde afvalstoffen als “grondstoffen” wil (her)gebruiken, te maken krijgen met extra administratieve formaliteiten en procedures. In Vlaanderen moet hiervoor een grondstofverklaring worden aangevraagd bij de OVAM.
- [126] Deze verschillen in interpretatie vormen een belangrijke barrière voor het internationale transport van afval. Op die manier mist België kansen voor de verwerking van buitenlands afval en dus voor de creatie van toegevoegde waarde en jobs in België. Deze problematiek wordt al sinds 2016 benadrukt in de adviezen van de adviesorganen (CRB, 2016). Er is dan ook nood aan harmonisatie op dit vlak, zowel binnen Europa als in België.
- Aanbeveling 30. Prioriteit geven aan de harmonisatie van de regelgeving inzake afvalstoffen en het vervoer ervan
- [127] De adviesorganen pleiten voor een harmonisatie van de regels voor het vervoer, de sortering en de opslag van afvalstoffen tussen de regio’s op basis van de einde-afvalfase-criteria van de Europese kaderrichtlijn inzake afvalstoffen (Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen).
- [128] De adviesorganen vragen ook om te voorzien in een status tussen “afval” en “hergebruikte producten”, waaronder een status van “einde afvalfase”. In dit kader kunnen de overheidsinstanties zich baseren op de werkzaamheden van de OVAM[47], die procedures op dit gebied heeft ingevoerd en momenteel de mogelijkheden onderzoekt om het systeem te vereenvoudigen. De adviesorganen benadrukken het belang om de actoren uit de praktijk hierbij te betrekken om ervoor te zorgen dat het systeem aansluit bij de realiteit op het terrein.
- [129] Vervolgens zal het van essentieel belang zijn dat België op Europees niveau de wederzijdse erkenning van deze materialen tussen de lidstaten bevordert om de interne markt te stroomlijnen. Een gemeenschappelijke definitie en interpretatie van Europese criteria voor het “einde van de afvalstatus” zal de stromen van secundaire materialen juridisch verankeren en zo het verkeer van herbruikbare materialen vergemakkelijken. In dit verband wijzen de adviesorganen erop dat het Draghi-rapport pleit voor een interne afval- en recyclagemarkt in Europa[48].
- [130] In afwachting van een Europese harmonisatie is het essentieel om de Belgische wetgeving te harmoniseren via een interregionaal samenwerkingsakkoord (ISA UPV) op federaal niveau: Verordening afvalvervoer, omgezet in het VLAREMA, de BRUDALEX en het KB van 19 juli 2007 van de Waalse Regering betreffende het vervoer van afvalstoffen.
2.4.2 De regelgeving inzake plastic verpakkingen op nationaal en Europees niveau harmoniseren
- [131] In België is er voor bepaalde kwesties, zoals preventie en verpakkingen, overlapping tussen het federale niveau en de gewesten. Bovendien blijven er inconsistenties bestaan tussen het KB SUP II[49] en de toekomstige PPWR[50] op het gebied van verbodsbepalingen. De PPWR verbiedt bijvoorbeeld producten voor eenmalig gebruik in restaurants tegen 2030, terwijl het KB SUP II gericht is op het verbieden van een bepaald percentage plastic in verpakkingen.
- Aanbeveling 31. Harmonisatie van de regelgeving inzake kunststoffen
- [132] De adviesorganen pleiten voor een harmonisatie van het KB SUP II met de bepalingen van de PPWR, zonder overregulering van de Europese wetgeving en in overleg met de federaties en actoren die de betrokken sectoren vertegenwoordigen. Een dergelijke harmonisatie vereist samenwerking tussen de gewesten en de federale overheid om dubbel werk te voorkomen.
2.4.3 Herstelbaarheidsindex
- [133] In afwachting van Europese wetgeving hebben sommige lidstaten (zoals Frankrijk sinds 2021 en België sinds mei 2025) nationale systemen voor herstelbaarheidsindexen ontwikkeld[51]. Op Europees niveau wordt gewerkt aan de ontwikkeling van indexen voor herstelbaarheid en duurzaamheid in het kader van de wet van 17 maart 2024 ter bevordering van de herstelbaarheid en levensduur van goederen. De adviesorganen zijn over het algemeen van mening dat elk performant en efficiënt (in termen van resultaten) initiatief om de herstelbaarheid en levensduur van producten te verbeteren, positief bijdraagt tot de ontwikkeling van de circulaire economie in ons land (CRB & FRDO, 2022).
- Aanbeveling 32. Pleiten voor een geharmoniseerde Europese herstelbaarheidsindex
- [134] De adviesorganen pleiten voor de spoedige invoering van een geharmoniseerde herstelbaarheidsscore op Europees niveau. Dit om consumenten in staat te stellen circulaire producten beter te herkennen. Met het oog op gelijke kansen, coherentie en duidelijkheid voor de consument vragen zij de Belgische autoriteiten om zich op Europees niveau ten volle in te zetten voor de ontwikkeling van een geharmoniseerde herstelbaarheidsindex (en andere indexen). De EU beschikt bovendien over de juiste instrumenten om de grootschalige invoering ervan te vergemakkelijken (bijvoorbeeld de EPREL-databank[52], in de toekomst het digitale productpaspoort, enz.) De adviesorganen constateren dat de regering (zie de algemene beleidsnota “Klimaat, Ecologische transitie en Duurzame ontwikkeling”) zich ertoe verbindt om samen met de Franse autoriteiten en de Belgische sector te onderzoeken of een duurzaamheidsindex kan worden ontwikkeld voor wasmachines en televisietoestellen en een specifieke index voor fietsen, elektrische fietsen en elektrische steps. Er bestaat al een herstelbaarheidsindex voor diverse elektrische huishoudtoestellen en elektronische apparaten, zoals stofzuigers, vaatwassers, grasmaaiers, laptops en hogedrukreinigers.
2.4.4 Coördinatie van het beleid inzake chemische stoffen en de circulaire economie
- [135] Er zijn talrijke voorbeelden van deze strijdigheden tussen de wetgeving inzake chemische stoffen en de vereisten van de circulaire economie: recyclage van plastic dat aan beperkingen onderworpen stoffen bevat (waaronder DEHP) of elektro- en elektronica-afval (lood, kwik, enz.), zuiveringsslib (zware metalen, PFAS, …) of bouwgranulaten (asbest, PAK’s, PCB’s, enz.) die gevaarlijke stoffen bevatten.
- Aanbeveling 33. Wegwerken van contradicties tussen de regelgeving inzake chemische producten en de vereisten van de circulaire economie
- [136] Volgens de adviesorganen moet de onderlinge wisselwerking tussen de regelgeving inzake chemische producten en de vereisten van de circulaire economie duidelijk worden omschreven en moeten contradicties worden vermeden. Gezien de aanwezigheid van verouderde stoffen in gerecycleerde materialen of herbestemde/hergebruikte producten, moet het juiste evenwicht worden gevonden tussen het bevorderen van circulariteit en het terugdringen van het gebruik van gevaarlijke stoffen. Door het doelbewuste gebruik van zeer zorgwekkende stoffen te controleren, kunnen onbedoelde concentraties in gerecycleerde stromen worden verminderd.
- Aanbeveling 34. De verspreiding van informatie rond REACH intensiveren
- [137] De adviesorganen vragen de federale overheid om een actievere rol te spelen in de verspreiding van informatie rond REACH, waarvan de eerste doelstelling is om de risico’s voor het leefmilieu en de gezondheid van consumenten en werknemers te beperken. Zeker kleinere bedrijven en start-ups missen vaak informatie over welke stoffen gevaarlijk zijn en aan welke productnormen voldaan moet worden (CRB & FRDO, 2024, §55).
