08 | Advies over de revisie van de REACH-verordening

  • Gevraagd door Jean-Luc Crucke, Minister van mobiliteit, klimaat en ecologische transitie, belast met duurzame ontwikkeling, in een brief van 22 januari 2026
  • Dit advies werd voorbereid door de projectgroep REACH
  • Goedgekeurd door de Algemene Vergadering via schriftelijke procedure op 30 april 2026

Advies (pdf)

 

 

1. Context

  • [a]   Op 22 januari 2026 ontving de FRDO per brief een adviesvraag van Minister van mobiliteit, klimaat en ecologische transitie, belast met duurzame ontwikkeling, Jean-Luc Crucke. In overeenstemming met artikel 11, § 2, van de wet van 5 mei 1997 betreffende de coördinatie van het federale beleid inzake duurzame ontwikkeling en met de opdrachten van de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling voor wat betreft de raadpleging en advies op het federale beleid, vraagt de minister een advies van de FRDO over uitdagingen verbonden aan de herziening van  Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (hierna: REACH) en aan de transitie naar een veilige en duurzame chemie. Het advies wordt uiterlijk tegen 2 april 2026 gevraagd, maar een uitstel tot 30 april werd toegekend.
  • [b]   De minister stelt met name voor om de hieronder vermelde vragen te onderzoeken, maar het advies kan ook andere aspecten van het chemiebeleid en de overgang naar een veilige en duurzame chemie behandelen.
    • Hoe kan de toegang tot informatie over chemische stoffen op de markt (met name hormoonverstoorders, polymeren en persistente stoffen) en hun traceerbaarheid worden verbeterd om de bescherming van de gezondheid en het milieu te versterken, een veilige circulaire economie te bevorderen en het vertrouwen van investeerders en consumenten te vergroten, tegelijkertijd rekening houdend met de industriële realiteit en de beperkingen van bedrijven, met name kleine en middelgrote ondernemingen?
    • Hoe kan de integratie van meervoudige blootstelling en het cocktail-effect in het kader van de REACH-verordening worden versterkt, om te zorgen voor een zowel doeltreffende als voorspelbare risicobeoordeling, rekening houdend met de bescherming van de bevolking, de wetenschappelijke haalbaarheid, innovatie en concurrentievermogen?
    • Gezien de huidige termijnen voor het beperken of elimineren van gevaarlijke stoffen, welke benaderingen zouden kunnen worden overwogen om de regelgevingsprocessen te versnellen en tegelijkertijd rechtszekerheid, voorspelbaarheid voor bedrijven en de bescherming van burgers te waarborgen?
  • De discussies hierover kunnen bijdragen aan een bredere reflectie over het verantwoord beheer van chemische stoffen, die verder reikt dan het wetgevingskader dat momenteel ter discussie staat.

 

2. Advies

2.1 Inleidende opmerkingen

  • [1] De FRDO is verheugd dat er een debat gevoerd wordt over de revisie van REACH en het Belgische beleid voor chemische producten in het algemeen, maar betreurt dat de korte termijn voor het indienen van het advies een diepere discussie belet.
  • [2] De raad brengt het doel van de verordening REACH in herinnering: “een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu, inclusief de bevordering van alternatieve beoordelingsmethoden voor gevaren van stoffen, alsmede het vrije verkeer van stoffen op de interne markt te waarborgen en tegelijkertijd het concurrentievermogen en de innovatie te vergroten[1].

2.2 Revisie van de REACH-verordening

  • [3] De FRDO benadrukt dat de REACH-verordening één van de meest uitgewerkte en internationaal meest gerespecteerde wetteksten van de Europese Unie is. Net als bij de start van haar invoering twintig jaar geleden zijn de in paragraaf [2] genoemde doelen nog steeds actueel.
  • [4] Sommige leden[2] van de raad zijn van mening dat een ambitieuze herziening van de REACH-verordening nodig is voor een betere bescherming van de gezondheid en het milieu, met een versterking van het principe ‘no data, no market’, een grotere verantwoordelijkheid voor producenten (in de zin van een uitbreiding van de gevallen waarin beperkingen en autorisaties nodig zijn, en een afwijzing van aanvragen die niet vergezeld zijn van voldoende informatie), een strikte interpretatie van het begrip ”essentieel gebruik”[3] waarbij dit begrip verwijst naar een gebruik noodzakelijk voor gezondheid, milieu en veiligheid met uitsluiting van andere, economische overwegingen (om de eliminatie van bijzonder schadelijke stoffen te bevorderen), het in rekening brengen van het ‘cocktail-effect’ van chemische stoffen, een meer systemische aanpak op basis van de beoordeling van groepen van stoffen en een versterkte toepassing van het voorzorgsbeginsel.
  • [5] Andere leden[4] van de raad zijn van mening dat in plaats van een overweging van de herziening van de REACH-verordening, de prioriteit veeleer moet liggen bij het vereenvoudigen van de manier waarop deze regelgeving in de praktijk wordt toegepast. Deze vereenvoudiging zonder wetswijziging moet volgens hen op evenredige wijze worden doorgevoerd, waarbij onnodige complexiteit moet worden vermeden. Het is dus van prioritair belang om elke nieuwe verplichting of elke aanscherping van de verplichtingen op het gebied van melding, kennisgeving of registratie te vermijden, en zich in plaats daarvan eerder te richten op het handhaven en het realiseren van het bestaande kader, met name wat betreft geïmporteerde goederen.

