10 | Advies over het duurzaamheidsbeleid van de FPIM

  • Op verzoek van de minister van mobiliteit, klimaat en ecologische transitie, belast met duurzame ontwikkeling, Jean-Luc Crucke
  • Dit advies is opgesteld door de werkgroep Financiering van de transitie
  • Goedgekeurd door de Algemene Vergadering via schriftelijke procedure op 11 juni 2026

Advies (pdf)

 

 

1. Advies

1.1 Kader en algemene opmerkingen

  • [1] De FRDO is van mening dat de FPIM een belangrijke rol moet blijven spelen als investeerder op het gebied van duurzaamheid en de transitie naar duurzame ontwikkeling.
  • [2] Voor de FRDO moeten de OECD Guidelines on Corporate Governance of State-Owned Enterprises, de VN Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGPs) en de competitiviteit van ondernemingen een belangrijke referentie vormen voor het investeringsbeleid van de FPIM. De OESO-richtlijnen zijn in 2024 herzien, waarbij “the role that SOEs (state-owned enterprises) and their owners can play in leading by example on sustainability” wordt erkend (OESO 2024, p. 3[1]). De FRDO is van mening dat deze aanbevelingen in het nieuwe beheerscontract moeten worden opgevolgd en laat zich hierdoor inspireren voor dit advies.
  • [3] De specifieke OESO-richtlijnen waarop de verschillende paragrafen van dit advies zijn gebaseerd, worden in bijlage 1 vermeld, in de volgorde van deze paragrafen.

1.2 Aanbevelingen met betrekking tot de nieuwe beheersovereenkomst van de FPIM

  • [4] De FRDO is van mening dat de FPIM haar operationele autonomie moet behouden om de doelstellingen te verwezenlijken die haar bij wet en door de federale regering zijn opgelegd, maar dat haar verantwoordelijkheden op het gebied van duurzaamheid in haar nieuwe beheersovereenkomst beter moeten worden afgebakend. In de huidige context van begrotingstekorten moet de overheid inderdaad bijzondere aandacht besteden aan de duurzaamheidsrisico’s die op haar zouden kunnen worden overgedragen als gevolg van de deelneming van de FPIM in niet-duurzame ondernemingen. Los van hun directe financiële gevolgen voor de overheidsbegroting, belemmeren duurzaamheidsrisico’s ook de creatie van langetermijnwaarde van algemeen belang, die de overheid via haar investeringen moet nastreven.