- Aanbeveling 35. Zorgen voor een goede handhaving van de wetgeving
- [138] Ook wat REACH betreft, vragen de adviesorganen voldoende personeel en middelen voor controle en handhaving, niet alleen voor de in Europa geproduceerde stoffen en voorwerpen, maar ook voor de controle van de registratie van de chemische stoffen die worden ingevoerd en de naleving van de geldende EU-beperkingen voor bepaalde stoffen in ingevoerde voorwerpen (ook via e-commerce), zodat de Europese productstandaarden geen dode letter blijven (cf. Punt 2.1.1) (CRB & FRDO, 2024, §55).
2.4.5 Geprogrammeerde veroudering
- [139] Hoewel een definitie van geplande veroudering op dit ogenblik ontbreekt, is het duidelijk dat de geplande veroudering die erin bestaat de levensduur van een product opzettelijk te beperken om de vervangingsfrequentie te verhogen, zonder de consument te informeren over de beperkte levensduur, een oneerlijke handelspraktijk vormt in de zin van artikel VI.93 van het Wetboek van economisch recht. Oneerlijke handelspraktijken zijn verboden op grond van artikel VI.95 van het Wetboek van economisch recht. (CRB & FRDO, 2020, §4). Ook in richtlijn (EU) 2024/825[53] wordt geoordeeld dat vroegtijdige veroudering, ook geplande veroudering, nadelig is voor de consument. Praktijken van vroegtijdige veroudering hebben bovendien een algemene negatieve invloed op het milieu in de vorm van meer afval en een groter verbruik van energie en materialen.
- [140] In 2017 publiceerde RDC Environment[54] op verzoek van de FOD Economie, een studie waarin werd onderzocht in welke mate fabrikanten de veroudering programmeren van hun elektronische apparaten (zodat zij sneller buiten gebruik zijn) en wat kan worden gedaan om deze praktijken te beperken. De studie heeft het bestaan van geplande veroudering niet kunnen aantonen, hoewel zij niet uitsluit dat deze praktijk in bepaalde gevallen kan voorkomen.
- Aanbeveling 36. Pleiten voor het vaststellen van een definitie van geplande veroudering en deze praktijk bestraffen op Europees niveau
- [141] De adviesorganen zijn voorstander van het vaststellen van een definitie van geplande veroudering en van de bestraffing van deze praktijk (als een misleidende handelspraktijk). Dat kan bijvoorbeeld gebeuren in het kader van de ESPR-wetgeving (ecologisch ontwerp). Ze bevelen aan om de juridische implicaties ervan te analyseren, waaronder de naleving van de EU-wetgeving (CRB & FRDO, 2020, §4). Ze vragen ook om het toezicht op de naleving van de wetgeving te organiseren, met name voor de ingevoerde producten (cf. punt 1.1) (CRB & FRDO, 2024, §52).
- [142] Zodra er een definitie van geplande veroudering is vastgesteld, kan er verder worden gegaan door consumenten die hiermee worden geconfronteerd garanties te bieden, zodat zij op kosten van de betrokken producenten om terugbetaling of vervanging van het apparaat kunnen vragen (Erasmus University, 2022[55]).
2.4.6 Wettelijke belemmeringen voor de invoering van circulaire activiteiten wegnemen
- [143] Volgens de adviesorganen duurt het veel te lang om milieuvergunningen voor opslag, verwerking en recyclage te verkrijgen, omdat het proces traag en complex is. Deze langdurige en onzekere procedures ontmoedigen particuliere actoren om te investeren in oplossingen voor hergebruik of recyclage. Dit geldt des te meer omdat activiteiten in de circulaire economie vaak pilootprojecten zijn of kleinschalige installaties vereisen die snel moeten kunnen evolueren.
- [144] Bovendien is er in België een tekort aan industriezones voor bedrijven (en met name kmo’s) die ruimte nodig hebben voor activiteiten zoals opslag, terugwinning, recyclage en sortering. Veel circulaire kmo’s vinden dan ook geen beschikbare of betaalbare industrieterreinen om hun activiteit op te starten of uit te breiden.
- [145] Deze moeilijkheden vertragen de opkomst van nieuwe sectoren voor de verwerking van hulpbronnen, belemmeren het experimenteren met en de snelle ontwikkeling van circulaire oplossingen, bevorderen de export van afval of secundaire materialen in plaats van de lokale verwerking ervan en verminderen het concurrentievermogen van circulaire kmo’s ten opzichte van grote bedrijven of importproducten.
- Aanbeveling 37. Vereenvoudigen van de procedures voor de afgifte van milieuvergunningen
- [146] Om de termijnen voor de afgifte van milieuvergunningen voor opslag, verwerking en recyclage te verkorten, vragen de adviesorganen om een herziening van de procedures voor de afgifte van de vergunningen. De lancering van een uniek digitaal portaal voor de indiening, opvolging en het beheer van vergunningsaanvragen kan de procedures vergemakkelijken.
- [147] Bovendien moeten de diensten die bevoegd zijn voor de afgifte van milieuvergunningen over voldoende middelen (menselijke en technologische) beschikken om de termijnen voor de afgifte van milieuvergunningen te optimaliseren.
- [148] De adviesorganen vragen om tegenstrijdige doelstellingen in de Europese milieuregelgeving onder de aandacht te brengen en op te lossen.
- Aanbeveling 38. Meer industrieterreinen aanwijzen die geschikt zijn voor bedrijven (en met name voor kmo’s)
- [149] Om het gebrek aan ruimte voor circulaire bedrijven te verhelpen, vragen de adviesorganen om meer industrieterreinen aan te wijzen die geschikt zijn voor circulaire bedrijven, die vaak veel ruimte nodig hebben (met bijzondere aandacht voor kmo’s), en deze terreinen bouwrijp te maken en op de markt te brengen. Deze aanwijzing moet gebeuren in het kader van de bestaande procedures ter bescherming van natuurgebieden en biodiversiteit. De bestaande doelstellingen en voorwaarden moeten effectief worden nageleefd, zodat deze aanwijzing geen negatieve impact heeft op natuurgebieden en geen afbreuk doet aan de biodiversiteit. De adviesorganen benadrukken ook het belang van aandacht voor de bereikbaarheid van deze zones voor werknemers.
2.5 Ingrijpen op fiscaal vlak en financiering ondersteunen
- [150] De fiscale en financiële barrières die de transitie naar een circulaire economie of de ontwikkeling van circulaire bedrijfsmodellen belemmeren, zijn bekend en zijn al onder de loep genomen. De adviesorganen herhalen hun oproep om actie te ondernemen en concrete maatregelen uit te werken om de barrières die in talrijke studies naar voren zijn gekomen, zo snel mogelijk weg te nemen. Wat deze barrières en maatregelen betreft, hameren de adviesorganen op degene die hierboven zijn genoemd.
- [151] Meer in het algemeen willen de adviesorganen drie aandachtspunten met betrekking tot belastinghervormingen benadrukken. Ten eerste moet, gezien de begrotingssituatie van België, elke fiscale maatregel worden genomen in een bredere context, met als doel een evenwichtige begroting. Ten tweede mogen fiscale maatregelen geen onevenwicht tussen vraag en aanbod veroorzaken, noch een concurrentienadeel voor lokale producenten creëren. Ten derde is het van cruciaal belang om een “stop-and-go”-beleid te vermijden, zowel op het vlak van subsidies als op het vlak van beleidskaders.