2.3 Handhaving (controle op de naleving van de wetgeving)

  • [6] Volgens de raad zijn een goed functionerende interne markt en een doeltreffende bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu alleen mogelijk dankzij een effectieve uitvoering van de REACH-verordening in de praktijk, terwijl recente gegevens[5] wijzen op een hoog percentage niet-naleving, met name bij geïmporteerde goederen en onlineverkoop.
  • Dit fenomeen vormt niet alleen een risico voor de menselijke gezondheid en het milieu, maar leidt ook tot een concurrentienadeel voor bedrijven die investeren om aan de regelgeving te voldoen, in vergelijking met bedrijven die dat niet doen.
  • [7] De FRDO pleit ervoor dat de inspectiediensten in België over voldoende middelen (zowel menselijke als financiële en technische) zouden beschikken om de effectieve uitvoering van de REACH-verordening op het terrein en online te kunnen controleren.
  • Een studie uit 2018[6] wees er bijvoorbeeld op dat destijds gemiddeld slechts 31 % van de chemische stoffen die in de Europese Unie in hoeveelheden van meer dan 1000 ton per jaar werden geproduceerd of geïmporteerd, aan de REACH-verordening voldeed. Een recentere analyse[7] met betrekking tot textiel concludeert op haar beurt dat 16,25 % van de geteste artikelen niet aan de voorschriften voldoet. Deze gegevens tonen de noodzaak van een sterke en doeltreffende inspectiedienst aan, zowel om de burgers en het milieu te beschermen als om een eerlijk speelveld te waarborgen. Er moet bijzondere aandacht en extra middelen worden uitgetrokken, met name voor de online markt en de import van buiten Europa.

2.4 Aanbevelingen voor de herziening van REACH en duurzame chemie

2.4.1 Toegang tot informatie en traceerbaarheid van chemische stoffen

  • [8] De raad benadrukt het belang van de traceerbaarheid van stoffen (waaronder in het bijzonder de zorgwekkende stoffen) gedurende de gehele waardeketen en levenscyclus van producten, waarbij ook de kwaliteit en kwantiteit van de beschikbare informatie over de eigenschappen van deze stoffen moet worden verbeterd. Daartoe moet bijzondere aandacht worden besteed aan het behoud van bestaande informatiebronnen die een overwogen besluitvorming gedurende de gehele levenscyclus van producten mogelijk maken.
  • [9] De FRDO herinnert aan het belang van het Europees Agentschap voor Chemische Stoffen (European Chemicals Agency – ECHA) en roept op tot versterking van haar middelen. De Raad benadrukt ook het belang van een voortdurende dialoog tussen het ECHA en de belanghebbenden.
  • [10] Sommige leden[8] van de raad pleiten voor een merkteken om aan te duiden dat een product of gebruiksgoed geregistreerde REACH stoffen bevat. In dezen zou Richtlijn 2011/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 betreffende beperking van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur een inspiratie kunnen zijn. Het merkteken zou herkenbaar moeten zijn en een QR-code bevatten die verwijst naar het safety data sheet van het product en een toegankelijke vulgarisering ervan die uitlegt welke gevaarlijke stoffen het product bevat.
Circulaire Economie
  • [11] Voor de FRDO is een goede afstemming tussen de REACH-verordening en de wetgeving inzake afvalstoffen en materialen van groot belang teneinde de circulaire economie te bevorderen zonder dat dit ten koste gaat van de bescherming van de gezondheid van mens en dier en van het milieu, aangezien de hoeveelheid materiaal die van afval naar secundaire grondstof wordt omgezet blijft toenemen om de doelstelling van een circulair materiaalgebruik van 24 % tegen 2030
  • De manier waarop deze materialen uit afvalverwerking worden gereguleerd, moet rekening houden met de potentiële circulariteit, recycling vergemakkelijken en traceerbaarheid garanderen, maar zonder de waarborgen met betrekking tot de essentiële doelstelling van de bescherming van het milieu en de gezondheid te verzwakken (zie bijv. de verontreinigingen door PFAS, PCB’s, …).
  • Deze betere samenhang tussen de respectievelijk toepasselijke wetgevingen is ook een troef voor de rechtszekerheid met betrekking tot secundaire grondstoffen en voor het ondersteunen van een veilige en efficiënte recycling.
  • [12] Met het oog op het maximaliseren van de toegang tot informatie en de traceerbaarheid, verzetten sommige leden[10] van de raad zich tegen het voorstel van de Europese Commissie[11] om de SCIP databank[12] (Substances of Concern In articles as such or in complex objects (Products)), die is opgezet ter uitvoering van Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen, te beëindigen.
  • [13] Andere leden[13] van de raad ondersteunen de afschaffing van de notificatieplicht aan de SCIP-databank. Volgens hen gaat de SCIP-notificatie gepaard met een hoge administratieve last voor ondernemingen, waar in de praktijk weinig of zelfs geen toegevoegde waarde tegenover staat in de waardeketen.
Over het opnemen van polymeren in de REACH-verordening 
  • [14] Sommige leden[14] van de raad zijn voorstander van de registratie van polymeren via de REACH-verordening omdat dit het mogelijk zou maken om zeer zorgwekkende polymeren te identificeren, essentiële informatie over hun eigenschappen te verzamelen en, indien nodig, beperkingen of autorisaties in te voeren. Polymeren hebben immers niet dezelfde eigenschappen en vormen niet dezelfde risico’s voor de menselijke gezondheid als hun monomeren. Een polymeer moet worden beschouwd als een volwaardig chemisch systeem en anders worden behandeld dan monomeren.
  • [15] Andere leden[15] van de raad vinden het niet zinvol om polymeren op te nemen in de registratie die is voorzien in de REACH-verordening, omdat deze verordening voor afzonderlijke stoffen is ontwikkeld. Deze leden zijn van mening dat polymeren voldoende (indirect) worden behandeld via hun monomeren (tijdens de productie) en via de additieven die in hun toepassingen worden gebruikt. Deze leden stellen voor om een holistische strategie voor het beheer van polymeren te ontwikkelen via de verschillende wetgevingen die daarop van toepassing zijn.