1.2.1 Hoe kan de FPIM duurzaamheid integreren in haar gehele investeringscyclus?

1.2.1.1 In een vroege fase van het proces: selectiecriteria en uitsluitingsbeleid
  • [5] De FRDO is van mening dat het systeem voor de analyse van de ESG-risico- en prestatie-indicatoren van ondernemingen/fondsen in een vroeg stadium en de beleggingsbeperkingen waarin het huidige MVO-charter van de FPIM voorziet, in de nieuwe beheersovereenkomst moeten worden opgenomen, aangezien dit het signaal ten gunste van duurzaamheid dat aan ondernemingen wordt gegeven, de rechtszekerheid en de voorbeeldfunctie van de FPIM zou versterken.
  • [6] Volgens de FRDO moet de door de ondernemingen verstrekte informatie, waarop de toetsing aan de selectie- en uitsluitingscriteria is gebaseerd, betrouwbaar zijn, en wordt de invoering van een controle op de naleving van de uitsluitingslijst aanbevolen.
1.2.1.2 In een latere fase van het proces: ESG-vragenlijst
  • [7] Overeenkomstig het MVO-charter streeft de FPIM naar een voortdurende verbetering van de ESG-prestaties van de ondernemingen in portefeuille gedurende de gehele looptijd van de investering. Deze prestaties worden jaarlijks beoordeeld aan de hand van de ESG-vragenlijst. “Als de ESG-ontwikkelingsgraad van de onderneming stagneert of achteruitgaat, kan de FPIM besluiten om haar blootstelling tot de onderneming af te bouwen of als uiterste middel te desinvesteren” (paragraaf 1.1.2 van het MVO-charter). De FRDO keurt deze door de FPIM vastgestelde praktijk goed en beveelt aan die in de beheersovereenkomst te formaliseren.
1.2.1.3 In een latere fase van het proces: aandeelhoudersbeleid van de overheid
  • [8] Wat het aandeelhoudersbeleid betreft, is de FRDO van mening dat de nieuwe beheersovereenkomst transversale elementen moet bevatten, dat wil zeggen elementen die betrekking hebben op alle deelnemingen van de FPIM. De verbintenissen die de overheid op Europees en internationaal niveau is aangegaan, moeten dan ook in aanmerking worden genomen (zie met name de teksten in bijlage 2 bij dit advies en andere toezeggingen met betrekking tot de veerkracht van de economie).
  • [9] In overeenstemming met de klimaatverbintenissen van België vraagt de FRDO dat de beheersovereenkomst voorziet in de afstemming van de volledige portefeuille van de FPIM op de doelstelling van netto nuluitstoot in 2050. De FRDO herinnert eraan dat België deel uitmaakt van de Internationale Coalitie van ministers van financiën voor klimaatactie,[2]  die zich rechtstreeks inzet voor de afstemming van het financieel overheidsbeleid op de klimaatdoelstellingen. De FRDO  herinnert er ook aan dat de federale overheid het arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 30 november 2023[3] heeft aanvaard.
  • [10] Op basis van de genoemde verbintenissen is de FRDO van mening dat de FPIM haar participaties kan richten op ondernemingen die – met inachtneming van de planetaire grenzen – bijdragen aan een duurzame levenswijze voor het grote publiek, aan kwaliteitsvolle banen, aan bevoorradingszekerheid en aan een weerbare economie, en een positieve impact genereren.