2.5.1 Fiscale maatregelen die preventie, herbestemming, hergebruik, reparatie, deeleconomie en producten met gerecycleerde materialen bevorderen
- [152] Volgens de adviesorganen zijn financiële stimuli om preventie, reparatie en herbestemming aantrekkelijker te maken een essentieel instrument in de overgang naar een circulaire economie. Met gepaste maatregelen kunnen bedrijven en consumenten immers een sterkere rol opnemen in de duurzame omslag en kan de circulaire economie de nieuwe norm worden (CRB & FRDO, 2024, §37). Ze benadrukken ook dat consumenten en ondernemingen steeds meer aandacht besteden aan duurzaamheid en circulariteit[56], maar niet tegen elke prijs: zowel bij particulieren als bij bedrijven blijft de kostprijs een belangrijke overweging bij het maken van aankopen voor de eerstgenoemden en het nemen van beslissingen voor de laatstgenoemden.
- [153] De sectoren hergebruik en reparatie zijn echter arbeidsintensieve sectoren. De loonkosten voor laaggekwalificeerd personeel voor het sorteren, demonteren, reinigen en vervoeren (reparateurs, logistieke profielen voor de controle van tweedehands/gehuurde producten, enz.) maken dat reparatie en hergebruik van grondstoffen duur uitvallen en voor veel consumenten minder interessant dan de aankoop van een nieuw product. Daarentegen worden bepaalde ruwe grondstoffen kunstmatig laag geprijsd door subsidies voor fossiele brandstoffen en omdat de milieukosten niet worden doorberekend.
- [154] De fiscale stelsels zijn dus weinig bevorderlijk voor preventie, hergebruik en reparatie. Om deze belemmering weg te nemen, heeft België een verlaagd btw-tarief van 6 % ingevoerd voor “kleine reparatiediensten”, namelijk de reparatie van fietsen, schoenen en lederwaren, kleding en huishoudlinnen. Deze maatregel is echter vrij beperkt en onvolledig, aangezien:
- – de levering van goederen (bijv. onderdelen die voor de reparatie worden gebruikt) en reparaties van andere goederen (bijv. huishoudelijke apparaten) die niet onder het verlaagde tarief vallen;
- – alleen goederen die door sociale organisaties worden geleverd, tegen het verlaagde tarief mogen worden verkocht.
- [155] Bovendien kunnen consumenten in België, in tegenstelling tot andere landen (bijvoorbeeld Zweden), de reparatiekosten niet aftrekken van hun belastingaangifte.
- [156] Dit alles ontmoedigt consumenten om te kiezen voor reparatie of hergebruik van goederen en maakt het noodzakelijk om te streven naar een taks-shift die secundaire grondstoffen bevoordeelt ten opzichte van het gebruik van primaire grondstoffen.
- Aanbeveling 39. Het toepassingsgebied van het btw-tarief van 6 % uitbreiden
- [157] De adviesorganen pleiten ervoor om het toepassingsgebied van het btw-tarief van 6 % uit te breiden tot de reparatie van elektrische huishoudapparaten, alle reparatiediensten en de verkoop van reserveonderdelen en alle tweedehandsproducten, ongeacht of ze al dan niet door een organisatie met een maatschappelijk doel worden verkocht, en om gerecycleerde of hergebruikte materialen expliciet op te nemen in de verlaagde tarievenregeling. Voor de toepassing van het verlaagde btw-tarief op de reparatie van huishoudelijke apparaten volstaat een wijziging van KB nr. 20 (tabel A, XXXIX van het koninklijk besluit). Voor de andere uitbreidingen is een ingreep op Europees niveau nodig (namelijk de wijziging van bijlage III bij de btw-richtlijn).
- [158] In eerste instantie vragen de adviesorganen om een wijziging van bijlage III bij de btw-richtlijn om de lidstaten in staat te stellen verlaagde btw-tarieven toe te passen op diensten en producten die verband houden met de circulaire economie en die nu al kunnen worden “gecontroleerd”, d.w.z. die verband houden met:
- – reparatie en onderhoud (textiel, elektrische huishoudapparaten, IT, fietsen, auto’s, enz.);
- – hergebruik en tweedehands (textiel, meubilair, elektronica, enz.);
- – refurbishing/upcycling (met name IT, meubilair, bouwmaterialen).
- Aanbeveling 40. Andere in te zetten prijssignaalhefbomen analyseren voor de andere treden van de Ladder van Lansink
- [159] In tweede instantie vragen ze de overheid om te analyseren welke andere prijssignaalhefbomen kunnen worden ingezet om ecodesign, producten die zijn gemaakt van gerecycleerde materialen of producten die gebruikt worden in de functionaliteitseconomie te bevorderen, op dezelfde wijze als de andere treden van de Ladder van Lansink.
2.5.2 Belastingvoordeel voor schenkingen ten opzichte van vernietiging
- [160] De adviesorganen stellen vast dat de belastingregelingen ongunstig zijn voor schenkingen van onverkochte of door de consument geretourneerde producten ten opzichte van de vernietiging van deze producten. Volgens de huidige btw-wetgeving kan slechts een beperkt aantal niet-voedingsmiddelen zonder gevolgen voor de btw worden geschonken, namelijk goederen die essentieel zijn voor de dagelijkse hygiëne, gezondheid, basiszorg, opvoeding en minimale levensomstandigheden thuis. Tal van andere producten, zoals elektronische apparaten, fietsen, meubels, kinderwagens enz. vallen hier niet onder. Voor deze andere goederen moet het bedrijf bij schenking de overeenkomstige btw aan de staat terugbetalen. Bij vernietiging daarentegen behoudt het bedrijf de volledige oorspronkelijke btw-aftrek, zonder extra formaliteiten. Behalve voor de beperkte lijst van basisbenodigdheden is vernietiging dus interessanter dan schenking. Schenkingen zijn bovendien onderworpen aan specifieke bewijsvereisten (restwaarde, ontvanger, traceerbaarheid, enz.). Deze administratieve rompslomp ontmoedigt kmo’s om gebruik te maken van schenkingen. Voor vernietiging is daarentegen alleen een bewijs van verwijdering nodig.
- [161] In de huidige situatie stimuleert het belastingstelsel vernietiging in plaats van schenking, wat in strijd is met de principes van de circulaire economie en de afvalhiërarchie (preventie, hergebruik, recyclage, enz.).
- Aanbeveling 41. De lijst van niet-voedingsmiddelen die zonder fiscale gevolgen kunnen worden geschonken, uitbreiden
- [162] De adviesorganen pleiten ervoor om de lijst van niet-voedingsmiddelen (matrassen, elektronica, enz.) die zonder fiscale gevolgen kunnen worden geschonken, uit te breiden tot de categorie “niet-beslagbare goederen” (meubels, huishoudapparaten, telefoons, enz.) zoals voorzien in het akkoord van de federale regering. België kan bovendien inspiratie putten uit het Franse model, waar een vrijstelling van btw geldt voor de schenking van onverkochte niet-voedingsmiddelen[57]. Naast de aanpassing van het fiscale kader om de btw bij schenkingen te kunnen terugvorderen, vragen zij dat er wordt nagedacht over een verlaging van de administratieve lasten die aan deze schenkingen verbonden zijn. Het doel moet zijn te garanderen dat schenkingen niet duurder zijn dan vernietiging.
- Aanbeveling 42. De transparantieverplichting (rapportage) met betrekking tot onverkochte producten die worden weggegooid of vernietigd, ondersteunen en nagaan of het wenselijk is het verbod op vernietiging uit te breiden naar andere producten.
- [163] De adviesorganen vragen België om de Europese transparantieverplichting (rapportage) met betrekking tot onverkochte producten (“unsold consumer products”) die worden weggegooid of vernietigd, zoals bepaald in de verordening inzake ecologisch ontwerp van duurzame producten (ESPR), te ondersteunen. Het doel is om bedrijven die een product afvoeren (dat afval wordt) te verplichten om het volgende te rapporteren: a) de hoeveelheid (gewicht, aantal, percentage) onverkochte/vernietigde producten; b) de redenen voor de vernietiging; c) wat er wordt gedaan om dit fenomeen te verminderen; d) de verwerking van deze onverkochte producten (herbestemming, recyclage, enz.).
