13 | Advies herstelbaarheidsindex

  • Op vraag van Zakia Khattabi, minister van Klimaat, Leefmilieu, Duurzame Ontwikkeling en Green Deal, in een brief van 13/09/2022
  • Voorbereid door de werkgroepen ‘Productnormen’ en ‘Innovatieve economische modellen’
  • Goedgekeurd door de Algemene Vergadering via schriftelijke procedure op 15/11/2022
  • Met de CRB en de BRCV

Advies (pdf)

 

 

Draagwijdte van de aanvraag

Indiening

Op 13 september 2022 heeft mevrouw Zakia Khattabi, minister van Klimaat, Leefmilieu, Duurzame Ontwikkeling en Green Deal, aan de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB), de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling (FRDO) en de Bijzondere raadgevende commissie “Verbruik” (brc Verbruik) een adviesaanvraag gericht met betrekking tot een wetsontwerp betreffende de invoering van een herstelbaarheids- en levensduurindex en de verspreiding van informatie over de duur van de compatibiliteit van software voor producten, evenals drie toepasselijke ontwerpen van koninklijke besluiten.

Het advies werd verwacht tegen 31 oktober 2022 maar een verlenging tot 15 november 2022 werd toegestaan om het advies uit te brengen.

Nieuwe beoogde wetgeving

Met het onderhavige wetsontwerp wordt beoogd een herstelbaarheidsindex te creëren, die zal worden aangevuld met een levensduurindex en een verplichting tot verspreiding van informatie over de duur van de compatibiliteit van software voor producten.

Dit wetsontwerp voorziet in:

  • een herstelbaarheidsindex die bestaat uit een aan de hand van objectieve criteria berekende score die de haalbaarheid van demontage en reparatie van producten beoordeelt;
  • een levensduurindex die de herstelbaarheidsindex zal aanvullen met nieuwe criteria;
  • het feit dat de verantwoordelijke voor het op de markt brengen van bepaalde producten informatie moet verschaffen over de periode gedurende dewelke de fabrikant of de leverancier het besturingssysteem of de software onderhoudt en bijwerkt om een normaal gebruik van het product door een voorzichtige en redelijke gebruiker te waarborgen;
  • het feit dat de lijst van de beoogde producten, de voor de berekening van de indexcijfers te gebruiken technische normen, de wijze van mededeling en het formaat ervan bij koninklijk besluit worden bepaald.

Hoorzitting

Naar aanleiding van deze adviesaanvraag zijn de bevoegde leden van de drie voornoemde adviesorganen op 27 september 2022 samengekomen om te luisteren naar een uiteenzetting door mevr. Sirine Echakafi (FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu) en de heren John Wante (kabinet van de minister van Klimaat, Leefmilieu, Duurzame Ontwikkeling en Green Deal) en Mark Looman (FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu).

Werkzaamheden in de subcommissie en plenaire zitting

Er werd overeengekomen dat de secretariaten een voorontwerpadvies zouden opstellen.  Dit voorontwerp is besproken tijdens vergaderingen op 13 en 20 oktober 2022. Dit ontwerpadvies werd vervolgens voorgelegd aan de plenaire vergadering van de CRB langs elektronische weg (goedgekeurd op 15 november 2022), aan de plenaire vergadering van de BRC Verbruik langs elektronische weg (goedgekeurd op 15 november 2022), evenals aan de algemene vergadering van de FRDO langs elektronische weg (goedgekeurd op 15 november 2022).

 

Advies

1. Algemene opmerkingen

  • [1] De adviesorganen danken de minister dat zij hen bij dit proces heeft betrokken, maar betreuren dat zij niet voldoende tijd hebben gekregen om voldoende overleg te plegen over zo’n belangrijk onderwerp en zo’n belangrijke teksten.
  • [2] De adviesorganen zijn van oordeel dat elk initiatief inzake herstelbaarheid en verbetering van de levensduur van producten, met inbegrip van een herstelbaarheidsindex, positief bijdraagt tot de ontwikkeling van de circulaire economie in ons land. De circulaire economie is een economisch ontwikkelingsmodel dat verschillende maatschappelijke uitdagingen kan helpen aanpakken, zoals de schaarste aan grondstoffen, de afbraak van natuurlijke hulpbronnen, de uitputting van de biodiversiteit en de klimaatverandering, en ook veel kansen biedt op het gebied van innovatie, het creëren van toegevoegde waarde en lokale werkgelegenheid.
  • [3] De adviesorganen zijn van mening dat deze initiatieven duurzaam moeten zijn, aangezien zij de plaatselijke werkgelegenheid in de herstelsector moeten stimuleren, met name door het openen van herstelwerkplaatsen en de opleiding van geschoold personeel dat herstellingen doet aan te moedigen. Deze initiatieven kunnen ook de economische groei in België bevorderen, met name doordat bepaalde plaatselijke producenten die hun hele productieketen beheersen, zich kunnen onderscheiden van invoerders van eindproducten, door middel van een hogere herstelbaarheidsindex.
  • [4] De adviesorganen herinneren eraan dat het voor advies voorgelegde initiatief moet worden bekeken in het licht van het recht van de Europese Unie en de beoordelingsmarge die dit al dan niet laat aan de staten om specifieke maatregelen voor de producten aan te nemen, wanneer er op Europees niveau geharmoniseerde maatregelen bestaan of worden ontwikkeld. Zij merken op dat de Europese wetgeving inzake herstelbaarheid momenteel volop wordt uitgewerkt (EU Energy labelling regulation, Ecodesign for sustainable products regulation). Een herstelbaarheidsindex voor smartphones en tablets zal naar verwachting eind 2022 worden goedgekeurd om in 2024 in werking te treden en de Europese Commissie zal begin 2023 ook wetten maken voor laptops en vervolgens voor andere apparaten. De op Europees niveau vastgestelde verplichtingen, het toepassingsgebied en het tijdschema zullen dus overlappen met het Belgische initiatief, dat waarschijnlijk zal moeten worden aangepast. Zij vragen ook dat rekening wordt gehouden met bestaande regelgeving (met name betreffende de softwarecompatibiliteit) zoals Richtlijn (EU) 2019/771 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 betreffende bepaalde aspecten van overeenkomsten voor de verkoop van goederen en Richtlijn (EU) 2019/770 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 betreffende bepaalde aspecten van overeenkomsten voor de levering van digitale inhoud en digitale diensten, of regelgeving in ontwikkeling zoals de herziening van Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten. Bijkomend dient rekening gehouden te worden met het voorstel voor een richtlijn ter versterking van de positie van de consument door middel van betere informatie en bescherming tegen oneerlijke praktijken[1], en de initiatieven die binnenkort gepubliceerd zullen worden enerzijds voor het promoten van herstel en hergebruik en anderzijds voor het onderbouwen van zogenaamde green claims[2].