2.4.2 Meervoudige blootstelling, cocktaileffect en MAF

  • [16] De FRDO beschouwt de blootstelling van de bevolking aan chemische stoffen, cumulatief en gedurende het hele leven, als een belangrijke bezorgdheid.
  • [17] Volgens sommige leden[16] van de raad moet in de REACH-verordening meer rekening worden gehouden met het cocktaileffect, en zij wijzen erop dat de Hoge Gezondheidsraad het volgende heeft benadrukt: “in realiteit komen blootstellingen aan afzonderlijke agentia niet voor, maar betreft het complexe mengsels van vele chemische stoffen en andere gevaren, met mogelijke interacties daartussen, die de schadelijke effecten verklaren.” [17]. Deze leden van de Raad zijn dan ook van mening dat de Mixture Assessment Factor (MAF) een nuttig instrument zou kunnen zijn om de gevolgen van cocktaileffecten in de beoordelingen mee te nemen. Via MAF als veiligheidsfactor kan gecombineerde blootstelling op een pragmatische manier beter in rekening gebracht worden, zonder dat alle mengsels moeten getest worden, terwijl gezondheid en milieu beter beschermd worden in overeenstemming met het voorzorgsprincipe. Zij zijn van mening dat België een voortrekkersrol zou kunnen spelen bij de evaluatie, aanpassing en toepassing van instrumenten zoals MAF op Europees niveau.
  • Voor deze leden van de raad mag een stof niet op de markt of op de maatschappij losgelaten worden zonder kennis van de gevaren van de producten of cocktails, ook niet wanneer het om een innovatieve stof gaat die steun verdient. Ze zien nieuwe regels op vlak van meervoudige blootstelling en het cocktaileffect niet als een bedreiging voor de innovatie, maar als een stimulans.
  • [18] Andere leden[18] van de raad zijn tegen de invoering van een Mixture Assessment Factor omdat dit significante administratieve last zou meebrengen zonder dat gecombineerde blootstellingen effectief beheerd worden en zij vragen om de focus te leggen op de vermindering van emissies in het milieu. Volgens hen worden de cocktail effecten immers vooral veroorzaakt door een beperkt aantal stoffen en legacy stoffen[19].
  • [19] Deze leden[20] van de raad ondersteunen deelname aan het PARC project[21], waarbij kennis van verschillende domeinen samengebracht en verder uitgebouwd wordt. Dit vereist verdere ondersteuning en coördinatie van de verschillende bevoegde beleidsniveaus in België.
Andere aanbevelingen voor een duurzame chemie  
  • [20] Volgens sommige leden[22] van de raad moet specifieke aandacht gaan naar allergene stoffen, en met name aan huidallergieën, zowel voor werknemers als voor consumenten, vooral wanneer deze stoffen gedurende lange perioden en/of herhaaldelijk worden gebruikt.
  • [21] Wat betreft de PFAS-problematiek in relatie tot de REACH-verordening, herinneren deze leden[23] van de raad eraan dat deze stoffen tot de weinige verontreinigende stoffen behoren die expliciet in het Belgische regeringsakkoord[24] worden genoemd. Deze leden steunen elk Belgisch initiatief dat als motor zou kunnen dienen voor een beperking op deze verontreinigende stoffen en nodigen uit om inspiratie te putten uit de Franse wetgeving ter zake[25].
  • [22] Andere leden[26] van de raad adviseren dat België geen eigen nationale wetgeving opstelt die de Europese interne markt verstoort, maar actief moet inzetten op een Europees kader. Alleen via een geharmoniseerde Europese aanpak kan het probleem van PFAS structureel, effectief én eerlijk aangepakt worden, zonder het level playing field te verstoren.