- [164] De adviesorganen vragen België om ook het verbod voor economische actoren op de vernietiging van bepaalde onverkochte producten (waaronder textiel[58]) op EU-niveau te steunen, zoals voorzien in het kader van de ESPR-verordening, met uitzonderingen voor kleine/middelgrote ondernemingen of om specifieke redenen (veiligheid, hygiëne, enz.).
- [165] In dit kader is het belangrijk dat België op Europees niveau pleit voor een analyse van de gegevens uit de EU-rapportage over de vernietiging van producten en voor een monitoring van de impact van het verbod op textiel. Dit om te kunnen onderzoeken of maatregelen in andere productcategorieën nodig zijn. Aangezien de vernietiging in bepaalde productcategorieën relatief gering is, heeft een verbod op vernietiging voor deze sectoren weinig zin. Volgens de adviesorganen is het van prioritair belang ervoor te zorgen dat schenken niet duurder wordt dan vernietigen (zie hierboven).
2.5.3 Verbeteren van de regeling voor verhoogde investeringsaftrek voor groene investeringen
- [166] De adviesorganen staan zeer positief tegenover de verhoogde aftrek van 40% voor groene investeringen door kmo’s en zelfstandigen en van 30% voor grote ondernemingen, die sinds 1 januari 2025 van toepassing is[59]. Ze willen echter enkele bedenkingen uiten bij de uitvoering ervan, die zij zeer complex vinden. Volgens hen is de vraag of investeringen in aanmerking komen voor de verhoogde aftrek gebaseerd op categorieën en lijsten die nog steeds vaag en onvolledig zijn en te weinig regelmatig worden bijgewerkt. Enerzijds is het voor bepaalde investeringen niet duidelijk of ze al dan niet in aanmerking komen voor de verhoogde aftrek (bijvoorbeeld zonnepanelen). Anderzijds zijn tal van innovatieve of nichetechnologieën (nog) niet opgenomen. Bovendien moet een attest worden aangevraagd om de in aanmerking komende investeringen te valideren en recht te hebben op de verhoogde aftrek, maar die attesten worden momenteel niet afgegeven omdat er geen samenwerkingsovereenkomst tussen de gewesten bestaat. Geen van de betrokken gewestelijke entiteiten heeft het recht om een attest af te geven zolang er geen samenwerkingsovereenkomst is ondertekend door de bevoegde ministers. De late afgifte van certificaten vormt dus een probleem, waardoor de indiening van de aangiften voor de vennootschapsbelasting voor veel ondernemingen in het gedrang komt. Dit temeer omdat dit systeem is aangemerkt als maatregel in het kader van het sociaal klimaatfonds voor micro-ondernemingen.
- [167] Meer in het algemeen benadrukken de adviesorganen dat het fiscale instrument – namelijk de verhoogde aftrek voor investeringen – in zijn huidige vorm de toegang tot deze fiscale stimulans voor bepaalde actoren beperkt. De verhoogde aftrekbaarheid kan namelijk worden toegepast op de vennootschapsbelasting of de personenbelasting, maar sluit de belastingstelsels van rechtspersonen uit (waaronder vzw’s, stichtingen, mutualiteiten, bepaalde autonome overheidsinstanties, enz.)[60]. Talrijke actoren, die ook in groene infrastructuur of voorzieningen moeten investeren, zijn vandaag de facto uitgesloten van de fiscale stimulans, waardoor de doeltreffendheid en billijkheid van deze stimulans worden ondermijnd.
- Aanbeveling 43. Mogelijkheden onderzoeken om de toegang tot de fiscale stimulans te verruimen
- [168] De adviesorganen vragen de overheid om verschillende pistes te onderzoeken om de toegang tot de fiscale stimulans te verruimen (onder meer voor rechtspersonen) en groene investeringen op een meer inclusieve manier te ondersteunen.
- Aanbeveling 44. De categorieën/lijsten vereenvoudigen en de aanvraagprocedure verduidelijken
- [169] De adviesorganen pleiten voor de uitvoering van een samenwerkingsovereenkomst tussen de federale overheid en de gewesten, zodat de certificaten kunnen worden afgeleverd en de onzekerheid over de inhoud van de lijsten verdwijnt. Zo vragen ze enerzijds om een vereenvoudiging van de categorieën en lijsten van investeringen die in aanmerking komen voor de verhoogde aftrek voor groene investeringen. Anderzijds vragen ze om een samenwerkingsovereenkomst waarin de bevoegde instanties per type goederen/attesten worden aangewezen en waarin wordt voorzien in duidelijke informatie over de aanvraagprocedure voor certificaten (bij welke instanties moeten bedrijven terecht? binnen welke termijnen?). Een dergelijke aanpak zou de administratieve rompslomp verminderen en tegelijkertijd zorgen voor meer transparantie en gelijkheid wat betreft de toegang tot belastingaftrek, waardoor de doeltreffendheid van deze nuttige en noodzakelijke maatregel zou toenemen.
- Aanbeveling 45. Overgaan tot een jaarlijkse bijwerking van de lijsten
- [170] De adviesorganen vragen om een jaarlijkse bijwerking van de lijsten van investeringen die in aanmerking komen voor de verhoogde aftrek voor groene investeringen. Met het oog hierop stellen zij voor om een direct aanspreekpunt/platform met de bevoegde administraties op te zetten waar bedrijven voorstellen kunnen indienen ter aanvulling van deze lijst voor het volgende jaar. Het doel van een dergelijke aanpak is om meer flexibiliteit te bieden voor nieuwe “groene” technologieën (of technologieën die over het hoofd zijn gezien) – en in geen geval om instabiliteit te creëren door producten die volledig zijn ontwikkeld zonder een voldoende lange overgangsperiode van de lijsten te schrappen.
- [171] In dit kader zou het met name opportuun zijn om een verhoogde aftrek in te voeren voor bedrijven die investeren in modulaire producten, de renovatie van gebruikte producten of circulaire bedrijfsmodellen (zoals PaaS of refurbished producten).
2.5.4 Ecocheques[61]
- [172] Ecocheques hebben (onder andere[62]) een belangrijke rol te vervullen in het aanmoedigen van herstellingen, van herbestemming en van duurzame consumptie (CRB & FRDO, 2024, §38, NAR advies nr. 2.200 van 3 maart 2021, p. 12, advies nr. 2.260 van 21 december 2021, p.11). Door middel van ecocheques draagt de Nationale Arbeidsraad (NAR) mee bij aan de dynamiek van een transitie naar een circulaire economie. Zo bevat de lijst van diensten en producten die met ecocheques kunnen worden aangekocht o.a. de aankoop van tweedehandse of gerecycleerde producten, de herstelling en de huur van bepaalde producten. Zo heeft de NAR in 2023, bij de tweejaarlijkse evaluatie van de lijst, de lijst aangevuld om de aankoop van tweedehandse elektrische apparaten nog meer te bevorderen (advies nr. 2.344 van 24 januari 2023 en collectieve arbeidsovereenkomst nr. 98/10 van 24 januari 2023).
- Aanbeveling 46. Ecocheques, een instrument van de sociale partners alleen
- [173] In dit laatste advies nr. 2.436 benadrukt de NAR ook dat het systeem van ecocheques een instrument is dat uitsluitend door de sociale partners wordt beheerd. Zij willen dan ook alle aspecten ervan blijven beheren. Dit is een voortdurende bezorgdheid van de sociale partners, die zij al hebben geuit in hun advies nr. 2.029 van 24 maart 2017.