2. Belgisch initiatief inzake de herstelbaarheid van producten

  • [5] Sommige leden[3] van de adviesorganen vinden dat de herstelbaarheidsindex alleen op Europees niveau moet worden ontwikkeld en – zeker voor smartphones en tablets – moet samengaan met het energielabel. Zij menen dat het van prioritair belang is om hun stempel te drukken op de in ontwikkeling zijnde Europese wetgeving. Mocht subsidiair toch worden beslist om in België een eigen initiatief te lanceren, dan reiken zij verderop in dit advies hiervoor een aantal opmerkingen aan. Deze opmerkingen moeten volgens deze leden dan ook worden gelezen in de veronderstelling dat het Belgische initiatief niettemin zal worden voortgezet.
  • [6] Andere leden[4] van de adviesorganen benadrukken het belang van de voortrekkersrol van België op dit gebied en steunen daarom het Belgische initiatief, dat in overeenstemming moet zijn met het Europese recht en de ontwikkelingen aldaar. Hoewel bestaande eco-design verordeningen bepalingen bevatten naar herstelbaarheid toe (wisselstukken, technische tekeningen…) bevatten ze geen herstelindex. Binnen de energie-etikettering verordening is dit wel voorzien maar voorlopig alleen voor smartphones en tablets. Deze leden van de raadgevende organen stellen vast dat heel het proces om te komen tot regelgeving om herstel en duurzaamheid te bevorderen op Europees niveau erg traag gaat en dat nationale wetgeving in België, naar analogie met het Franse systeem, alleen maar een trigger kan zijn voor de Europese Commissie om ook voor andere productcategorieën versneld en geïnspireerd op het bestaande Franse en toekomstige Belgische systeem een herstelindex uit te rollen.

3. Aansluiting bij het huidige en toekomstige Europese kader

Verband met het consumentenrecht

  • [7] De raadgevende organen willen met name de aandacht vestigen op de wijzigingen die het voorstel voor een richtlijn ter versterking van de positie van de consument door middel van betere informatie en bescherming tegen oneerlijke praktijken met zich mee zal brengen. Die richtlijn zal de bestaande verplichtingen voor handelaren om consumenten informatie over de belangrijkste kenmerken van de goederen te verstrekken, wijzigen door nieuwe punten toe te voegen aan de bestaande Richtlijn Consumentenrechten[5]. Zes extra punten worden toegevoegd aan de lijst van informatie die op duidelijke en begrijpelijke wijze aan de consument moet worden verstrekt, waaronder een repareerbaarheidsscore van het goed[6]. Die repareerbaarheidsscore wordt vervolgens gedefinieerd als “een score die de repareerbaarheid van een goed aangeeft op basis van een overeenkomstig het Unierecht vastgestelde methode[7]”. Daarnaast zal ook verduidelijkt worden welke informatie handelaren moeten verstrekken aangaande het bestaan en de duur van de periode waarin de producent of de aanbieder software-updates zal verstrekken voor goederen met digitale elementen.[8] Om bij te dragen tot een hoog beschermingsniveau voor de consument en een beter functioneren van de b2c-interne markt gaat de Richtlijn Consumentenrechten in principe uit van maximale harmonisatie[9]. Bijgevolg stellen de adviesorganen zich de vraag of, gezien het toekomstige Europese kader, wel wettelijk toegelaten is om op lidstatelijk niveau nieuwe precontractuele informatieplichten in te voegen bij overeenkomsten op afstand of buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten. De Europese regelgever geeft in zijn overwegingen duidelijk aan dat nationale initiatieven zouden leiden tot een versnippering van de eengemaakte markt, wat op zijn beurt tot rechtsonzekerheid en hogere nalevingskosten zou leiden en waardoor het bijgevolg niet opportuun is dat lidstaten vooruit zouden lopen op deze nieuwe regelgeving[10].

Initiatief op Europees of Belgisch niveau

  • [8] Sommige leden[11] van de adviesorganen zijn van mening dat de herstelbaarheidsindex enkel op Europees niveau moet worden ontwikkeld en moet worden samengevoegd met het energielabel, en dat er dus eerst in het kader van de Europese regelgeving moet worden gewerkt alvorens op Belgisch niveau initiatieven op dit gebied te nemen, om elke tegenstrijdigheid tussen deze regelgevingen te vermijden. Zij stellen immers dat:
    • a. de invoering van dergelijke indexen in ons land zonder de Europese wetgeving af te wachten een dubbele administratieve last voor de bedrijven zou impliceren, aangezien de berekeningsmethoden en andere verplichtingen waarschijnlijk moeten worden aangepast wanneer de Europese wetgeving in werking treedt;
    • b. dit zou een negatief effect hebben op zowel de lokale economie als voor de consumenten, aangezien sommige fabrikanten niet langer in ons land zouden investeren, de concurrentie zou worden verzwakt en de productprijzen hoger zouden kunnen zijn;
    • c. indien een minimale herstelbaarheidsscore (zie artikel 4, lid 4, van het beoogde wetsontwerp) een voorwaarde zou zijn voor het op de markt brengen van producten, dan zouden sommige producten van de Belgische markt worden gehaald, maar de consumenten zouden ze niettemin nog in het buitenland kunnen verkrijgen (in winkels of online). Dit zou het vrije verkeer van goederen binnen de Europese Unie belemmeren en indruisen tegen de beginselen van eerlijke concurrentie.
  • Deze leden van de raadgevende organen merken bovendien op dat:
    • d. consumenten de slachtoffers riskeren te zijn als iedere lidstaat een eigen versie van een herstelbaarheidsindex invoert. Dat zal veel verwarring scheppen, maar ook bestaat de kans dat één product afhankelijk van de nationale vereisten, verschillende herstelbaarheidsscores krijgt;
    • e. sommige detailhandelaren doen aan parallelhandel en kopen producten op Europese markten die ze vervolgens doorverkopen op de Belgische markt. Die nieuwe verplichtingen op nationaal niveau regels zal sommigen van hen ontmoedigen.
  • [9] Diezelfde leden[12] van de adviesorganen vragen daarom:
    • a. om smartphones en tablets uit het toepassingsgebied van het beoogde wetsontwerp te halen, aangezien er momenteel Europese wetgeving voor dit soort producten wordt voorbereid;
    • b. om inlichtingen in te winnen bij de diensten van de Europese Commissie om te weten welke andere soorten producten binnenkort onder een soortgelijke wetgeving zullen vallen en deze uit het toepassingsgebied van het wetsontwerp te halen.
  • [10] Andere leden[13] van de raadgevende organen vinden dat er op Belgisch vlak al stappen gezet kunnen worden inzake de herstelindex, levensduurindex en verplichte informatielevering van de softwareduur van producten. De consument is al langer vragende partij om een idee te krijgen over de herstelbaarheid en levensduur van producten. Deze leden vinden dus niet dat we moeten wachten tot de Europese Unie wetgeving opstelt over de herstelbaarheid van producten. Bovendien moet het beheer van ons afval, en vooral elektronisch afval, verbeteren. Het gewicht van ingezameld elektronisch en elektrisch afval is in 2021 met 3,7% toegenomen tegenover 2020 en de hoeveelheid elektrische apparaten op de markt groeit. Alleen in de afgelopen vijf jaar bedroeg de stijging 10%.  In 2020 behaalde België een inzamelpercentage van 54,8%, maar dit is nog een eind verwijderd van de Europese doelstelling van 65%[14]. Nieuwe initiatieven zoals de herstelindex kunnen hieraan meehelpen en de afvalhoop doen krimpen.
  • [11] Het kan namelijk zeer lang duren voordat dergelijke wetgeving wordt aangenomen op EU niveau en anderzijds kan de op het niveau van de lidstaten aangenomen wetgeving als inspiratiebron dienen voor de inhoud van de Europese wetgeving.