  • [11] De FRDO is van mening dat de FPIM ook van al haar dochterondernemingen moet eisen dat zij de bovengenoemde verbintenissen nakomen. Hetzelfde geldt voor de gehele waardeketen van haar beleggingsportefeuille in lijn met de UNGPs, waarbij rekening moet worden gehouden met het proportionaliteitsbeginsel.
  • [12] Volgens de FRDO moet het aandeelhoudersbeleid ook sectorale elementen bevatten, dat wil zeggen elementen die specifiek zijn voor de verschillende sectoren waarin de FPIM belangen heeft. Deze elementen dragen bij aan de uitvoering van de transversale doelstellingen, rekening houdend met de specifieke kenmerken van elk van deze industriële sectoren. In dit verband zou de beheersovereenkomst de FPIM met name moeten opdragen een transitie- en competitiviteitsplan op te stellen dat in overeenstemming is met het aandeelhoudersbeleid.
  • [13] Op het niveau van elke afzonderlijke entiteit in portefeuille is de FRDO van mening dat de door de FPIM gesloten investeringsprotocollen en/of aandeelhoudersovereenkomsten in overeenstemming moeten zijn met de transversale en sectorale elementen van het aandeelhoudersbeleid. Op dit niveau moet de verantwoordelijkheid voor het opstellen van de specifieke doelstellingen en de kaders voor de uitvoering daarvan bij de raden van bestuur blijven berusten.
1.2.1.4 In een latere fase van het proces: prestatie-indicatoren, actief beheer, desinvestering
  • [14] Voor elk aspect van het aandeelhoudersbeleid moeten prestatie-indicatoren worden gespecificeerd, hetzij in de beheersovereenkomst zelf (transversale elementen), hetzij door de FPIM in haar beleggingsprotocollen en/of aandeelhoudersovereenkomsten. De beheersovereenkomst moet ook voorzien in een jaarlijkse evaluatie van de entiteiten in portefeuille op basis van deze indicatoren.
  • [15] De nieuwe beheersovereenkomst moet bevestigen dat de FPIM optreedt als een actieve aandeelhouder, die zijn toezicht niet beperkt tot de formele uitoefening van zijn aandeelhoudersrechten, maar een regelmatige dialoog onderhoudt met de entiteiten in zijn portefeuille, met name om de uitvoering van zijn aandeelhoudersbeleid op het gebied van duurzaamheid te waarborgen.
  • [16] De nieuwe beheersovereenkomst zou moeten voorzien in een mechanisme voor verantwoord desinvesteren wanneer blijkt dat de entiteit niet voldoet aan de verwachtingen van het aandeelhoudersbeleid en daar ook niet toe in staat is.
1.2.1.5 In een latere fase van het proces: charter voor bestuurders
  • [17] De FRDO is van mening dat de beheersovereenkomst de overheid ook in staat moet stellen het goede voorbeeld te geven op het gebied van duurzaamheid via de mandaten van haar bestuurders. Daartoe zou de beheersovereenkomst criteria moeten vaststellen die zijn afgestemd op de OESO-richtlijnen en die in het charter voor bestuurders moeten worden opgenomen. De beheersovereenkomst zou er ook voor moeten zorgen dat de bestuurders duurzaamheid bevorderen in de ondernemingen in portefeuille.
  • [18] Voor de FRDO zou de naleving door de bestuurders van het aandeelhoudersbeleid van de overheid voor de onderneming (zie hierboven) en van het bestuurdershandvest een voorwaarde zijn voor de uitoefening van hun mandaat. In deze context zou de FPIM al haar bestuurders een opleiding moeten aanbieden over duurzaamheid in ondernemingen.