2.5.5 Toegang tot financiering vergemakkelijken voor PaaS-modellen
- [174] Ondernemers die “Product-as-a-Service”-modellen (PaaS) willen implementeren, krijgen vaak ongunstige financiële beoordelingen van kredietinstellingen of financiers. Dit komt doordat de producten eigendom blijven van de initiatiefnemer/fabrikant, wat van invloed is op het risico dat inherent is aan het project. Daardoor zijn de interestvoeten hoger en eisen banken garanties. In klassieke verkoopmodellen wordt het verkochte product beschouwd als één van de activa, of zijn de inkomsten voorspelbaar. In het geval van PaaS blijft het product eigendom van de leverancier. Banken kunnen het dus niet zomaar als garantie gebruiken in geval van wanbetaling. Bovendien wordt de cashflow over een lange periode gespreid, wat niet het geval is bij een eenmalige verkoop, waardoor het risico toeneemt. Verder blijft het product in een PaaS-model op de balans van de producent staan, wat van invloed is op de afschrijvingstermijn. In het kader van “Product as a Service” (PaaS) bestaat er vaak grote juridische onzekerheid over de aansprakelijkheid, de verzekering en de restwaarde van het product na meerdere jaren gebruik.
- [175] Bovendien wordt elke verhuur van roerende goederen waarbij aan het einde van de looptijd een verplichting of een optie tot aankoop in hetzelfde contract of in een afzonderlijk contract is opgenomen, geherkwalificeerd als huurkoop of verkoop op afbetaling en is deze dus onderworpen aan de vereisten van boek VII van het Wetboek van economisch recht (precontractuele informatie, JKP, herroepingsrecht, reclamevermeldingen, sancties, enz.). Dit soort strenge verplichtingen vormen een obstakel voor de verhuur als circulair economisch model.
- Aanbeveling 47. Ontwikkelen van specifieke PaaS-beoordelingskaders voor financiële instellingen en investeerders
- [176] De adviesorganen zijn van mening dat de ontwikkeling van specifieke PaaS-beoordelingskaders voor financiële instellingen en investeerders een belangrijke hefboom zou zijn. Hierbij is het cruciaal om de wetgevende instanties te sensibiliseren voor de circulaire economie, ook in het kader van wetgeving die niet specifiek verband houdt met circulariteit[63].
- [177] Daarnaast vragen zij om versnelde of verhoogde afschrijvingen toe te staan voor producten die bestemd zijn voor PaaS of leasing, en om in samenwerking met de banken een systeem van federale garanties te ontwikkelen dat de toegang tot krediet voor circulaire projecten vergemakkelijkt. Commerciële modellen van het type “product als een dienst”, innovatieve circulaire start-ups en kmo’s moeten gemakkelijker aan financiering kunnen komen. Dit kan dankzij de tussenkomst van de overheid.
2.5.6 De toegang tot financiering voor bedrijven (en met name kmo’s) vergemakkelijken
- [178] De zko’s en kmo’s die actief zijn (of willen starten) in de circulaire economie hebben vaak moeite om toegang te krijgen tot financiering. Hoewel Europese fondsen, zoals het Nationaal plan voor herstel en veerkracht (HVP), met inbegrip van de projectoproepen die zijn gepubliceerd in het kader van “Belgium builds back circular” (BBBC), vooruitgang hebben geboekt, brengt het tijdelijke karakter ervan een risico op discontinuïteit met zich mee. Kleinere ondernemingen ondervinden in het algemeen meer problemen om financiering te vinden, en dit geldt in het bijzonder bij de transitie naar een circulair businessmodel dat in bepaalde gevallen als risicovoller wordt gezien (bv. PaaS) of waarvoor vaak hoge initiële investeringen nodig zijn (bv. recyclage-installaties).
- Aanbeveling 48. Nood aan meer Europese financiering en proactieve begeleiding van kmo’s om toegang te krijgen hiertoe
- [179] De Raden pleiten voor het verder uitbouwen van ondersteuning op Europees niveau. Zo kan het potentieel van Europese programma’s zoals FEDER of InvestEU versterkt worden om kmo’s te begeleiden in de circulaire economie. Ook zou een specifiek fonds kunnen gecreëerd worden gericht op de ondersteuning van de circulaire transitie, te financieren via bestaande fondsen voor innovatie en concurrentievermogen.
- [180] Naast het uitbreiden van een Europees financieringsaanbod gericht op de circulaire economie moeten kleine bedrijven ook nog beter en meer proactief geïnformeerd, georiënteerd en begeleid worden om toegang te krijgen tot deze financieringsinstrumenten waarvoor de toegang vaak complex is. De inspanningen van de gewesten zouden op dit vlak meer kunnen gecoördineerd worden.
Bibliografie
CENTRALE RAAD VOOR HET BEDRIJFSLEVEN (2026), Oproep voor een ambitieus actieplan circulaire economie, CRB 2026-0190.
CENTRALE RAAD VOOR HET BEDRIJFSLEVEN (2025a), Werk maken van een efficiënte en effectieve controle van e-commerce-importstromen, Gezamenlijk advies van de brc “Postdiensten en e-commerce” en de brc “Distributie”, CRB 2025-1320.
CENTRALE RAAD VOOR HET BEDRIJFSLEVEN (2025b), Aanbevelingen over ConsumerConnect, Advies van de brc Verbruik, CRB 2025-1310.
CENTRALE RAAD VOOR HET BEDRIJFSLEVEN (2025c), Een visie en een strategie voor een veerkrachtig, concurrerend, inclusief en houdbaar sociaal-economisch model tegen 2050, Advies, CRB 2025-0050.
CENTRALE RAAD VOOR HET BEDRIJFSLEVEN (2022), Naar duurzamere overheidsopdrachten die de activiteit en de lokale werkgelegenheid zo goed mogelijk ondersteunen, CRB 2022-2610.
CENTRALE RAAD VOOR HET BEDRIJFSLEVEN (2020), Naar een e-inclusief beleid in België, Advies van de brc Verbruik, CRB 2020-2550.
CENTRALE RAAD VOOR HET BEDRIJFSLEVEN (2016), Naar een Belgische circulaire economie die kwaliteitsvolle jobs en toegevoegde waarde creëert – focus op recyclage, Advies, CRB 2016-0496.
CENTRALE RAAD VOOR HET BEDRIJFSLEVEN & FEDERALE RAAD VOOR DUURZAME ONTWIKKELING (2025), Het ontwerp van Belgische geïntegreerde visie op circulaire economie, Gezamenlijk advies CRB, brc Verbruik en FRDO, CRB 2025-0385 / FRDO2025a01n.
CENTRALE RAAD VOOR HET BEDRIJFSLEVEN & FEDERALE RAAD VOOR DUURZAME ONTWIKKELING (2024), De transitie naar een circulaire economie versnellen, Gezamenlijk advies CRB, brc Verbruik en FRDO, CRB 2024-2568 / FRDO2025a16n.
CENTRALE RAAD VOOR HET BEDRIJFSLEVEN & FEDERALE RAAD VOOR DUURZAME ONTWIKKELING (2022), Herstelbaarheidsindex, Gezamenlijk advies CRB, brc Verbruik en FRDO, CRB 2024-2568 / FRDO2025a16n.
CENTRALE RAAD VOOR HET BEDRIJFSLEVEN & FEDERALE RAAD VOOR DUURZAME ONTWIKKELING (2021), Advies over het ontwerp van federaal actieplan circulaire economie, CRB 2022-2848 / FRDO2022a13n
CENTRALE RAAD VOOR HET BEDRIJFSLEVEN & FEDERALE RAAD VOOR DUURZAME ONTWIKKELING (2020), Geplande veroudering, Gezamenlijk advies CRB, brc Verbruik en FRDO, CRB 2020-0640 / FRDO2020a05n.