Frans voorbeeld

  • [12] Sommige leden[15] van de raadgevende organen voegen daaraan toe dat dit systeem in Frankrijk al enige tijd bestaat en een positief effect heeft gehad op het stimuleren van duurzame praktijken voor consumenten en producenten. Volgens een analyse van “Halte à l’obsolescence programmée” (hierna: HOP) waren 55% van consumenten op de hoogte van de herstelindex een jaar na invoering en 76% van hen namen deze index in acht bij de aankoop van nieuwe producten[16]. HOP benadrukt “wij zijn ervan overtuigd dat de herstelbaarheidsindex een belangrijk en waardevol instrument is in de strijd tegen de wegwerpconsumptiecultuur. Dit wordt onderbouwd door het positieve effect ervan op het consumentengedrag en de producentenpraktijken die in dit verslag worden belicht.”. Volgens IFIXIT[17] gaan ook fabrikanten veelal mee met de invoering van de Franse index door “reparatiehandleidingen of reserveonderdelen aan te bieden.”. Ook op internationale merken heeft de index in Frankrijk al een effect gehad volgens IFIXIT.
  • [13] Daarnaast is volgens deze leden[18] van de raadgevende organen de herstelindex ook een verkoopargument voor bedrijven ten aanzien van de consument.
  • [14] Deze leden[19] van de raadgevende organen zijn positief over de geplande coherentie met de Franse wetgeving en de samenwerking met de Franse collega’s. België kan evenwel leren uit de fouten in de Franse methode en zo finaal, in samenwerking met de Franse collega’s, tot een betere index komen.
  • [15] Bovendien volgens deze leden[20] van de raadgevende zijn er ook producten die niet onder de EU wetsvoorstellen vallen maar wel in het Belgische wetsontwerp (bijvoorbeeld fietsen en e-bikes). Dit zijn belangrijke producten waarvoor ook een kader moet bestaan, waardoor we op Belgisch niveau kunnen voortgaan.
  • [16] De adviesorganen benadrukken het belang van een goede coördinatie tussen de lidstaten die eventueel hebben beslist om hetzelfde soort maatregelen in te voeren, om ervoor te zorgen dat identieke producten in deze staten dezelfde herstelbaarheidsindex krijgen.
  • [17] De adviesorganen vinden het zeer positief dat de Belgische autoriteiten met het oog op de harmonisatie nauw hebben samengewerkt met hun Franse collega’s en vragen dat de gekozen methodologieën desgevallend worden afgestemd op die welke op Europees niveau worden gebruikt.
  • [18] Sommige leden[21] van de adviesorganen betreuren dat de harmonisatie met de Franse regeling niet volledig is ( toepassingsgebied, begrippen en definitie zoals duurzaamheid of levensduur, weergavemodaliteit).
  • [19] Andere leden[22] van de adviesorganen daarentegen vinden dit niet problematisch, noch wenselijk.
  • [20] De adviesorganen merken evenwel op dat de in Frankrijk genomen maatregelen reeds aanleiding hebben gegeven tot enige kritiek en vragen dat deze zorgvuldig worden geanalyseerd opdat dezelfde fouten in ons land niet worden herhaald of, indien mogelijk, zelfs in beide landen worden gecorrigeerd.

4. Aansluiting bij het Belgische kader

  • [21] De adviesorganen merken op dat de voorgestelde regeling een nieuwe autonome wet inhoudt. Zij stellen echter vast dat, hoewel het beoogde wetsontwerp wordt voorgesteld als een wetsontwerp dat in de eerste plaats milieubescherming tot doel heeft, het ook verband houdt met de consumentenbescherming. Daarom zijn zij van mening dat opneming in de bestaande wetgeving de voorkeur verdient. In dit verband wijzen zij er enerzijds op dat een specifiek hoofdstuk had kunnen worden opgenomen in Boek VI “Marktpraktijken en consumentenbescherming” van het Wetboek van Economisch Recht om de samenhang van het bestaande begrippenapparaat en de nationaalrechtelijke regels te waarborgen, en, anderzijds, dat voor bepaalde aspecten een verankering in de wet van 21 décembre 1998 betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid, moet worden overwogen.
  • [22] De adviesorganen zijn van mening dat een dergelijke verankering het voordeel biedt van bestaande definities, toezicht op de implementatie, enz. In het huidige voorstel ontbreken bepaalde definities van begrippen (bijv. eindgebruiker, verkoper, fabrikant, importeur …). De adviesorganen zijn van mening dat zij daarom uitdrukkelijk of door middel van verwijzing moeten worden gespecificeerd.
  • [23] De adviesorganen wijzen er tevens op dat de voorgenomen maatregelen, vanwege hun gevolgen voor de consumentenbescherming, moeten worden gelezen en geïnterpreteerd in samenhang met het Wetboek van Economisch Recht en het Burgerlijk Wetboek. In België heeft het Wetboek van Economisch Recht (hierna: WER) betrekking op handelspraktijken ten aanzien van consumenten. Indien de verkoper verkeerde informatie geeft omtrent de herstelbaarheid van een product, dan vormt dit mogelijks ook een misleidende handelspraktijk (art. VI.97 WER). Er wordt immers verkeerde info verstrekt over de voornaamste kenmerken van het product. De vaststelling dat de verkoper te goeder trouw was en vertrouwde op de door de fabrikant aangeleverde info, is ter zake niet relevant (zie HvJ 19 september 2013, C-435/11). In het Belgisch recht kan een consument zich tegenover de verkoper beroepen op de in artikel VI.38 WER bepaalde sanctie indien hij ingevolge een oneerlijke handelspraktijk een overeenkomst heeft gesloten. Indirect kunnen de voorgestelde regelen de garantie waarover consumenten beschikken, zowel bij goederen (art. 1649bis ev OBW) als digitale inhoud (art.1071/1 e.v. OBW) beïnvloeden. Belangrijk is daarbij vooreerst een onderscheid te maken tussen de wettelijke garantie die door de verkoper / verstrekker van digitale inhoud op grond van de wet geboden moet worden en de commerciële garantie die door verkopers / verstrekkers van digitale inhoud of producten vrijwillig kan worden verstrekt (waaronder een garantie inzake duurzaamheid). Concreet wordt erop gewezen dat in het geval waarin informatie over de herstelbaarheid van een product niet strookt met de realiteit, dit een conformiteitsgebrek vormt waarvoor de verkoper tegenover de consument aansprakelijk is (voor zover dit gebrek zich manifesteert binnen de twee jaar). Het is de verkoper die aansprakelijk is tegenover de consument. Wel zal de verkoper achteraf verhaal kunnen instellen tegen de fabrikant. Dit verhaalsrecht schiet echter vaak te kort.