2.4.3 Versnelling van regelgevingsprocessen

  • [23] Volgens de FRDO heeft de Europese Unie wereldwijd de meest ambitieuze regelgeving op het gebied van chemische stoffen, wat bijzonder positief is in het licht van de duurzame ontwikkelingsdoelstellingen, maar zijn verbeteringen wenselijk, aangezien de termijnen te lang zijn, met name wat betreft de identificatie van de meest zorgwekkende stoffen.
  • [24] De raad meent echter dat men moet zorgen voor de praktische uitvoerbaarheid van het verzamelen van gegevens. Hij beveelt een betere coördinatie aan tussen de REACH-verordening en de wetgeving inzake gezondheid en veiligheid op het werk om het verzamelen en de beschikbaarheid van gegevens (gegevens over de werkplek) te vergemakkelijken.
  • [25] Naast de consensuele maatregels vermeld in paragraaf [9] hierboven, stellen sommige leden[27] van de raad volgende maatregels voor om de regelgevingsprocessen te versnellen:
    • versnellen door een groepsbeoordeling van stoffen;
    • versnellen door het a priori aannemen van toxiciteit voor niet volledig uitgeteste producten (momenteel zijn deze geregistreerd en op de markt gebracht, waarbij de consument als proefkonijn fungeert);
    • versnellen door universeel toepasbare generieke regels op te leggen (bijvoorbeeld eisen dat geen enkele antropogene chemische stof in de leefomgeving mag accumuleren, gelet op het voorzorgsprincipe voor later nog te ontdekken gevaareigenschappen). Generieke regels scheppen rechtszekerheid voor de industrie, die productie of gebruik van deze stoffen overweegt. Tegelijk wordt innovatie richting stoffen die deze eigenschappen niet hebben gestimuleerd. De duidelijkheid komt er dadelijk en niet na een lange procedure en veel en dure research.
  • Deze leden van de raad menen bovendien dat de lijst van zeer zorgwekkende stoffen[28] een essentieel mechanisme voor vroege waarschuwing vormt binnen het regelgevingskader en dat het voor een goede werking nodig is dat:
    • alle stoffen die aan de vastgestelde criteria voldoen, tijdig worden geïdentificeerd;
    • de transparantie met betrekking tot de potentiële risico’s behouden blijft;
    • vroegtijdige identificatie wordt gebruikt om innovatie en vervanging door veiligere alternatieven te stimuleren.
  • Volgens deze leden van de raad spelen de overgangsperioden die voor de nieuwe regelgevingsmaatregelen zijn voorzien een belangrijke rol om een soepele uitvoering te garanderen en belanghebbenden in staat te stellen zich aan de nieuwe eisen aan te passen.
  • Deze overgangsperioden moeten daarom:
    • worden vastgesteld op basis van feitelijke gegevens en beoordelingen per geval;
    • rekening houden met de technische haalbaarheid en de realiteit van de toeleveringsketen;
    • voorkomen dat ze automatische of standaardbepalingen worden.
  • [26] Andere leden[29] van de raad pleiten voor voorspelbare Analyse van beschikbare data zou moeten helpen bepalen welke stoffen prioritair zijn en voor welk gebruik regels nodig zijn (REACH verordening of andere wetgevingen), zodat bedrijven hiervoor kunnen plannen. Volgens deze leden is het verzamelen van vroege en bruikbare informatie over gebruik, blootstelling, functies van stoffen en hun alternatieven nodig, maar dit zou proportioneel en gebruiksvriendelijk moeten zijn.
  • Deze leden van de raad wensen op feiten en risico gebaseerde wetgeving, zonder dat evaluaties te ‘simplistisch’ worden, door de complexiteit van chemische stoffen en hun gebruiken te negeren. Ze wensen geen verschuiving naar brede, op gevaar gebaseerde maatregels, met belangrijke socio-economische gevolgen. Volgens hen moet het gebruik van gevaarlijke stoffen mogelijk blijven bij aantoonbaar veilige omstandigheden, overeenstemmend met de risico-gebaseerde aanpak in de REACH verordening.
  • Ze willen focus op overblijvende (nog niet beheerde) risico’s, en het vermijden van aparte, overlappende wetgevingen. Ze verwijzen naar het principe van proportionele regelgeving[30] en volgens hen is Risk Management Option Analysis (RMOA)[31] essentieel om die risico’s te identificeren en de gepaste maatregels te bepalen (over verschillende wetgevingen), in een holistische aanpak (economisch, milieu, gezondheid, sociaal, uitvoering).
  • Over de kandidaat-lijst voor Substances of Very High Concern zijn deze leden van de Raad van mening dat dit enkel voor stoffen zou moeten zijn waarbij er een nodige regulerende actie werd geïdentificeerd. Hierdoor blijft het verzamelen van data doenbaar, door gevaar, gebruiken en mogelijke blootstelling te beschouwen.
  • Deze leden willen gestroomlijnde procedures en duidelijke tijdslijnen.
  • Volgens deze leden van de raad moet autorisatie vereenvoudigd worden, vooral voor kleine hoeveelheden, en deadlines voor reviews moeten aangepast worden. Het principe “repair as produced” moet ingevoerd worden voor vervangstukken, en de mogelijkheid om een uitzondering te vragen, met overgangsmaatregelen totdat een beslissing genomen wordt.
  • Ze vragen voldoende lange overgangsperiodes (min. 24 maanden voor alle toekomstige beperkingen) en dat beperkingen zouden geen retroactief effect mogen hebben.
Alternatieven voor dierproeven  
  • [27] De FRDO ondersteunt het vermijden van dierproeven.
  • [28] Sommige leden[32] van de raad bepleiten standaardisering van analytische methoden in de EU. Gevalideerde, gestandaardiseerde methoden voor producten zouden zonder probleem in verschillende labo’s moeten kunnen ingezet worden. Volgens hen zou een nieuw schema voor safety assessment betrouwbare methodes zonder dierproeven (New Approach Methodologies) moeten ondersteunen. De verplichting van dierproeven moet waar mogelijk verdwijnen. Ook blootstelling moet in rekening gebracht worden: er kan enkel schade zijn als de stof in contact komt met organismen.
  • Deze leden van de raad vragen de datavereisten en het registratieproces te moderniseren (duidelijker en eenvoudiger) door betere dialoog en samenwerking met industrie.
  • [29] Andere leden[33] van de raad zijn akkoord met deze modernisering van datavereisten en het registratieproces maar stellen hier een uitdrukkelijke eis voor het bewaken van kwaliteitsstandaarden teneinde de hoogst mogelijke bescherming van mens (in overeenstemming met de Codex Welzijn op het Werk) en milieu te garanderen, en dit op basis van betrouwbare en volledige gegevens. Daarnaast vragen zij om deze dialoog niet enkel met de industrie te voeren, maar ook het middenveld te betrekken. Tenslotte zijn deze leden van de Raad van mening dat het criterium van blootstelling nog niet in rekening moet gebracht worden bij de registratie of de bepaling van de eigenschappen van een stof.