ICEDD (2020), Circulaire bouw en renovatie: Acties en aanbevelingen aan het federale niveau om de circulaire economie in de bouw te versnellen, Eindstudieverslag, November 2020.
CLIMACT & Idea Consult (2024), The sectoral impacts of the climate transition : focus on activity, employment and training, Methodology, main learnings and considerations, December 2024.
Koning Boudewijnstichting en Circle Economy (2019), Circulaire tewerkstelling in België – een nulmeting van de werkgelegenheid in de circulaire economie in België, November 2019.
[1] Uitdaging die des te belangrijker is in de huidige geopolitieke context.
[2] Volgens de meest recente gegevens van het “Circular Economy monitoring framework” van de Europese Commissie had België het hoogste recyclagepercentage van alle afvalstoffen, met uitzondering van de minerale afvalstoffen in de EU (87% in 2020), het op twee na hoogste recyclingpercentage voor verpakkingsafval (79,9% in 2023) en het op vijf na hoogste recyclagepercentage voor stedelijk afval (54,7% in 2022). Het recyclagepercentage van ingezamelde afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA) bedroeg 73,2% in 2022. Het percentage circulair materiaalgebruik in België is het op drie na hoogste in de EU (19,7% in 2023, tegenover 12% gemiddeld in de EU). Op dit vlak kan en moet het nog beter.
[3] In 2022 werd in België 62 miljoen ton afval geproduceerd, ofwel 5275 kg per inwoner (tegenover 4981 kg/inwoner gemiddeld in de EU).
[4] Dat wil zeggen inclusief materialen die in het buitenland worden ontgonnen om aan ons nationaal materiaalverbruik te voldoen.
[5] De korte beschrijving van de stand van zaken in België, die hier wordt gegeven op basis van de beschikbare indicatoren, volstaat niet om alle aspecten van de circulaire economie in kaart te brengen. Ze geeft echter wel een (gedeeltelijk) beeld van de circulariteit van de Belgische economie.
[6] Gezamenlijk advies “De transitie naar een circulaire economie versnellen”, CCE 2024-2568 / FRDO2024a16n.
[7] Gezamenlijk advies “Het ontwerp van Belgische geïntegreerde visie op circulaire economie”, CCE 2025-0385 / FRDO 2025a01n.
[8] Cf. https://www.e-dechet.com/deee/difference-reemploi-et-reutilisation.
[9] Deze rondetafelgesprekken hadden tot doel een overzicht te geven van de belemmeringen en concrete oplossingen voor de ontwikkeling van hergebruik in vier prioritaire sectoren: verpakkingen, bouw, textiel en elektronica.
[10] De Ladder van Lansink geeft voor de verwerking van afval de volgende voorkeur aan: 1) preventie van afval; 2) herbestemming van grondstoffen / afval; 3) recyclage van producten en materialen of terugwinning door omzetting in compost; 4) verbranding met energierecuperatie; 5) verbranding zonder energierecuperatie; 6) storten op een stortplaats.
[11] De goedkeuring van de “Circular Economy Act” is gepland voor 2026 en heeft tot doel een interne markt voor secundaire grondstoffen tot stand te brengen, het aanbod van hoogwaardige gerecycleerde materialen te vergroten en de vraag naar deze materialen in de EU te stimuleren. De wet volgt op de aanbevelingen van de rapporten Letta en Draghi, van de industrie (in de verklaring van Antwerpen), van de Europese Raad (verklaring van Boedapest) en van het Parlement.
[12] De principes waaraan goede regelgeving moet beantwoorden zijn uiteengezet in het “Verslag Werkgelegenheid-Concurrentievermogen 2018-2019: Focussen over concrete principes en maatregelen om de
sociaal-economische uitdagingen van België aan te gaan” (CRB 2019-2102).
[13] Regelgeving inzake afval, ecologisch ontwerp, REACH, misleidende milieuclaims, …
[14] De milieuschade die gepaard gaat met de verbranding van fossiele brandstoffen doet zich niet voor bij de verbranding van fossiele brandstoffen die als grondstof worden gebruikt (er is echter wel schade verbonden aan de winning, het transport en de verwerking ervan). Daarom zijn er Europese mechanismen ingevoerd (die binnenkort van kracht worden/worden uitgebreid) om een deel van de milieukosten te internaliseren (bijv. ETS-1, ETS-2, CBAM). Bovendien zijn de productie- en importcapaciteit voor elektriciteit, evenals de capaciteit van het Belgische elektriciteitsnet, momenteel ontoereikend om het verbruik van fossiele brandstoffen te compenseren.
[15] “Om de bestaande wetgevingen te versterken, pleiten de adviesorganen ervoor dat de UPV-regels, in het kader van de ESPR, voldoende stimulerende “ecomodulatieheffingen” bevatten die zijn gebaseerd op geharmoniseerde criteria, vastgesteld op het niveau van de ESPR, en op coherente en ambitieuze doelstellingen die de naleving van de Ladder van Lansink garanderen. België moet dan ook een ambitieuze houding aannemen in de lopende en toekomstige Europese discussies over de ESPR teneinde een Europees kader tot stand te brengen dat nadien zal worden geïmplementeerd in het Belgische UPV-systeem.”
[16] Consumenten en professionals weten niet altijd hoe ze een beroep kunnen doen op een gekwalificeerde reparateur en weten vaak niet tot wie ze zich moeten wenden, vooral wanneer het product niet meer onder de garantie valt.
[17] Het project “Interpool” is een Interreg. Europe-Nord Est-project (Call 5). Het betreft een project voor de invoering van een systeem voor hergebruik van glazen verpakkingen op transnationaal niveau (België, Frankrijk, Nederland en Duitsland). Het project wordt geleid door de Fair Resource Foundation in samenwerking met tal van actoren, waaronder Fevia, Comeos en verschillende Europese eco-organisaties (waaronder Fost Plus, Verpact en Citeo). Het project, dat op 19 november 2026 werd goedgekeurd, wordt gefinancierd tot juni 2029.
[18] Het “Horizon Consortium” is een kandidatuur voor een Europees Horizon-project (HORIZON-CL6-2025-01) – waarvan de financiering nog moet worden bevestigd. Het gaat om een consortium voor “Circular systemic solutions for regenerative agriculture, local food systems, and reusable packaging in cities and regions”. Bij het project zullen Belgische actoren betrokken zijn, zoals Flanders Food, Fair Resource Foundation en de intercommunale IPALLE.
[19] Cf. https://commission.europa.eu/topics/competitiveness/clean-industrial-deal_nl. Het ontwerp van “Circular Economy Act” lijkt nog geen specifieke kwantitatieve doelstellingen vast te leggen voor de herbestemming van producten of componenten. De besprekingen zijn echter nog gaande. Zoals vermeld in punt 1.2 is het belangrijk dat België, dat deelneemt aan deze Europese discussies, ervoor zorgt dat ambitieuze doelstellingen worden vastgesteld (of dat de doelstellingen in geen geval naar beneden worden bijgesteld). Het is ook belangrijk om dubbel werk en inconsistenties in de doelstellingen tussen de verschillende beleidsniveaus en tussen de verschillende regelgevingen te vermijden.
[20] Richtlijn (EU) 2024/1781 stelt (onder andere) een kader vast “voor het vaststellen van vereisten inzake ecologisch ontwerp waaraan producten moeten voldoen om in de handel te worden gebracht of in gebruik te worden genomen, met als doel de ecologische duurzaamheid van producten te verbeteren, teneinde van duurzame producten de norm te maken en de totale koolstofvoetafdruk en milieuvoetafdruk van producten gedurende hun levenscyclus te verkleinen en het vrije verkeer van duurzame producten binnen de interne markt te waarborgen” (art.1, §1).