 1.2.2 Hoe kan duurzaamheid worden bevorderd in de beleggingspijlers?

 1.2.2.1 Algemene overwegingen
  • [19] Het regeerakkoord pleit voor meer eigen investeringen van de FPIM in de volgende zes sectoren: defensie, luchtvaart, ruimtevaart, energie, volksgezondheid, financiële diensten en cyberveiligheid. Volgens de FRDO moet in de beheersovereenkomst expliciet worden vermeld dat deze bepaling uitsluitend betrekking heeft op nieuwe participaties van de FPIM en op geen enkele wijze impliceert dat er wordt gedesinvesteerd in de oude pijlers, waaronder impactinvesteringen en vervoer en mobiliteit.
  • [20] De FRDO beveelt aan dat het personeel van de FPIM een opleiding over duurzaamheid krijgt.
  • [21] De overheid moet via haar investeringen bijdragen aan de veerkracht van ondernemingen, hen ondersteunen bij het creëren van langetermijnwaarde voor de samenleving en bijdragen aan goede relaties met hun belanghebbenden en aan hun goede reputatie. Daartoe moet zij hen stimuleren om de duurzaamheidsrisico’s waaraan zij blootstaan te identificeren en te beheren, maar ook de negatieve impact die zij hebben of kunnen hebben op de duurzaamheid, zoals bepaald in het principe van dubbele materialiteit.
  • [22] Het in aanmerking nemen van de negatieve milieueffecten van ondernemingen in elke pijler kan steunen op het principe van “geen aanzienlijke schade toebrengen” (Do No Significant Harm of DNSH), waarvoor op Europees niveau reeds een aantal methodologieën bestaan.[4]  In ieder geval moeten ook de minimale sociale garanties worden verzekerd.
  • [23] Voor de FRDO zijn adaptatie aan de klimaatverandering en de bescherming van de biodiversiteit transversale thema’s die kunnen worden gekoppeld aan verschillende pijlers van de FPIM, zoals de zekerheid van de energie- en grondstoffenvoorziening en de stabiliteit van de economie met inachtneming van de planetaire grenzen, alsook van de internationale en Europese sociale normen.
  • [24] De FPIM moet zich dan actief gaan bezighouden met gemengde financiering (blended finance), met als doel de projectrisico’s te verminderen en zo privéfinanciering aan te trekken. De financiering door de FPIM doet dan dienst als katalysator en als aanvulling op de privéfinanciering die door de banken wordt verstrekt. Projecten op het gebied van klimaatadaptatie en biodiversiteit zijn namelijk vaak moeilijk “bankable”, met name vanwege de onzekerheid over de financiële voordelen, de hoge kosten in de beginfase en een discrepantie tussen de investeringshorizon en de terugverdientijd. De deelneming van de FPIM zal de risicoperceptie verbeteren en zo de aanvullende ondersteuning van privéfinanciering vergemakkelijken.
  • [25] Kredietgaranties maken het bv. mogelijk om de verliezen van banken bij tegenslag te beperken en kunnen tegelijkertijd de druk op het eigen vermogen en de risicogewogen activa (RWA) van de banken verlichten, waardoor zij meer speelruimte krijgen om meer kredieten te verstrekken. De gewestelijke investeringsmaatschappijen PMV en Wallonie Entreprendre kunnen al kredietgaranties verlenen, maar dat is bij de FPIM nog niet het geval. De FRDO pleit ervoor dat de FPIM garanties kan verstrekken voor kredieten die worden toegekend voor de financiering van milieu- en sociale doelstellingen en ter bevordering van de economische veerkracht van België.
 1.2.2.2 Overwegingen van de FRDO met betrekking tot de nieuwe investeringspijlers
  • [26] Volgens de FRDO moeten de investeringsbeperkingen waarin het huidige MVO-charter (zie hierboven) voorziet, worden toegepast in alle investeringspijlers.
  • [27] Wat financiële diensten betreft, moet in de beheersovereenkomst worden benadrukt dat de ondersteunde financiële ondernemingen een rol spelen bij de financiering van activiteiten die bijdragen aan de transitie naar duurzame ontwikkeling door de ESG-criteria op te nemen. Deze ondernemingen kunnen de duurzaamheidsvoorwaarden ook algemeen toepassen op de leningen en andere financieringen die zij verstrekken, en meer in het algemeen hun aanbod van duurzame producten uitbreiden.
  • [28] Op het gebied van energie, zou het beheerscontract de ontwikkeling en verankering van energiebronnen moeten aanbevelen die bijdragen aan de vermindering van broeikasgasemissies, om banen te creëren en te behouden, de doelstellingen voor koolstofarme energie in de energiemix te halen en de autonomie van België te vergroten.
  • [29] Wat de volksgezondheid betreft, zou de beheersovereenkomst de nadruk moeten leggen op preventie en toegang tot kwaliteitsvolle zorg, en tegelijkertijd het welzijn van het personeel in de sector moeten waarborgen.
  • [30] In de beheersovereenkomst moet worden benadrukt dat investeringen op het gebied van cyberveiligheid van belang zijn voor de autonomie van België en dat rekening moet worden gehouden met de bescherming van de gegevens van burgers en bedrijven, alsook met het recht op privacy van werknemers en burgers. Het principe van menselijke tussenkomst moet worden gehandhaafd.
  • [31] Wat defensie betreft, moeten activiteiten met betrekking tot clustermunitie en antipersoonsmijnen worden uitgesloten, in overeenstemming met de wet-Mahoux, net als alle andere verboden wapens.  
  • [32] De beheersovereenkomst zou een speciale clausule moeten bevatten met betrekking tot de identificatie en het beheer van risico’s en milieueffecten van de lucht– en ruimtevaartsector, en hun specifieke strategische kenmerken. Deze investeringen moeten dienen om geavanceerde technologieën, die veelbelovend zijn voor het creëren van banen, te behouden en aan te trekken, in het kader van de transitie naar duurzame ontwikkeling.

1.2.3 Welke eisen op het gebied van transparantie, rapportage (met name ESG en klimaat) en verantwoording tegenover het publiek en het maatschappelijk middenveld kunnen van een publieke investeerder zoals de FPIM worden verwacht?