2.5 Slotopmerking

  • [30] De raad herinnert eraan dat hij zich binnen een zeer kort tijdsbestek moest uitspreken over de vragen van deze adviesvraag en spreekt de wens uit dat de dialoog met de FRDO wordt voortgezet zodat hij zich in de toekomst kan uitspreken over andere vragen betreffende deze zeer belangrijke maatschappelijke uitdagingen.

 

 

 

 

[1] Art. 1, § 1, van de REACH verordening.

[2] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Bart Vannetelbosch – ondervoorzitter; Fien Vandamme, Thomas Vael, Joris Verschueren en Sacha Dierckx – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties;  Silvia Dogà – vertegenwoordigster van werkgeversorganisaties; Eva Joskin en Yelter Bollen – vertegenwoordigers van de NGO’s voor milieubescherming; Nicolas Van Nuffel– vertegenwoordiger van de NGO’s voor ontwikkelingssamenwerking.

Leden van de FRDO die zich onthouden van dit standpunt: Patrick Dupriez – Voorzitter.

Leden van de FRDO die dit standpunt niet steunen: Vanessa Biebel – ondervoorzitster; Inneke De Bisschop, Saskia Walraedt, Piet Vanden Abeele,  Françoise Van Tiggelen – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.

[3] Europese Commissie, Mededeling van de Commissie – Leidende criteria en beginselen voor het begrip “essentiële toepassing” in EU-regelgeving inzake chemische stoffen, C/2024/2894, 26/04/2024, 17pp

[4] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Vanessa Biebel – ondervoorzitster; Inneke De Bisschop, Saskia Walraedt, Piet Vanden Abeele,  Françoise Van Tiggelen – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.