[21] Ze is niet van toepassing op: a) levensmiddelen zoals gedefinieerd in artikel 2 van Verordening (EG) nr. 178/2002; b) diervoeders zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 4, van Verordening (EG) nr. 178/2002; c) geneesmiddelen zoals gedefinieerd in artikel 1, punt 2, van Richtlijn 2001/83/EG; d) diergeneesmiddelen zoals gedefinieerd in artikel 4, punt 1, van Verordening (EU) 2019/6;e) levende planten, dieren en micro-organismen; f) producten van menselijke oorsprong; g) producten van planten en dieren die rechtstreeks verband houden met toekomstige vermeerdering ervan; h) voertuigen zoals bedoeld in artikel 2, lid 1, van Verordening (EU) nr. 167/2013, in artikel 2, lid 1, van Verordening (EU) nr. 168/2013 en in lid 1, van artikel 2, Verordening (EU) 2018/858, met betrekking tot de productaspecten waarvoor vereisten zijn vastgesteld uit hoofde van sectorspecifieke wetgevingshandelingen van de Unie die op die voertuigen van toepassing zijn.
[22] Het “Werkplan 2025-2030 inzake ecologisch ontwerp voor duurzame producten en energie-etikettering” (COM 2025 187 final) van 16 april 2025 definieert prioritaire producten op basis van hun potentieel voor milieuverbetering, hun impact op de waardeketens en hun economisch gewicht. Het voorziet in specifieke of transversale vereisten voor bepaalde eindproducten (textiel, meubels, banden, matrassen), tussenproducten (ijzer en staal, aluminium) en horizontale vereisten (repareerbaarheid en gerecyclede inhoud en recycleerbaarheid van elektrische en elektronische apparatuur).
[23] Ecomodulatie past de bijdragen die bedrijven betalen aan een eco-organisatie (bijv. Fost Plus voor verpakkingen, Recupel voor AEEA in België) aan op basis van de milieu-impact van hun verpakkingen en producten die op de markt worden gebracht. Bedrijven betalen meer of minder naargelang de milieu-impact van hun producten, wat hen stimuleert om duurzamere producten te ontwerpen die gemakkelijker te herstellen/herbestemmen/recycleren zijn.
[24] De Commissie zal uiterlijk op 19 juli 2026 een register van digitale productpaspoorten ontwikkelen en beheren (art.13, EU 2024/1781).
[25] Cf. https://airtable.com/app5a0aLC88CZIOft/shrFVPW8eUN9jSZLK/tblwPWTK3Mt4tMbiZ.
[26] Facilitating the Circulation of Reclaimed Building Elements.
[27]In dit verband streeft Buildwise ernaar om (1) bestaande platforms via gemeenschappelijke protocollen met elkaar te verbinden om een interoperabel netwerk te creëren, waardoor degenen die materialen aanbieden (aanbod) en degenen die materialen zoeken (vraag) toegang krijgen tot de hele markt en de beschikbare stromen kunnen publiceren of raadplegen, (2) normen vast te stellen voor de inventarisatie en publicatie van gegevens (materiaalstromen, kenmerken, beschikbaarheid), en (3) een robuuste IT-infrastructuur te ontwikkelen om dit netwerk te ondersteunen. Dit alles om een overkoepelend platform (metaplatform) te creëren waarop vraag en aanbod kunnen worden toegevoegd van materialen die nog niet op andere platforms aanwezig zijn, en waarop bedrijven hun eigen tools of databases rechtstreeks kunnen plaatsen, zodat alle advertenties op nationaal niveau zichtbaar zijn.
[28] Bijvoorbeeld, materiaal in de bouw zeer lang vastzit (35 tot 100 jaar) voordat er recyclaat uit kan worden gemaakt. Dit moet meegenomen worden bij voorbeeld bij het opstellen van verplichtingen tot gebruik van recyclaat, aangezien anders de prijzen van recyclaat sterk zullen stijgen doordat de vraag veel hoger zal zijn dan het aanbod.
[29] Momenteel onderscheidt de wetgeving slechts twee statussen: product en afval. Hergebruikmaterialen bevinden zich vaak in een grijze zone tussen beide, wat hun transport, opslag en verwerking bemoeilijkt. De manier waarop deze grijze zone wordt beheerd (gevaarlijke stoffen, “end-of-waste”-criteria, enz.) valt onder de bevoegdheid van de gewesten. Het risico bestaat dus dat de drie gewesten verschillende benaderingen hanteren, wat obstakels opwerpt voor de actoren in de sector (zie punt 2.4.1).
[30] Hieronder vallen technische en juridische specialisten, de verschillende beleidsniveaus, het maatschappelijk middenveld en de verschillende doelgroepen en kwetsbare groepen en digitale profielen.
[31] Inzake etikettering legt de verordening (EU) 2011/1169 betreffende het verstrekken van informatie aan consumenten de regels vast op Europees niveau betreffende met name de lijst van ingrediënten, de allergenen, de voedingswaarden en de traceerbaarheid. Dat kader, dat een stevige basis vormt, biedt de lidstaten evenwel enige flexibiliteit over bepaalde aspecten, wat heeft geleid tot het ontstaan van nationale of particuliere initiatieven. Deze nationale specifieke kenmerken bemoeilijken de situatie van de operatoren, die soms worden geconfronteerd met tegenstrijdige wetgevingen, en ze beperken het vrije verkeer van goederen aanzienlijk.
[32] De stralingsabsorptie van een mobiele telefoon, ook wel “SAR” (specific absorption rate) genoemd, geeft de hoeveelheid elektromagnetische energie aan die door het lichaam wordt geabsorbeerd tijdens het gebruik van de mobiele telefoon.
[33] De wetgever legt steeds meer informatieverplichtingen op via productetikettering en er komt nog meer verplichte informatie op het gebied van duurzaamheid aan. Bovendien is de officiële taal van elke taalregio op het productetiket verplicht. Daardoor kan voor bepaalde kleine producten letterlijk niet alle informatie op het etiket worden vermeld.
[34] De adviesorganen verstaan onder “product vervaardigd uit hergebruikte materialen” een nieuw of industrieel gereviseerd product waarvan een of meer onderdelen (materialen of componenten) afkomstig zijn van teruggewonnen/hergebruikte materialen. Voorbeeld: een nieuw meubel waarvan de planken afkomstig zijn van hergebruikte pallets.
[35] De adviesorganen verstaan onder “hergebruikt product” een product dat al is gebruikt en vervolgens zonder (of met weinig) ingrijpende veranderingen opnieuw in omloop is gebracht voor hetzelfde gebruik. Deze categorie omvat producten die voldoen aan het technische concept van de Europese Commissie “preparing for use ”, d.w.z. dat het product wordt gecontroleerd, gereinigd en gerepareerd zodat het opnieuw kan worden verkocht.
[36] Dat wil zeggen: demontage, vervanging van onderdelen, volledige tests en herstel tot een functionele staat die bijna nieuw is.
[37] In de praktijk bevinden refurbished producten zich tussen “preparation for reuse” en “remanufacturing/refurbishment”, afhankelijk van de intensiteit van de bewerkingen. De juridische/technische grens blijft dus vaag.
[38] Het Europese Ecolabel beoordeelt de milieu-impact van producten gedurende hun hele levenscyclus, vanaf de winning van de grondstoffen tot het einde van hun levensduur.
[39] Bron: https://economie.fgov.be/sites/default/files/Files/Entreprises/Praktische-gids-Goede-praktijken-inzake-milieuclaims.pdf
[40] Cf. Voorstel voor een richtlijn (EU) 2023/166 van 23 maart 2023 betreffende de staving en mededeling van uitdrukkelijke milieuclaims Het voorstel inzake milieuclaims heeft tot doel milieuclaims in de hele EU betrouwbaar, vergelijkbaar en controleerbaar te maken, consumenten te beschermen tegen misleidende claims, bij te dragen tot de totstandkoming van een circulaire en groene Europese economie door consumenten in staat te stellen weloverwogen aankoopbeslissingen te nemen, en bij te dragen tot het creëren van een gelijk speelveld op het gebied van de milieuprestaties van producten.