5. Inhoud van de voorgestelde regeling

5.1  Aansprakelijkheid

  • [24] De adviesorganen zijn van mening dat de voorgestelde regeling onduidelijk is voor het geval dat fabrikanten en importeurs niet de nodige informatie verstrekken of onjuiste informatie verstrekken.
  • [25] Zij roepen de autoriteiten op om zich te buigen over dit probleem. In ieder geval is de hier beoogde regeling betreffende deze aspecten niet duidelijk en volledig genoeg.
  • [26] De adviesorganen wensen een duidelijk kader voor zowel de consument als de verkoper bij een gebrek of onduidelijkheid van verstrekte informatie door de fabrikant/importeur. Zowel de consument als de verkoper moeten in dit geval bescherming genieten.
  • [27] Sommige leden[23] van de adviesorganen zouden graag zien dat wordt verduidelijkt dat verkopers en distributeurs in geval van onjuiste informatie van de fabrikant of importeur niet aansprakelijk kunnen worden gesteld en dat het ontbreken van informatie of onjuiste informatie niet kan worden aangemerkt als een misleidende marktpraktijk van de verkoper of distributeur. De eindverkoper is namelijk niet betrokken bij het opstellen van de fiches door de fabrikant en heeft hier geen invloed op. Dat de eindverkoper zich in geval van aansprakelijkheid t.o.v. de consument moet wenden naar de fabrikant om zijn kosten terug te vorderen, biedt geen soelaas. In het advies van de brc Verbruik d.d. 21 mei 2021, stelde de brc Verbruik vast dat het verhaalrecht van de eindverkoper in de praktijk bepaalde tekortkomingen heeft en dat het zelden op doeltreffende wijze kan worden uitgeoefend[24]. Enerzijds omdat de deelnemersketen (producent, importeur, vervoerder…) complex en vaak internationaal is, anderzijds omdat het verhaalrecht onder het gemeenrecht valt (onder meer het beginsel dat de overeenkomst partijen tot wet strekt en het regime van de verborgen gebreken) en omdat de relatie tussen de verkoper en de consument wordt geregeld door de verkoopregels voor consumenten. Deze leden van de adviesorganen verwijzen hierbij eveneens naar het regeerakkoord, waar de intentie is opgenomen om de eindverkoper een daadwerkelijk en doeltreffend verhaalrecht toe te kennen.
  • [28] De adviesorganen vragen om erop toe te zien dat men artikel 5, lid 1, van het voor advies voorgelegde wetsontwerp, dat handelt over het verstrekken van informatie aan de eindgebruiker over de duur van de softwarecompatibiliteit van producten, en artikel 8, dat handelt over het verstrekken van deze informatie, goed op elkaar afstemt.

5.2  Herstelbaarheids- en levensduurindex

Toepassingsgebied van het wetsontwerp

  • [29] De adviesorganen benadrukken dat het toevoegen van bijkomende producten aan het toepassingsgebied van de beoogde wetgeving gebaseerd moet zijn op een transparante methodologie en objectieve criteria.
  • [30] Sommige leden[25] van de adviesorganen vinden het positief dat de lijst van producten die in aanmerking moeten komen voor een herstelbaarheidsindex in de toekomst kan evolueren en stellen voor om printers als prioriteit te behandelen. Zij suggereren ook om de werkzaamheden voort te zetten voor andere categorieën, zoals grote huishoudelijke apparaten (koelkasten, enz.) en zonnepanelen. Zij voegen daaraan toe dat moet worden onderzocht voor welke producten een verlenging van de levensduur werkelijk wenselijk is, rekening houdend met de verwachte veranderingen van hun efficiëntie.
  • [31] Andere leden[26] van de adviesorganen zijn van mening dat er een voldoende lange overgangsperiode moet zijn voordat nieuwe regelgeving van kracht wordt wanneer nieuwe producten aan het toepassingsgebied van de beoogde wetgeving worden toegevoegd.

Minimale herstelbaarheids- en levensduurscores

  • [32] Sommige leden[27] van de adviesorganen zijn van mening dat de herstelbaarheidsindex op zich niet voldoende is, aangezien de verantwoordelijkheid voor de keuze volledig bij de consument wordt gelegd. Zij steunen daarom de invoer van minimumindexen (zie artikels 4, § 4, en 6, § 4, van het beoogde wetsontwerp).
  • [33] Andere leden[28] van de adviesorganen zijn sterk gekant tegen de invoering van deze minimumindexen, die in strijd zouden zijn met de beginselen van eerlijke concurrentie en het vrije verkeer van goederen (zie § [8]c hierboven). Bovendien moeten lidstaten op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning goederen die in andere lidstaten rechtmatig vervaardigd en in de handel gebracht werden, ook op hun markt toelaten. Indien de minimumindexen toch zouden worden ingevoerd, pleiten zij voor een langere overgangsperiode, zodat producten die de minimumscore niet halen, van de hand kunnen worden gedaan in plaats van te moeten worden vernietigd, hetgeen tegen de geest van het project zou indruisen.

Softwarecompatibiliteit, wettelijke garantie en levensduurindex

  • [34] Sommige leden[29] van de adviesorganen vragen dat een minimumduur wordt opgelegd voor softwarecompatibiliteit op basis van de levensduur van het product of dat deze indicator wordt opgenomen in de levensduurindex.
  • [35] Diezelfde leden[30] van de adviesorganen wijzen erop dat de wettelijke garantie en de levensduurindex twee verschillende maar verwante begrippen zijn. Zij vinden dat de fabrikant zich er bij voorkeur toe moet verbinden het product tijdens de garantieperiode te herstellen in plaats van het te vervangen.