Leden van de FRDO die zich onthouden van dit standpunt: Patrick Dupriez – Voorzitter; Silvia Dogà – vertegenwoordigster van werkgeversorganisaties;

Leden van de FRDO die dit standpunt niet steunen: Bart Vannetelbosch – ondervoorzitter; Fien Vandamme, Thomas Vael, Joris Verschueren en Sacha Dierckx – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties;  Eva Joskin en Yelter Bollen – vertegenwoordigers van de NGO’s voor milieubescherming; Nicolas Van Nuffel– vertegenwoordiger van de NGO’s voor ontwikkelingssamenwerking.

[5] Zie https://www.euroconsumers.org/systemic-failures-in-product-compliance-on-temu-and-shein/ (geraadpleegd op 25/03/2026).

[6] Bundinstitut für Risikobewertung, BfR Communication, n° 030/2018, 25/09/2018.

[7] https://www.centexbel.be/en/knowledge-hub/depth-articles/substances-concern/reach4textiles-project-results  (geraadpleegd op 16/04/2026).

[8] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Bart Vannetelbosch – ondervoorzitter; Fien Vandamme, Thomas Vael, Joris Verschueren en Sacha Dierckx – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties;  Silvia Dogà – vertegenwoordigster van werkgeversorganisaties; Eva Joskin en Yelter Bollen – vertegenwoordigers van de NGO’s voor milieubescherming; Nicolas Van Nuffel– vertegenwoordiger van de NGO’s voor ontwikkelingssamenwerking.

Leden van de FRDO die zich onthouden van dit standpunt: Patrick Dupriez – Voorzitter.

Leden van de FRDO die dit standpunt niet steunen: Vanessa Biebel – ondervoorzitster; Inneke De Bisschop, Saskia Walraedt, Piet Vanden Abeele,  Françoise Van Tiggelen – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.

[9] Europese Commissie, Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, Het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s – De Clean Industrial Deal: Een gezamenlijke routekaart voor concurrentievermogen en decarbonisatie, COM(2025) 85 final, 26/02/2025, p. 19. 

[10] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Bart Vannetelbosch – ondervoorzitter; Fien Vandamme, Thomas Vael, Joris Verschueren en Sacha Dierckx – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties;  Silvia Dogà – vertegenwoordigster van werkgeversorganisaties; Eva Joskin en Yelter Bollen – vertegenwoordigers van de NGO’s voor milieubescherming; Nicolas Van Nuffel– vertegenwoordiger van de NGO’s voor ontwikkelingssamenwerking.

Leden van de FRDO die zich onthouden van dit standpunt: Patrick Dupriez – Voorzitter.

Leden van de FRDO die dit standpunt niet steunen: Vanessa Biebel – ondervoorzitster; Inneke De Bisschop, Saskia Walraedt, Piet Vanden Abeele,  Françoise Van Tiggelen – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.

[11] Zie  https://ec.europa.eu/commission/presscorner/detail/en/ip_25_2997.

[12] https://echa.europa.eu/nl/scip.

[13] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Vanessa Biebel – ondervoorzitster; Inneke De Bisschop, Saskia Walraedt, Piet Vanden Abeele,  Françoise Van Tiggelen – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.

Leden van de FRDO die zich onthouden van dit standpunt: Patrick Dupriez – Voorzitter.

Leden van de FRDO die dit standpunt niet steunen: Bart Vannetelbosch – ondervoorzitter; Fien Vandamme, Thomas Vael, Joris Verschueren en Sacha Dierckx – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties;  Silvia Dogà – vertegenwoordigster van werkgeversorganisaties; Eva Joskin en Yelter Bollen – vertegenwoordigers van de NGO’s voor milieubescherming; Nicolas Van Nuffel– vertegenwoordiger van de NGO’s voor ontwikkelingssamenwerking.

[14] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Bart Vannetelbosch – ondervoorzitter; Fien Vandamme, Thomas Vael, Joris Verschueren en Sacha Dierckx – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties;  Eva Joskin en Yelter Bollen – vertegenwoordigers van de NGO’s voor milieubescherming; Nicolas Van Nuffel– vertegenwoordiger van de NGO’s voor ontwikkelingssamenwerking.

Leden van de FRDO die zich onthouden van dit standpunt: Patrick Dupriez – Voorzitter;  Silvia Dogà – vertegenwoordigster van werkgeversorganisaties.

Leden van de FRDO die dit standpunt niet steunen: Vanessa Biebel – ondervoorzitster; Inneke De Bisschop, Saskia Walraedt, Piet Vanden Abeele,  Françoise Van Tiggelen – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.

[15] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Vanessa Biebel – ondervoorzitster; Inneke De Bisschop, Saskia Walraedt, Piet Vanden Abeele,  Françoise Van Tiggelen – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.