  • [33] In overeenstemming met de OESO-richtlijnen is de FRDO van mening dat de transitie- en competitiviteitsplannen, de aandeelhoudersovereenkomsten en het charter voor FPIM-bestuurders op de website van de FPIM moeten worden gepubliceerd.
  • [34] In overeenstemming met de OESO-richtlijnen en door het belang van de portefeuille van de FPIM is de FRDO ook van mening dat het publiek en de belanghebbenden op het gebied van duurzaamheid moeten worden geïnformeerd over de wijze waarop de entiteiten in de portefeuille van de FPIM aan de verwachtingen van de FPIM voldoen, en dat de FPIM daarom ook het volgende op haar website moet publiceren:
    • Haar activiteitenverslag van het voorgaande jaar, overeenkomstig artikel 56 van de beheersovereenkomst 2021-2026
    • De motivering van de afwijking en de vermelding van de maatregelen ten gunste van de energietransitie en het klimaat waartoe de onderneming zich heeft verbonden,[6] in geval van gebruikmaking van een toegestane afwijking van de beleggingsbeperkingen.
    • De eventuele corrigerende maatregelen die zijn gepland in geval van ondermaatse prestaties ten opzichte van een of meer doelstellingen.
    • Het halfjaarverslag over de uitvoering van haar taken en van de beheersovereenkomst, dat ten minste de belangrijkste investeringen en desinvesteringen tijdens de verslagperiode, de prognoses inzake investeringen en desinvesteringen voor de volgende verslagperiode en de belangrijkste ESG-risico’s met betrekking tot de portefeuilles omvat.
  • [35] Om de FPIM de toegang te vergemakkelijken tot de informatie die overeenkomstig de vorige paragraaf moet worden gepubliceerd, is de FRDO van mening dat in de beheersovereenkomst het recht van de FPIM moet worden vastgelegd om van de gefinancierde entiteiten de nodige informatie en medewerking te verkrijgen (art. 38.2 van de beheersovereenkomst 2021-2026). De FPIM zou dan het gebruik van instrumenten zoals het Kube ESG-platform bij Belgische ondernemingen moeten bevorderen, evenals de publicatie van hun duurzaamheidsverslagen volgens de Europese normen die door de EFRAG zijn opgesteld, wat ook zou bijdragen aan hun bewustwording van ESG-risico’s en -kansen.
  • [36] Volgens de FRDO zou het beheerscontract ook een proces moeten vastleggen voor de verantwoordingsplicht van de FPIM aan het federaal parlement in de vorm van hoorzittingen op regelmatige tijdstippen. De FRDO zou het interessant vinden om een dialoog te kunnen voeren met de FPIM over de duurzaamheid van haar portefeuille.

1.2.4 Hoe kan de samenwerking tussen de FPIM en de gewestelijke publieke investeringsmaatschappijen meer duurzaamheid bevorderen? Hoe zou deze samenwerking eruit moeten zien?

  • [37] De beheersovereenkomst 2021-2026 bepaalt: “FPIM streeft er zo veel als mogelijk naar haar optreden als investeringsmaatschappij af te stemmen op de gewestelijke investeringsactiviteiten om zo de toegevoegde waarde van haar optreden als federale investeringsmaatschappij in de gegeven Belgische federale institutionele context te maximaliseren” (art. 28.3).
  • [38] Sommige ondernemingen kunnen zowel door de FPIM als door gewestelijke publieke investeringsmaatschappijen worden medegefinancierd. De FRDO is van mening dat uiteenlopende verwachtingen van investeerders ten aanzien van de duurzaamheid van ondernemingen en een toename van de rapportageverplichtingen zoveel mogelijk moeten worden vermeden.
  • [39] De FRDO is van mening dat de FPIM het collectieve streven naar duurzaamheid altijd moet bevorderen door te zoeken naar mogelijkheden voor samenwerking met gewestelijke ondernemingen op het vlak van haar aandeelhoudersbeleid.

