- Gevraagd door Jean-Luc Crucke, Minister van mobiliteit, klimaat en ecologische transitie, belast met duurzame ontwikkeling, in een brief van 22 mei 2026
- Dit advies werd voorbereid door de werkgroep Productnormen
- Samen met de CRB, de BRC Verbruik en de NAR
- Goedgekeurd door de Algemene Vergadering via schriftelijke procedure op 14/07/2026
Advies (pdf)
Draagwijdte van de aanvraag
Indiening
Op 22 mei 2026 heeft de heer Jean-Luc Crucke, minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische transitie, belast met Duurzame ontwikkeling, aan de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB), de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling (FRDO) en de bijzondere raadgevende commissie Verbruik (brc Verbruik) een adviesvraag gericht betreffende een ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 13 november 2011 tot vaststelling van de retributies en bijdragen verschuldigd aan het Begrotingsfonds voor de grondstoffen en de producten, het koninklijk besluit van 4 april 2019 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruiken van biociden en het koninklijk besluit van 9 december 2021 tot oprichting van een Comité voor advies inzake biociden. Het advies van deze adviesorganen wordt gevraagd conform artikel 19, §1, eerste lid van de wet van 21 december 1998 betreffende productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu, de volksgezondheid en de werknemers. De uiterlijke datum voor het uitbrengen van dit advies is 24 juli 2026.
Overwogen reglementaire wijzigingen
Het voorliggende ontwerp van koninklijk besluit beoogt een wijziging van:
- het koninklijk besluit van 13 november 2011 betreffende de retributies en bijdragen aan het Begrotingsfonds voor grondstoffen en producten[1];
- het koninklijk besluit van 4 april 2019 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruiken van biociden[2] en
- het koninklijk besluit van 9 december 2021 tot oprichting van een Adviescomité inzake biociden[3].
De voorgestelde wijzigingen spelen in op de noodzaak om het bestaande regelgevend kader aan de evoluties in de dagelijkse praktijk aan te passen, de implementatie van de Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/707 te verzekeren, en de administratieve lasten voor zowel ondernemingen als overheid te verminderen. Daarnaast beoogt men de samenwerking tussen betrokken administraties te versterken, bepaalde bepalingen te verduidelijken en te corrigeren, en de algemene leesbaarheid van de regelgeving te verbeteren.
De voorgestelde wijzigingen houden onder andere in dat de procedure voor de jaarlijkse aangifte en bijdrage, die is beschreven in het koninklijk besluit van 13 november 2011, grondig wordt herzien. Wat het koninklijk besluit van 4 april 2019 betreft, worden onder meer de notie van niet‑ontvankelijkheid in het kader van de verschillende mogelijke beroepsprocedures ingevoerd en de termijn voor de verplichte jaarlijkse aangifte verlengd. Bovendien wordt duidelijk vermeld dat elk biocideproduct bij het Antigifcentrum moet worden gemeld en wil men de UFI‑code in de dossiervereisten opnemen. Daarnaast wordt in het koninklijk besluit van 9 december 2021 hoofdstuk II opgeheven, aangezien dat ingevolge artikel 10 van het voorliggende ontwerp van koninklijk besluit niet langer van toepassing is.
De inwerkingtreding van de voorliggende regelgeving is voorzien op 1 januari 2027.
Hoorzitting
Naar aanleiding van deze adviesvraag zijn de bevoegde leden van de drie voornoemde adviesorganen op 9 juni 2026 virtueel bijeengekomen voor een uiteenzetting door mevrouw Dumortier en de heer Fauconnier (FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu).
Werkzaamheden in de subcommissie en plenaire zitting
Er werd overeengekomen dat de secretariaten een ontwerpadvies zouden opstellen. Dit ontwerpadvies werd voorgelegd aan de plenaire vergadering van de CRB (goedgekeurd op 14/07/2026), via elektronische weg aan de plenaire vergadering van de brc Verbruik (goedgekeurd op 14/07/2026) en via elektronische weg aan de algemene vergadering van de FRDO (goedgekeurd op 6/07/2026).
Advies
- [1] De adviesorganen verwelkomen de wijzigingen die in het voorliggende ontwerp van koninklijk besluit worden voorgesteld en zijn tevreden dat deze concreet bijdragen aan administratieve vereenvoudiging. Ze stellen vast dat de voorgestelde aanpassingen het regelgevend kader inzake biociden duidelijker en werkbaarder maken, wat de betrokken actoren ondersteunt bij de toepassing ervan.
- [2] De adviesorganen ondersteunen daarnaast de verplichting om alle biocideproducten te melden bij het Antigifcentrum. Ze benadrukken dat een volledig en actueel overzicht van de productsamenstelling essentieel is om een snelle en adequate hulpverlening te verzekeren. Ze stellen vast dat veel ondernemingen vandaag reeds vrijwillig aangifte doen en dat de voorgestelde verplichting aansluit bij de bestaande praktijk. Het invoeren van deze verplichting draagt volgens de adviesorganen bij aan de rechtszekerheid en transparantie van het regelgevend kader.
- [3] De adviesorganen wijzen er echter op dat voornoemde meldingsplicht geen bijkomende administratieve lasten mag creëren voor ondernemingen, in het bijzonder voor kmo’s, en stellen zich de vraag of een analyse van de mogelijke impact van deze meldingsplicht op ondernemingen werd uitgevoerd. Ze benadrukken in dat kader de noodzaak van een efficiënte, toegankelijke en gebruiksvriendelijke aangifteprocedure.
[1] Koninklijk besluit van 13 november 2011 betreffende de retributies en bijdragen aan het Begrotingsfonds voor grondstoffen en producten
[2] Koninklijk besluit van 4 april 2019 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruiken van biociden
[3] Koninklijk besluit van 9 december 2021 tot oprichting van een Comité voor advies inzake biociden, en tot wijziging van het koninklijk besluit van 4 april 2019 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruiken van biociden