Leden van de FRDO die zich onthouden van dit standpunt: Patrick Dupriez – Voorzitter; Silvia Dogà – vertegenwoordigster van werkgeversorganisaties;

Leden van de FRDO die dit standpunt niet steunen: Bart Vannetelbosch – ondervoorzitter; Fien Vandamme, Thomas Vael, Joris Verschueren en Sacha Dierckx – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties;  Eva Joskin en Yelter Bollen – vertegenwoordigers van de NGO’s voor milieubescherming; Nicolas Van Nuffel– vertegenwoordiger van de NGO’s voor ontwikkelingssamenwerking.

[16] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Bart Vannetelbosch – ondervoorzitter; Fien Vandamme, Thomas Vael, Joris Verschueren en Sacha Dierckx – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties;  Silvia Dogà – vertegenwoordigster van werkgeversorganisaties;  Eva Joskin en Yelter Bollen – vertegenwoordigers van de NGO’s voor milieubescherming; Nicolas Van Nuffel– vertegenwoordiger van de NGO’s voor ontwikkelingssamenwerking.

Leden van de FRDO die zich onthouden van dit standpunt: Patrick Dupriez – Voorzitter.

Leden van de FRDO die dit standpunt niet steunen: Vanessa Biebel – ondervoorzitster; Inneke De Bisschop, Saskia Walraedt, Piet Vanden Abeele,  Françoise Van Tiggelen – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties

[17] Hoge Gezondheidsraad, Fysisch-chemische milieuhygiëne (Beperking van de blootstelling aan mutagene of hormoonverstorende agentia) en het belang van blootstelling op jonge leeftijd, nr. 9404, mei 2019, p. 3.

[18] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Vanessa Biebel – ondervoorzitster; Inneke De Bisschop, Saskia Walraedt, Piet Vanden Abeele,  Françoise Van Tiggelen – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.

Leden van de FRDO die zich onthouden van dit standpunt: Patrick Dupriez – Voorzitter.

Leden van de FRDO die dit standpunt niet steunen: Bart Vannetelbosch – ondervoorzitter; Fien Vandamme, Thomas Vael, Joris Verschueren en Sacha Dierckx – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties;  Silvia Dogà – vertegenwoordigster van werkgeversorganisaties; Eva Joskin en Yelter Bollen – vertegenwoordigers van de NGO’s voor milieubescherming; Nicolas Van Nuffel– vertegenwoordiger van de NGO’s voor ontwikkelingssamenwerking.

[19] Deze leden van de Raad verwijzen naar de studie : ARCHE Consulting & VITO, Characterizing chemical co-exposure in EU to support a combined exposure assessment strategy, 27/10/2021, 50 pp.

[20] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Vanessa Biebel – ondervoorzitster; Inneke De Bisschop, Saskia Walraedt, Piet Vanden Abeele,  Françoise Van Tiggelen en Silvia Dogà – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.

Leden van de FRDO die zich onthouden van dit standpunt: Patrick Dupriez – Voorzitter.

Leden van de FRDO die dit standpunt niet steunen: Bart Vannetelbosch – ondervoorzitter; Fien Vandamme, Thomas Vael, Joris Verschueren en Sacha Dierckx – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties;  Eva Joskin en Yelter Bollen – vertegenwoordigers van de NGO’s voor milieubescherming; Nicolas Van Nuffel– vertegenwoordiger van de NGO’s voor ontwikkelingssamenwerking.

[21] https://cordis.europa.eu/project/id/101057014/fr

[22] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Bart Vannetelbosch – ondervoorzitter; Fien Vandamme, Thomas Vael, Joris Verschueren en Sacha Dierckx – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties;  Silvia Dogà – vertegenwoordigster van werkgeversorganisaties;  Eva Joskin en Yelter Bollen – vertegenwoordigers van de NGO’s voor milieubescherming; Nicolas Van Nuffel– vertegenwoordiger van de NGO’s voor ontwikkelingssamenwerking.

Leden van de FRDO die zich onthouden van dit standpunt: Patrick Dupriez – Voorzitter.

Leden van de FRDO die dit standpunt niet steunen: Vanessa Biebel – ondervoorzitster; Inneke De Bisschop, Saskia Walraedt, Piet Vanden Abeele,  Françoise Van Tiggelen – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties

[23] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Bart Vannetelbosch – ondervoorzitter; Fien Vandamme, Thomas Vael, Joris Verschueren en Sacha Dierckx – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties;  Silvia Dogà – vertegenwoordigster van werkgeversorganisaties;  Eva Joskin en Yelter Bollen – vertegenwoordigers van de NGO’s voor milieubescherming; Nicolas Van Nuffel– vertegenwoordiger van de NGO’s voor ontwikkelingssamenwerking.

Leden van de FRDO die zich onthouden van dit standpunt: Patrick Dupriez – Voorzitter.