5.3 Aanvullende elementen op specifieke punten

  • [36] De adviesorganen betreuren het dat zij niet meer tijd hebben gekregen om hun adviezen uit te brengen, waardoor zij bepaalde voor hun leden essentiële elementen, die hier worden uiteengezet in twee delen, niet hebben kunnen bespreken. Zij benadrukken dat het uitblijven van een reactie van de ene groep leden op door de andere groep leden genoemde elementen niet betekent dat zij geen standpunt over deze elementen hebben, maar gewoon dat zij niet de tijd hebben gehad om er een reactie op te ontwikkelen.
5.3.1  Door sommige leden aangebrachte aanvullende elementen[31].
  • [37] Sommige leden dringen erop aan dat het pictogram van de herstelbaarheids- en de levensduurindex duidelijk is en door de consument correct kan worden geïnterpreteerd.. Zodra de Europese etikettering van kracht is, zal het Belgische pictogram moeten overeenstemmen met het in Europa geldende pictogram.
  • [38] Zij vinden dat consumenten duidelijk moeten worden geïnformeerd over hersteldiensten en waar zij terecht kunnen voor een herstelling (erkende herstellers van de fabrikant, onafhankelijke herstellers of beide).
  • [39] Volgens hen moet de consument duidelijk weten welke producten en soorten herstellingen hij zelf kan uitvoeren met klassieke gereedschappen.
  • [40] Zij vinden dat de fabrikanten informatie over de indexen op een duidelijke en toegankelijke manier ter beschikking van de verkopers moeten stellen.
  • [41] Wat de berekeningsmethode betreft, zijn zij van mening dat de herstelbaarheidsindex een indicatie moet geven van de werkelijke herstelbaarheid van producten; een product dat in de praktijk niet herstelbaar is, moet als index 0 krijgen. Volgens het rapport[32] van HOP zijn er verbeteringen in de index mogelijk: “In het algemeen lijken de scores royaal. Om de daadwerkelijke repareerbaarheid van de producten beter weer te geven, moet het scoresysteem van de index worden herzien, waarbij het gelijke gewicht van elk criterium ter discussie wordt gesteld. Hoewel in werkelijkheid zeer slechte scores in één criterium, zoals demontage, beschikbaarheid van reserveonderdelen of prijs, reparatie onpraktisch zouden maken, kan een dergelijk product momenteel nog steeds een goede algemene score halen. Dit is mogelijk omdat slechte scores in één criterium worden gecompenseerd door andere criteria”. Dit is niet het geval in het huidige voorstel, aangezien de totale index een rekenkundig gemiddelde is van de verschillende scores, waarbij dus compensaties tussen de verschillende gemeten dimensies mogelijk zijn. De eindscore weerspiegelt dus niet automatisch de werkelijke herstelbaarheid van een apparaat.
  • [42] Ook betreuren zij het dat bij de methodologie van het tweede criterium (demontage, gereedschap, bevestigingsmiddelen), bij gebrek aan specifieke wegingen voor de verschillende herstelhandelingen, alle stappen hetzelfde gewicht krijgen in de evaluatie. In de score voor demonteren hebben eenvoudige handelingen zoals het losschroeven van een onderdeel bijvoorbeeld hetzelfde gewicht als complexe handelingen zoals het “losmaken” van een onderdeel.
  • [43] Met betrekking tot het bepalen van minimumscores (zie de artikelen 4, § 4, en 6, § 4, van het beoogde wetsontwerp) verzoeken deze leden om burgerorganisaties en milieuorganisaties toe te voegen aan de lijst van te raadplegen instanties.
  • [44] Zij wijzen erop dat de prijs van reserveonderdelen en herstellingen een cruciaal element is voor een succesvol herstelbeleid. Volgens het rapport[33] van HOP zijn de kosten van reparatie in vergelijking met de lage prijs van nieuwe apparaten een grote barrière voor herstel. “Mensen repareren geen apparaat als de reparatiekosten meer dan 30% van de prijs van het apparaat bedragen”.
  • [45] Een ander belangrijk aspect is volgens hen de hersteltijd. Daarom stellen zij voor een maximale hersteltijd te bepalen waarna een vervangproduct moet worden aangeboden.
  • [46] Zij menen dat de periode waarin de fabrikanten zich ertoe verbinden reserveonderdelen, herstel- en gebruikshandleidingen en het nodige gereedschap voor het uitvoeren van herstellingen ter beschikking te stellen, kan worden gekoppeld aan de door de fabrikanten vermelde levensduur.
  • [47] Zij benadrukken ook het belang van de ontwikkeling van herstelkanalen in België en vragen de autoriteiten dit te ondersteunen.
  • [48] Wat de controles betreft, voegen deze leden eraan toe dat deze zowel moeten gaan over de berekening van de index als andere daarmee verband houdende aspecten (communicatie, beschikbaarheid van technische documenten, enz.).
  • [49] Zij vinden het belangrijk dat de herstelbaarheidsindex vlot kan worden overgedragen aan de volgende koper.
  • [50] Zij voegen er bovendien aan toe dat het ook voor de tweedehandssector belangrijk is om over informatie over de herstelbaarheid te beschikken. De handleidingen voor deze producten zouden daarom online of in een productpaspoort beschikbaar moeten zijn en zouden door de fabrikanten verstrekt moeten blijven worden.
  • [51] Met betrekking tot het ontwerp van koninklijk besluit tot het bepalen van de producten die vallen onder de verplichting om informatie te verstrekken over de duur van de softwarecompatibiliteit, zijn deze leden van mening dat op termijn het op de markt brengen van producten die niet voldoen aan een later te bepalen duur van softwarecompatibiliteit moet worden verboden.
  • [52] Betreffende het ontwerp van koninklijk besluit tot het bepalen van de producten waarop de herstelbaarheidsindex betrekking heeft, de technische normen voor het bepalen van de scores voor elk van de criteria en de berekeningsmethode voor de globale index, zijn zij van mening dat men zou moeten voorzien in de mogelijkheid om nieuwe producten toe te voegen.
  • [53] Zij voegen eraan toe dat er blijkbaar geen technische normen voor (elektrische) fietsen beschikbaar zijn en willen weten hoe deze zullen worden ontwikkeld.
  • [54] Wat betreft het ontwerp van koninklijk besluit tot het bepalen van de communicatiemodaliteiten, het formaat van de herstelbaarheidsindex en de toegankelijkheid van de technische normen, en meer bepaald artikel 3, dringen zij aan op de oprichting van een centrale website waar de consument gemakkelijk producten kan vergelijken op basis van de herstelbaarheidsscore, onder meer om een gemakkelijker en beter geïnformeerde keuze te maken[34]. De fabrikanten zouden dan hun herstelbaarheidsindexen moeten invoeren.
  • [55] Zij voegen daaraan toe dat het feit dat fabrikanten en importeurs verantwoordelijk zijn voor het bepalen van de waarde van de indexen impliceert dat er een streng controlesysteem moet komen.
  • [56] Met betrekking tot artikel 3, § 4, vragen deze leden dat alle informatie wordt verzameld op één website, op een duidelijke en begrijpelijke manier en in de drie landstalen. Zij vragen ook om ervoor te zorgen dat de informatie op papier beschikbaar is, zodat de digitale kloof niet groter wordt.
  • [57] Zij vragen daarnaast ook dat de in artikel 4, leden 1 en 2, bedoelde vermeldingen verplicht zouden zijn voor zowel de verkoop in de winkel als voor de onlineverkoop. Zij vragen eveneens om deze informatie (index en berekeningsmethode) op te nemen in de technische handleidingen van de producten.
5.3.2  Door andere leden aangebrachte aanvullende elementen[35].
  • [58] Sommige leden wensen te wijzen op het belang van sensibiliseringsmaatregelen voor consumenten, met andere woorden “beter kopen” ipv “meer kopen”. Vaak worden producten voor het einde van hun levensduur reeds vervangen door andere, nieuwere producten.
  • [59] Deze leden wijzen erop dat de definities in dit wetsontwerp (reparatiehandleiding, onderhoudshandleiding, betrouwbaarheid en robuustheid) termen zijn die hoogstwaarschijnlijk het voorwerp zullen uitmaken van een Europese interpretatie. Zij voegen daaraan toe dat sommige van de voorgestelde definities moeilijk te objectiveren zijn (hoe kan men bijvoorbeeld “waarschijnlijkheid” (7) of “degelijkheid” (8) objectief vaststellen?). Daarnaast vragen zij met betrekking tot de in artikel 5, lid 1, van het beoogde wetsontwerp bedoelde slijtage te verwijzen naar het normale gebruik van het product.
  • [60] Deze leden menen dat duidelijk moet worden gepreciseerd dat de artikelen 4, § 3, 5, § 3, 6, § 3, en 9, § 2, van het ter advies voorgelegde wetsontwerp in de ministerraad moeten worden besproken, aangezien het om belangrijke uitvoeringsmaatregelen gaat.
  • [61] Zij vinden de geplande overgangsperiode van zes maanden te kort gezien de gevolgen van deze wetgeving voor de verschillende actoren op het terrein. Zij vragen daarom om de periode te verlengen. Zij stellen een minimumtermijn van 18 maanden voor. Zij wijzen erop dat de wet niet in werking kan treden voor producten waarvoor de criteria en de berekeningsmethode nog niet zijn bepaald. Daarom wordt verzocht om (elektrische) fietsen en tablets uit het toepassingsgebied van het wetsontwerp/ontwerp van koninklijk besluit te halen totdat dit is gedefinieerd en een voorafgaand overleg met de sector is georganiseerd alvorens tot (her)invoering over te gaan.
  • [62] Zij vragen ervoor te zorgen dat de verplichtingen die voortvloeien uit het beoogde wetsontwerp in de praktijk realistisch zouden zijn voor de verschillende actoren op het terrein.
  • [63] Zij vinden ook dat de fabrikanten de informatie over de indexen op een duidelijke en toegankelijke manier ter beschikking van de verkopers moeten stellen en vragen om een analyse van de voor- en nadelen van het opnemen van de relevante informatie (technische normen, details van de berekening …) over de herstelbaarheidsindex in een Europese databank (zie EPREL[36]).