 1.2.5 Specifieke aanbevelingen inzake integriteit

  • [40] De FRDO is van mening dat integriteit, als onderdeel van goed bestuur, een fundamentele waarde van de FPIM moet worden en stelt voor om in de beheersovereenkomst een aantal maatregelen op te nemen die de FPIM moet nemen om een voorbeeldfunctie te vervullen op het gebied van integriteit:
    • Het huishoudelijk reglement van de raad van bestuur moet worden aangevuld met
    • Er moet voor elke overheidsinstantie een integriteitscoördinator worden aangesteld, zoals de federale regering eind 2022 heeft bepaald.
    • Integriteitsrisico’s moeten worden opgenomen in de analyse van de interne risico’s binnen de FPIM en de externe risico’s op het niveau van de entiteiten in portefeuille.
    • Integriteit is een bijzonder belangrijke factor in het geval van variabele beloning (zie hierboven).

 

 

 

BIJLAGE 1

OECD Guidelines on Corporate Governance of State-Owned Enterprises 2024: lijst van aanbevelingen waarmee in dit advies rekening is gehouden

De relevante verwijzingen uit de richtlijnen worden hier opgesomd met vermelding van de paragraaf van het advies van de FRDO dat op deze verwijzingen is gebaseerd.

Paragraaf 1.2. Aanbeveling met betrekking tot de nieuwe beheersovereenkomst van de FPIM

  • Paragraaf [3]:

“Furthermore, SOEs appear strongly exposed to climate physical and transition risks, including risks of carbon-intensive lock-in, often being large-scale infrastructure providers or carbon-intensive companies. Such risks can be transferred to the state by virtue of state ownership, for example via lower or more volatile dividends, debt cannot be serviced if implicitly or explicitly guaranteed, or through transition risks that can lead to high-carbon stranded assets. The exposure to such risks may therefore be an obstacle for meeting ambitious national and international sustainability-related commitments, particularly those relating to climate change. Importantly, such risks may also impact SOE’s long-term performance and value creation as well as the achievement of public policy objectives, with direct consequences on the state’s budget and on individuals and businesses that rely on SOEs’ goods and services” (p.69).

 

Paragraaf 1.2.1.1. In een vroege fase van het proces: selectiecriteria en uitsluitingsbeleid

  • Paragraaf [5]: Recommendation VII.C. The state should expect SOEs to be subject to appropriate sustainability reporting and disclosure requirements, based on consistent, comparable and reliable information.

 

Paragraaf 1.2.1.3. In een latere fase van het proces: aandeelhoudersbeleid van de overheid

  • Paragraaf [7]: Recommendation VII.A. Where the state has set sustainability goals, they should be integral to the state’s ownership policy and practices.
  • Paragraaf [7]: Recommendation VII.A.1. Setting concrete and ambitious sustainability-related expectations for SOEs that are consistent with the ownership policy and practices.
  • Paragraaf [12]: « (…) while the state is responsible for setting expectations and ensuring a legal and regulatory framework conducive for SOEs to attain the government’s sustainability-related expectations, it should remain the responsibility of the boards of directors to develop the SOEs’ objectives and implementation frameworks towards sustainability” (p.71).

 

Paragraaf 1.2.1.5. In een latere fase van het proces: charter voor bestuurders

  • Paragraaf [16]: Recommendation VII.B. The state should expect SOEs boards to adequately consider sustainability risks and opportunities when fulfilling their key functions.
  • « The state should ensure that SOE boards have full operational autonomy to achieve their strategic objectives, including those related to sustainability. They should be assigned a clear mandate and ultimate responsibility for the enterprise’s performance and be subject to appropriate reporting and monitoring mechanisms. In particular, SOE boards should formulate their own sustainability policies and objectives in line with their overall corporate strategy; and, where relevant, identify and report on a set of strategic indicators and targets on sustainability to measure performance” (p.72).
  • Paragraaf [16]: Recommendation VII.B.1. SOE boards should review and guide the development, implementation and disclosure of material sustainability-related objectives and targets as part of the corporate strategy.
  • Paragraaf [16]: Recommendation VII.B.2. SOEs should integrate sustainability considerations into their risk management and internal control systems, including by conducting risk-based due diligence.
  • Paragraaf [16]: Recommendation VII.B.3. SOE boards should consider sustainability matters when assessing and monitoring management performance.