[41] De mogelijkheden tot evolutiviteit of “upgradability” in overheidsopdrachten verwijzen naar de mogelijkheden om een opdracht tijdens de uitvoering te wijzigen. Deze wijzigingen zijn mogelijk binnen bepaalde grenzen om te voorkomen dat de algemene aard van de opdracht verandert of dat een nieuwe aanbestedingsprocedure nodig wordt. Ze kunnen betrekking hebben op het toevoegen van diensten, het herzien van prijzen of andere clausules.
[42] “Low-carbon chemicals” zijn industriële chemische producten die worden vervaardigd met een aanzienlijk lagere uitstoot van broeikasgassen dan bij traditionele methoden.
[43] Cf. https://www.mvoocriteria.be/nl.
[44] Deze bepaling stelt een aanbestedende dienst in staat om een overheidsopdracht voor leveringen te plaatsen via een onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande oproep tot mededinging wanneer aan de bovengenoemde voorwaarden is voldaan, namelijk de mogelijkheid om leveringen aan te kopen (1) door gebruik te maken van een bijzonder voordelige gelegenheid die zich op zeer korte termijn voordoet en (2) waarvan de te betalen prijs aanzienlijk lager is dan de normale marktprijzen.
[45] Artikel 124, §1, 10° van de wet van 17 juni 2016 inzake overheidsopdrachten bepaalt reeds dat, voor de overheidsopdrachten in de speciale sectoren, de aanbestedende entiteit gebruik kan maken van een onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande oproep tot mededinging “voor gelegenheidsaankopen, wanneer zich gedurende zeer korte tijd een bijzonder voordelige gelegenheid tot aanschaffing van leveringen voordoet en waarvoor de te betalen prijs ver onder de normale marktprijs ligt”. Overheidsopdrachten voor speciale sectoren hebben betrekking op activiteiten in verband met water, energie, vervoer en postdiensten. Ze worden geregeld door afzonderlijke wetgeving die soepeler is dan die voor klassieke opdrachten, met name het koninklijk besluit van 18 juni 2017.
[46] Overeenkomstig artikel 92 van de wet van 17 juni 2016 en artikel 124 van het KB van 18 april 2017 komen overheidsopdrachten met een geraamde waarde van minder dan 30 000 € exclusief btw in aanmerking voor een vereenvoudigde procedure met minder verplichtingen (bijvoorbeeld geen verplicht bestek), maar moeten toch aan bepaalde regels inzake mededinging en transparantie voldoen. In deze procedure moet de aanbestedende dienst weliswaar het bewijs van de mededinging bewaren, maar hoeft hij niet formeel (minstens) drie offertes aan te vragen. Er is geen verplichting om een aankondiging van de opdracht te publiceren, een eenvoudige raadpleging van enkele leveranciers volstaat.
[47] Cf. Rapport « Handleiding zelfbeoordeling voor einde-afval en bijproduct” (OVAM, 2023).
[48] Cf. « Circularity : create a true Single Market for waste and recycling in Europe” (Draghi, 2025, p.63).
[49] Belgisch koninklijk besluit van 25 mei 2024 betreffende plastic verpakkingen voor eenmalig gebruik (SUP – Single Use of Plastics).
[50]“Verordening betreffende verpakkingen en verpakkingsafval” (Packaging and Packaging Waste Regulation).
[51] Zie voor meer details het gezamenlijk advies ‘Herstelbaarheidsindex’ (CRB & FRDO, 2022).
[52] Het Europees productregister voor energie-etikettering (EPREL) is een uitgebreide database die is opgezet en wordt beheerd door de Europese Commissie. Ze bevat een reeks informatie over alle producten die voorzien zijn van een energie-etiket.
[53] Cf. Richtlijn 2024/825 van 28 februari 2024 tot wijziging van de Richtlijnen 2005/29/EG en 2011/83/EU wat betreft het versterken van de positie van de consument voor de groene transitie door middel van betere informatie en door middel van bescherming tegen oneerlijke praktijken.
[54] RDC Environment (2017), Geplande veroudering: Belgische maatregelen om de consument te beschermen, eindrapport, Mei 2017.
[55] https://www.eur.nl/en/news/designed-break-programming-premature-product-lifespans-form-corporate-crime
[56] Uit een recent consumentenonderzoek naar circulaire handel (uitgevoerd door Ipsos in opdracht van Comeos) blijkt dat economische overwegingen een doorslaggevende factor zijn bij het gebruik van circulaire modellen door consumenten: Meer dan 60 % van de consumenten noemt betaalbaarheid en kostenbesparingen als doorslaggevende factoren bij de aankoop van tweedehandsartikelen; 43 % noemt een lagere prijs dan bij aankoop van nieuwe artikelen als motivatie voor reparaties, 36 % repareert zelf uit financiële noodzaak; tegelijkertijd twijfelt 50 tot 60 % van de consumenten die het afgelopen jaar producten hebben laten repareren aan de kosten-batenverhouding; 20 % van de consumenten laat hun producten niet repareren omdat ze de kosten-batenverhouding negatief vinden. Hetzelfde cijfer geldt voor het huren van producten.
[57] Cf. https://www.economie.gouv.fr/entreprises/gerer-sa-fiscalite-et-ses-impots/autres-impots-et-taxes/donner-vos-invendus-non
[58] Cf. Bijlage VII, verordening 2024/1781
[59] De betrokken ondernemingen zijn vaak eenmanszaken, vrije beroepen en kleine en grote ondernemingen die een industriële, commerciële of agrarische activiteit uitoefenen.
[60] Deze actoren (waaronder vzw’s) worden niet belast op hun commerciële winsten, behalve voor belangrijke winstgevende activiteiten. Ze betalen een forfaitaire en beperkte belasting op bepaalde specifieke inkomsten (vermogensinkomsten, bepaalde roerende inkomsten, enz.). De wetgever gaat er dus van uit dat ze geen belastbare basis hebben die door een investeringsaftrek kan worden verminderd.
[61] Deze aanbeveling werd opgesteld door de sociale gesprekspartners die zitting hebben in de NAR.
[62] De ecocheques werden ingevoerd door de sociale partners die zitting hebben in de Nationale Arbeidsraad (NAR), na de goedkeuring van het interprofessioneel akkoord van 22 december 2008 voor de periode 2009-2010. Deze invoering werd gerealiseerd via de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 98 van 20 februari 2009. Bij deze collectieve arbeidsovereenkomst is een beperkende en uitputtende lijst gevoegd van producten en diensten die met ecocheques kunnen worden gekocht. Dit interprofessionele akkoord en deze collectieve arbeidsovereenkomst hebben een tweeledig doel: de koopkracht van werknemers verhogen en hun ecologisch koopgedrag bevorderen. De ecocheques vormen een innovatief systeem dat gebaseerd is op een aantal grondbeginselen, waarvan de kernelementen zijn geformuleerd en herhaald in de verschillende adviezen die de NAR heeft uitgebracht sinds de goedkeuring van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 98, en in het bijzonder in zijn advies nr. 2.436 van 17 december 2024. Een van deze elementen is de voortdurende verbetering van het systeem van ecocheques via een mechanisme van tweejaarlijkse evaluaties, waarbij rekening wordt gehouden met ecologische ontwikkelingen en waarbij de sociale partners in de NAR deze veranderingen analyseren.
[63] Wetgeving inzake consumentenkrediet (Boek VII van het Wetboek van economisch recht) + nieuwe Europese richtlijn (2023/2225), die nog moet worden omgezet.