 

 

 

 

 

[1] Voorstel voor een Richtlijn tot wijziging van de Richtlijnen 2005/29/EG en 2011/83/EU wat betreft het versterken van de positie van de consument voor de groene transitie door middel van betere informatie en bescherming tegen oneerlijke praktijken, gepubliceerd op 30 maart 2022. https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:52022PC0143 (Hierna: Voorstel voor een Richtlijn betreffende versterking positie van de consument)

[2] Beide voorstellen worden verwacht op 30 november 2022 gepubliceerd te worden door de Europese Commissie.

[3] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Mevr. Vanessa Biebel – ondervoorzitster; Mevr. Françoise Van Tiggelen, Diane Schoonhoven en Ineke De Bisschop en Dhr. Piet Vanden Abeele – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.

Lid van de FRDO die zich bij dit standpunt onthoudt: Dhr. François-Xavier de Donnea – voorzitter.

Leden van de FRDO die steunen dit standpunt niet: Dhr. Arnaud Collignon en Mathieu Verjans – ondervoorzitters ; Dhr. Arthur Fonsny – vertegenwoordiger van de niet-gouvernementele organisaties voor milieubescherming ; Dhr. Nicolas Van Nuffel en Mevr. Naïma Charkaoui – vertegenwoordigers van de niet-gouvernementele organisaties voor ontwikkelingssamenwerking ; Dhr. Hadrien Vanoverbeke, Thomas Vael en François Sana – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties.

[4] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Dhr. Arnaud Collignon en Mathieu Verjans – ondervoorzitters ; Dhr. Arthur Fonsny – vertegenwoordiger van de niet-gouvernementele organisaties voor milieubescherming ; Dhr. Nicolas Van Nuffel en Mevr. Naïma Charkaoui – vertegenwoordigers van de niet-gouvernementele organisaties voor ontwikkelingssamenwerking ; Dhr. Hadrien Vanoverbeke, Thomas Vael en François Sana – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties.

Lid van de FRDO die zich bij dit standpunt onthoudt: Dhr. François-Xavier de Donnea – voorzitter.

Leden van de FRDO die steunen dit standpunt niet: Mevr. Vanessa Biebel – ondervoorzitster ; Mevr. Françoise Van Tiggelen, Diane Schoonhoven en Ineke De Bisschop en Dhr. Piet Vanden Abeele – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.

[5] Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten (Hierna: Richtlijn Consumentenrechten)

[6] Art. 2 (2) Voorstel voor een Richtlijn betreffende versterking positie van de consument voor wat betreft de andere overeenkomsten dan overeenkomsten op afstand of buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten, Art. 2 (3) Voorstel voor een Richtlijn betreffende versterking positie van de consument voor wat betreft overeenkomsten op afstand of buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten.

[7] Art. 2 (1) 14 quinquies Voorstel voor een Richtlijn betreffende versterking positie van de consument.

[8] Art. 2 (2) Voorstel voor een Richtlijn betreffende versterking positie van de consument voor wat betreft de andere overeenkomsten dan overeenkomsten op afstand of buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten, Art. 2 (3) Voorstel voor een Richtlijn betreffende versterking positie van de consument voor wat betreft overeenkomsten op afstand of buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten.

[9] Art. 4 Richtlijn Consumentenrechten. De richtlijn gaat uit van volledige harmonisatie, tenzij anders bepaald. Lidstaten krijgen bijvoorbeeld wel de mogelijkheid om aanvullende verplichtingen inzake precontractuele informatie vast te stellen, of te handhaven enkel bij overeenkomsten andere dan overeenkomsten op afstand of buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten (Art. 5.4 Richtlijn Consumentenrechten).

[10] Bij wijze van voorbeeld: “De problemen die met deze voorgestelde wijzigingen worden aangepakt, zijn problemen die zich in de hele EU voordoen en dezelfde oorzaken hebben. Daarom zullen alleen maatregelen op EU-niveau doeltreffend zijn. … Nieuwe nationale wetgeving op het toepassingsgebied van deze richtlijnen zou ingaan tegen het volledig geharmoniseerde rechtskader.” (pg. 6 Voorstel voor een Richtlijn betreffende versterking positie van de consument), Advies brc Verbruik van 21 mei 2021 over het voorontwerp van wet tot omzetting van de Europese richtlijnen inzake consumentenkoop, 6. Zie het Franse voorbeeld: www.indicereparabilite.fr.

[11] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Mevr. Vanessa Biebel – ondervoorzitster; Mevr. Françoise Van Tiggelen, Diane Schoonhoven en Ineke De Bisschop en Dhr. Piet Vanden Abeele – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.

Lid van de FRDO die zich bij dit standpunt onthoudt: Dhr. François-Xavier de Donnea – voorzitter.