 

Paragraaf 1.2.2.1. Beleggingspijlers: algemene overwegingen

  • Paragraaf [19]: Recommendation VII.B.2. SOEs should integrate sustainability considerations into their risk management and internal control systems, including by conducting risk-based due diligence.
  • “Undertaking risk-based due diligence ensures that the SOE goes beyond simply identifying and managing material risks to the enterprise itself, to include the risks of adverse impacts” (p.73).

 

Paragraaf 1.2.2.2. Beleggingspijlers: overwegingen van de FRDO met betrekking tot de nieuwe investeringspijlers

  • Paragraaf [26]: Recommendation VII.A. Where the state has set sustainability goals, they should be integral to the state’s ownership policy and practices.
  • “(…) state-owned banks and other public financial institutions may also play a role by mainstreaming sustainability-related considerations in their lending and financing practices” (p.70).

 

Paragraaf 1.2.3. Welke eisen op het gebied van transparantie, rapportage (met name ESG en klimaat) en verantwoording tegenover het publiek en het maatschappelijk middenveld kunnen van een publieke investeerder zoals de FPIM worden verwacht?

  • Paragraaf [32]: Recommendation VII.D. Such owner’s expectations should be publicly disclosed in a clear and transparent manner.
  • Paragraaf [33] – Wat duurzaamheidskwesties betreft, moet het activiteitenverslag gebruikmaken van prestatie-indicatoren:
  • Recommendation VII.C. The state should expect SOEs to be subject to appropriate sustainability reporting and disclosure requirements, based on consistent, comparable and reliable information.
  • “The state should expect SOEs to engage in non-financial reporting and disclosure to demonstrate how they address sustainability expectations (…).  They should be explicitly required to adequately report and disclose clear, accurate and complete material information on sustainability-related policies, activities, risks, objectives and performance metrics in a timely and accessible manner, in line with high-quality internationally recognized standards” (p.74).
  • “In addition and as appropriate, SOEs should provide information on key issues relevant to employees and other stakeholders that may materially affect the performance of the enterprise, or have significant impacts on stakeholders” (p.75)
  • Paragraaf [33] – eventuele geplande corrigerende maatregelen
  • Recommendation VII.B.1. SOE boards should review and guide the development, implementation and disclosure of material sustainability-related objectives and targets as part of the corporate strategy.
  • “The disclosure may include, for instance (…) possible corrective actions the company intends to take to address the underperformance against a target” (p.73).
  • Paragraaf [36]: Recommendation VII. The state as an owner should (…) fully recognize SOE’s responsibilities towards stakeholders and should request that SOEs report on their relations with stakeholders.
  • Paragraaf [36]: Recommendation VII.D.1. Where stakeholder interests are protected by law, the workforce and other stakeholders should have the opportunity to obtain effective redress for violation of their rights at a reasonable cost and without excessive delay.
  • “To encourage active and long-term value creating co-operation with stakeholders, state ownership entities and SOEs should ensure that stakeholders, including the workforce and affected communities, have access to relevant, sufficient and reliable information on a timely and regular basis to be able to exercise their rights, such as to effective redress in the event their rights are violated” (p.77).