Leden van de FRDO die dit standpunt niet steunen: Vanessa Biebel – ondervoorzitster; Inneke De Bisschop, Saskia Walraedt, Piet Vanden Abeele,  Françoise Van Tiggelen – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties

[24] Zie Federaal regeerakkoord 2025-2029, p. 101.

[25] Loi n° 2025-188 du 27 février 2025 visant à protéger la population des risques liés aux substances perfluoroalkylées et polyfluoroalkylées.

[26] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Vanessa Biebel – ondervoorzitster; Inneke De Bisschop, Saskia Walraedt, Piet Vanden Abeele en Françoise Van Tiggelen– vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.

Leden van de FRDO die zich onthouden van dit standpunt: Patrick Dupriez – Voorzitter; Silvia Dogà – vertegenwoordigster van de werkgeversorganisaties.

Leden van de FRDO die dit standpunt niet steunen: Bart Vannetelbosch – ondervoorzitter; Fien Vandamme, Thomas Vael, Joris Verschueren en Sacha Dierckx – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties;  Eva Joskin en Yelter Bollen – vertegenwoordigers van de NGO’s voor milieubescherming; Nicolas Van Nuffel– vertegenwoordiger van de NGO’s voor ontwikkelingssamenwerking.

[27] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Bart Vannetelbosch – ondervoorzitter; Fien Vandamme, Thomas Vael, Joris Verschueren en Sacha Dierckx – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties; Eva Joskin en Yelter Bollen – vertegenwoordigers van de NGO’s voor milieubescherming; Nicolas Van Nuffel– vertegenwoordiger van de NGO’s voor ontwikkelingssamenwerking.

Leden van de FRDO die zich onthouden van dit standpunt: Patrick Dupriez – Voorzitter; Silvia Dogà – vertegenwoordigster van werkgeversorganisaties;.

Leden van de FRDO die dit standpunt niet steunen: Vanessa Biebel – ondervoorzitster; Inneke De Bisschop, Saskia Walraedt, Piet Vanden Abeele,  Françoise Van Tiggelen – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties

[28] zie art. 59, § 10, van de REACH verordening.

[29] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Vanessa Biebel – ondervoorzitster; Inneke De Bisschop, Saskia Walraedt, Piet Vanden Abeele, Françoise Van Tiggelen en Silvia Dogà – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.

Leden van de FRDO die zich onthouden van dit standpunt: Patrick Dupriez – Voorzitter.

Leden van de FRDO die dit standpunt niet steunen: Bart Vannetelbosch – ondervoorzitter; Fien Vandamme, Thomas Vael, Joris Verschueren en Sacha Dierckx – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties;  Eva Joskin en Yelter Bollen – vertegenwoordigers van de NGO’s voor milieubescherming; Nicolas Van Nuffel– vertegenwoordiger van de NGO’s voor ontwikkelingssamenwerking.

[30] Art. 5, § 4, van het Verdrag betreffende de Europese Unie  “… gaan de inhoud en de vorm

van het optreden van de Unie niet verder dan wat nodig is om de doelstellingen van de Verdragen te verwezenlijken.”.

[31] Zie Raad van de Europese Unie, Roadmap on Substances of Very High Concern, 5867/13, 6/02/2013.

[32] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Vanessa Biebel – ondervoorzitster; Inneke De Bisschop, Saskia Walraedt, Piet Vanden Abeele, Françoise Van Tiggelen en Silvia Dogà – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.

Leden van de FRDO die zich onthouden van dit standpunt: Patrick Dupriez – Voorzitter.

Leden van de FRDO die dit standpunt niet steunen: Bart Vannetelbosch – ondervoorzitter; Fien Vandamme, Thomas Vael, Joris Verschueren en Sacha Dierckx – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties;  Eva Joskin en Yelter Bollen – vertegenwoordigers van de NGO’s voor milieubescherming; Nicolas Van Nuffel– vertegenwoordiger van de NGO’s voor ontwikkelingssamenwerking.

[33] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Bart Vannetelbosch – ondervoorzitter; Fien Vandamme, Thomas Vael, Joris Verschueren en Sacha Dierckx – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties;  Silvia Dogà – vertegenwoordigster van werkgeversorganisaties;  Eva Joskin en Yelter Bollen – vertegenwoordigers van de NGO’s voor milieubescherming; Nicolas Van Nuffel– vertegenwoordiger van de NGO’s voor ontwikkelingssamenwerking.

Leden van de FRDO die zich onthouden van dit standpunt: Patrick Dupriez – Voorzitter.

Leden van de FRDO die dit standpunt niet steunen: Vanessa Biebel – ondervoorzitster; Inneke De Bisschop, Saskia Walraedt, Piet Vanden Abeele,  Françoise Van Tiggelen – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties

Opmerkingen, vragen of suggesties?