Leden van de FRDO die steunen dit standpunt niet: Dhr. Arnaud Collignon en Mathieu Verjans – ondervoorzitters ; Dhr. Arthur Fonsny – vertegenwoordiger van de niet-gouvernementele organisaties voor milieubescherming ; Dhr. Nicolas Van Nuffel en Mevr. Naïma Charkaoui – vertegenwoordigers van de niet-gouvernementele organisaties voor ontwikkelingssamenwerking ; Dhr. Hadrien Vanoverbeke, Thomas Vael en François Sana – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties.

[12] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Mevr. Vanessa Biebel – ondervoorzitster; Mevr. Françoise Van Tiggelen, Diane Schoonhoven en Ineke De Bisschop en Dhr. Piet Vanden Abeele – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.

Lid van de FRDO die zich bij dit standpunt onthoudt: Dhr. François-Xavier de Donnea – voorzitter.

Leden van de FRDO die steunen dit standpunt niet: Dhr. Arnaud Collignon en Mathieu Verjans – ondervoorzitters ; Dhr. Arthur Fonsny – vertegenwoordiger van de niet-gouvernementele organisaties voor milieubescherming ; Dhr. Nicolas Van Nuffel en Mevr. Naïma Charkaoui – vertegenwoordigers van de niet-gouvernementele organisaties voor ontwikkelingssamenwerking ; Dhr. Hadrien Vanoverbeke, Thomas Vael en François Sana – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties.

[13] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Dhr. Arnaud Collignon en Mathieu Verjans – ondervoorzitters ; Dhr. Arthur Fonsny – vertegenwoordiger van de niet-gouvernementele organisaties voor milieubescherming ; Dhr. Nicolas Van Nuffel en Mevr. Naïma Charkaoui – vertegenwoordigers van de niet-gouvernementele organisaties voor ontwikkelingssamenwerking ; Dhr. Hadrien Vanoverbeke, Thomas Vael en François Sana – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties.

Lid van de FRDO die zich bij dit standpunt onthoudt: Dhr. François-Xavier de Donnea – voorzitter.

Leden van de FRDO die steunen dit standpunt niet: Mevr. Vanessa Biebel – ondervoorzitster ; Mevr. Françoise Van Tiggelen, Diane Schoonhoven en Ineke De Bisschop en Dhr. Piet Vanden Abeele – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.

[14] Recupel: https://rapportannuel.recupel.be/nos-resultats/

[15] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Dhr. Arnaud Collignon en Mathieu Verjans – ondervoorzitters ; Dhr. Arthur Fonsny – vertegenwoordiger van de niet-gouvernementele organisaties voor milieubescherming ; Dhr. Nicolas Van Nuffel en Mevr. Naïma Charkaoui – vertegenwoordigers van de niet-gouvernementele organisaties voor ontwikkelingssamenwerking ; Dhr. Hadrien Vanoverbeke, Thomas Vael en François Sana – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties.

Lid van de FRDO die zich bij dit standpunt onthoudt: Dhr. François-Xavier de Donnea – voorzitter.

Leden van de FRDO die steunen dit standpunt niet: Mevr. Vanessa Biebel – ondervoorzitster ; Mevr. Françoise Van Tiggelen, Diane Schoonhoven en Ineke De Bisschop en Dhr. Piet Vanden Abeele – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.

[16]Halte à l’obsolescence programmée, 2022 – The French repairability index A first assessment – one year after its implementation.

[17] Ifixit, 2022 – French repair index, one year later: https://nl.ifixit.com/News/64508/french-repair-index-one-year-later

[18] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Dhr. Arnaud Collignon en Mathieu Verjans – ondervoorzitters ; Dhr. Arthur Fonsny – vertegenwoordiger van de niet-gouvernementele organisaties voor milieubescherming ; Dhr. Nicolas Van Nuffel en Mevr. Naïma Charkaoui – vertegenwoordigers van de niet-gouvernementele organisaties voor ontwikkelingssamenwerking ; Dhr. Hadrien Vanoverbeke, Thomas Vael en François Sana – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties.

Lid van de FRDO die zich bij dit standpunt onthoudt: Dhr. François-Xavier de Donnea – voorzitter.

Leden van de FRDO die steunen dit standpunt niet: Mevr. Vanessa Biebel – ondervoorzitster ; Mevr. Françoise Van Tiggelen, Diane Schoonhoven en Ineke De Bisschop en Dhr. Piet Vanden Abeele – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.

[19] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Dhr. Arnaud Collignon en Mathieu Verjans – ondervoorzitters ; Dhr. Arthur Fonsny – vertegenwoordiger van de niet-gouvernementele organisaties voor milieubescherming ; Dhr. Nicolas Van Nuffel en Mevr. Naïma Charkaoui – vertegenwoordigers van de niet-gouvernementele organisaties voor ontwikkelingssamenwerking ; Dhr. Hadrien Vanoverbeke, Thomas Vael en François Sana – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties.

Lid van de FRDO die zich bij dit standpunt onthoudt: Dhr. François-Xavier de Donnea – voorzitter.

Leden van de FRDO die steunen dit standpunt niet: Mevr. Vanessa Biebel – ondervoorzitster ; Mevr. Françoise Van Tiggelen, Diane Schoonhoven en Ineke De Bisschop en Dhr. Piet Vanden Abeele – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.

[20] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Dhr. Arnaud Collignon en Mathieu Verjans – ondervoorzitters ; Dhr. Arthur Fonsny – vertegenwoordiger van de niet-gouvernementele organisaties voor milieubescherming ; Dhr. Nicolas Van Nuffel en Mevr. Naïma Charkaoui – vertegenwoordigers van de niet-gouvernementele organisaties voor ontwikkelingssamenwerking ; Dhr. Hadrien Vanoverbeke, Thomas Vael en François Sana – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties.

Lid van de FRDO die zich bij dit standpunt onthoudt: Dhr. François-Xavier de Donnea – voorzitter.

Leden van de FRDO die steunen dit standpunt niet: Mevr. Vanessa Biebel – ondervoorzitster ; Mevr. Françoise Van Tiggelen, Diane Schoonhoven en Ineke De Bisschop en Dhr. Piet Vanden Abeele – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.

[21] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Mevr. Vanessa Biebel – ondervoorzitster; Mevr. Françoise Van Tiggelen, Diane Schoonhoven en Ineke De Bisschop en Dhr. Piet Vanden Abeele – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.

Lid van de FRDO die zich bij dit standpunt onthoudt: Dhr. François-Xavier de Donnea – voorzitter.

Leden van de FRDO die steunen dit standpunt niet: Dhr. Arnaud Collignon en Mathieu Verjans – ondervoorzitters ; Dhr. Arthur Fonsny – vertegenwoordiger van de niet-gouvernementele organisaties voor milieubescherming ; Dhr. Nicolas Van Nuffel en Mevr. Naïma Charkaoui – vertegenwoordigers van de niet-gouvernementele organisaties voor ontwikkelingssamenwerking ; Dhr. Hadrien Vanoverbeke, Thomas Vael en François Sana – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties.