 

BIJLAGE 2

 Verbintenissen van de overheid op het gebied van duurzaamheid

  • De Guiding Principles van de Verenigde Naties inzake bedrijven en mensenrechten (UNGPs), die door België worden onderschreven en waarin wordt bepaald: “staten zouden extra stappen moeten nemen om becherming te bieden tegen mensenrechtenschendingen door bedrijven waarvan ze eigenaar zijn of waarover ze zeggenschap uitoefenen (…) onder meer door waar nodig due diligence inzake de mensenrechten voor te schrijven” (beginsel 4).
  • De naleving van andere normen voor verantwoord ondernemen, om rekening te houden met mogelijke negatieve effecten op het milieu en de samenleving, en deze te verhelpen of te beperken (OECD 2024, p.70), zoals bv. de OECD Guidelines for Multinational Enterprises on Responsible Business Conduct, die door België zijn onderschreven en die van toepassing zijn op overheidsbedrijven.
  • De agenda voor waardig werk van de IAO, de verklaring van de IAO inzake fundamentele rechten op het werk en de IAO-verdragen waarin de fundamentele beginselen en rechten op het werk zijn vastgelegd.
  • Het Akkoord van Parijs, de Europese klimaatwet die de doelstelling van klimaatneutraliteit van de Europese Unie tegen 2050 wettelijk vastlegt (Verordening (EU) 2021/1119), en het besluit van de federale regering om de Europese doelstelling te ondersteunen om de uitstoot van broeikasgassen tegen 2040 met ten minste 90% te verminderen ten opzichte van 1990.
  • Het internationaal gewoonterecht, dat naast de verdragen inzake klimaatverandering ook de verplichting van staten omvat om aanzienlijke schade aan het klimaatsysteem te voorkomen en hun broeikasgasemissies te verminderen, zoals het Internationaal Gerechtshof heeft aangegeven in zijn advies van 23 juli 2025 over de verplichtingen van staten op het gebied van klimaatverandering.
  • Doelstelling 19 van het mondiale kader voor biodiversiteit van Kunming-Montréal, die betrekking heeft op het mobiliseren van de financiële middelen die nodig zijn voor de uitvoering van het gehele kader, met als doel tegen 2030 200 miljard dollar te mobiliseren om maatregelen ten behoeve van de biodiversiteit te financieren.
  • Adaptatie aan de klimaatverandering.
  • Het algemene kader van de Europese Unie inzake de circulaire economie.
  • De belangrijkste internationale instrumenten op het gebied van mensenrechten.[1]
  • Partnerschappen die het welzijn van de mens wereldwijd bevorderen.

 

[1] https://www.ohchr.org/fr/core-international-human-rights-instruments-and-their-monitoring-bodies

 

 

 

 

 

[1] OECD Guidelines on Corporate Governance of State-Owned Enterprises 2024 (OECD Guidelines on Corporate Governance of State‑Owned Enterprises 2024 | OECD).

[2] https://www.financeministersforclimate.org/

[3] In dit arrest heeft het Hof van Beroep de federale staat, Vlaanderen en Brussel opgedragen een ambitieuzer klimaatbeleid te voeren, met inbegrip van een vermindering van de broeikasgasemissies met ten minste 55% tegen 2030, ten opzichte van 1990.

[4] Voor methodologieën voor de toepassing van het DNSH-beginsel, zie:

–  de Europese taxonomie, die sectorale technische beoordelingscriteria vaststelt om te bepalen of de economische activiteiten van de betrokken sector “geen aanzienlijke schade” toebrengen aan het milieu (Verordening (EU) 2020/852), en

– de technische richtsnoeren voor de toepassing van het beginsel van “geen aanzienlijke schade toebrengen” in het kader van de verordening tot instelling van een herstel- en veerkrachtfaciliteit bevatten een specifieke bijlage betreffende de naleving van dit beginsel voor activiteiten in verband met de productie van elektriciteit en warmte (2021/C 58/01, bijlage III).

[5] Dit artikel 56 bepaalt dat “dit activiteitenverslag ten minste een beknopt overzicht van de deelnemingen en investeringen, de belangrijkste gegevens van elke onderneming, alsmede een beknopt overzicht van de prestaties van de FPIM aan de hand van de belangrijkste prestatie-indicatoren bevat”.

[6] Zie voetnoot nr. 8 van het huidige MVO-charter van de FPIM.

Opmerkingen, vragen of suggesties?