[22] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Dhr. Arnaud Collignon en Mathieu Verjans – ondervoorzitters ; Dhr. Arthur Fonsny – vertegenwoordiger van de niet-gouvernementele organisaties voor milieubescherming ; Dhr. Nicolas Van Nuffel en Mevr. Naïma Charkaoui – vertegenwoordigers van de niet-gouvernementele organisaties voor ontwikkelingssamenwerking ; Dhr. Hadrien Vanoverbeke, Thomas Vael en François Sana – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties.

Lid van de FRDO die zich bij dit standpunt onthoudt: Dhr. François-Xavier de Donnea – voorzitter.

Leden van de FRDO die steunen dit standpunt niet: Mevr. Vanessa Biebel – ondervoorzitster ; Mevr. Françoise Van Tiggelen, Diane Schoonhoven en Ineke De Bisschop en Dhr. Piet Vanden Abeele – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.

[23] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Mevr. Vanessa Biebel – ondervoorzitster; Mevr. Françoise Van Tiggelen, Diane Schoonhoven en Ineke De Bisschop en Dhr. Piet Vanden Abeele – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.

Lid van de FRDO die zich bij dit standpunt onthoudt: Dhr. François-Xavier de Donnea – voorzitter.

Leden van de FRDO die steunen dit standpunt niet: Dhr. Arnaud Collignon en Mathieu Verjans – ondervoorzitters ; Dhr. Arthur Fonsny – vertegenwoordiger van de niet-gouvernementele organisaties voor milieubescherming ; Dhr. Nicolas Van Nuffel en Mevr. Naïma Charkaoui – vertegenwoordigers van de niet-gouvernementele organisaties voor ontwikkelingssamenwerking ; Dhr. Hadrien Vanoverbeke, Thomas Vael en François Sana – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties.

[24]  Advies van de BRC Verbruik van 21 mei 2021 over het Voorontwerp van wet tot omzetting van de Europese richtlijnen inzake consumentenkoop, 6.

[25] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Dhr. Arnaud Collignon en Mathieu Verjans – ondervoorzitters ; Dhr. Arthur Fonsny – vertegenwoordiger van de niet-gouvernementele organisaties voor milieubescherming ; Dhr. Nicolas Van Nuffel en Mevr. Naïma Charkaoui – vertegenwoordigers van de niet-gouvernementele organisaties voor ontwikkelingssamenwerking ; Dhr. Hadrien Vanoverbeke, Thomas Vael en François Sana – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties.

Lid van de FRDO die zich bij dit standpunt onthoudt: Dhr. François-Xavier de Donnea – voorzitter.

Leden van de FRDO die steunen dit standpunt niet: Mevr. Vanessa Biebel – ondervoorzitster ; Mevr. Françoise Van Tiggelen, Diane Schoonhoven en Ineke De Bisschop en Dhr. Piet Vanden Abeele – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.

[26] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Mevr. Vanessa Biebel – ondervoorzitster; Mevr. Françoise Van Tiggelen, Diane Schoonhoven en Ineke De Bisschop en Dhr. Piet Vanden Abeele – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.

Lid van de FRDO die zich bij dit standpunt onthoudt: Dhr. François-Xavier de Donnea – voorzitter.

Leden van de FRDO die steunen dit standpunt niet: Dhr. Arnaud Collignon en Mathieu Verjans – ondervoorzitters ; Dhr. Arthur Fonsny – vertegenwoordiger van de niet-gouvernementele organisaties voor milieubescherming ; Dhr. Nicolas Van Nuffel en Mevr. Naïma Charkaoui – vertegenwoordigers van de niet-gouvernementele organisaties voor ontwikkelingssamenwerking ; Dhr. Hadrien Vanoverbeke, Thomas Vael en François Sana – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties.

[27] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Dhr. Arnaud Collignon en Mathieu Verjans – ondervoorzitters ; Dhr. Arthur Fonsny – vertegenwoordiger van de niet-gouvernementele organisaties voor milieubescherming ; Dhr. Nicolas Van Nuffel en Mevr. Naïma Charkaoui – vertegenwoordigers van de niet-gouvernementele organisaties voor ontwikkelingssamenwerking ; Dhr. Hadrien Vanoverbeke, Thomas Vael en François Sana – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties.

Lid van de FRDO die zich bij dit standpunt onthoudt: Dhr. François-Xavier de Donnea – voorzitter.

Leden van de FRDO die steunen dit standpunt niet: Mevr. Vanessa Biebel – ondervoorzitster ; Mevr. Françoise Van Tiggelen, Diane Schoonhoven en Ineke De Bisschop en Dhr. Piet Vanden Abeele – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.

[28] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Mevr. Vanessa Biebel – ondervoorzitster; Mevr. Françoise Van Tiggelen, Diane Schoonhoven en Ineke De Bisschop en Dhr. Piet Vanden Abeele – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.

Lid van de FRDO die zich bij dit standpunt onthoudt: Dhr. François-Xavier de Donnea – voorzitter.

Leden van de FRDO die steunen dit standpunt niet: Dhr. Arnaud Collignon en Mathieu Verjans – ondervoorzitters ; Dhr. Arthur Fonsny – vertegenwoordiger van de niet-gouvernementele organisaties voor milieubescherming ; Dhr. Nicolas Van Nuffel en Mevr. Naïma Charkaoui – vertegenwoordigers van de niet-gouvernementele organisaties voor ontwikkelingssamenwerking ; Dhr. Hadrien Vanoverbeke, Thomas Vael en François Sana – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties.

[29] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Dhr. Arnaud Collignon en Mathieu Verjans – ondervoorzitters ; Dhr. Arthur Fonsny – vertegenwoordiger van de niet-gouvernementele organisaties voor milieubescherming ; Dhr. Nicolas Van Nuffel en Mevr. Naïma Charkaoui – vertegenwoordigers van de niet-gouvernementele organisaties voor ontwikkelingssamenwerking ; Dhr. Hadrien Vanoverbeke, Thomas Vael en François Sana – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties.

Lid van de FRDO die zich bij dit standpunt onthoudt: Dhr. François-Xavier de Donnea – voorzitter.

Leden van de FRDO die steunen dit standpunt niet: Mevr. Vanessa Biebel – ondervoorzitster ; Mevr. Françoise Van Tiggelen, Diane Schoonhoven en Ineke De Bisschop en Dhr. Piet Vanden Abeele – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.

[30] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Dhr. Arnaud Collignon en Mathieu Verjans – ondervoorzitters ; Dhr. Arthur Fonsny – vertegenwoordiger van de niet-gouvernementele organisaties voor milieubescherming ; Dhr. Nicolas Van Nuffel en Mevr. Naïma Charkaoui – vertegenwoordigers van de niet-gouvernementele organisaties voor ontwikkelingssamenwerking ; Dhr. Hadrien Vanoverbeke, Thomas Vael en François Sana – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties.

Lid van de FRDO die zich bij dit standpunt onthoudt: Dhr. François-Xavier de Donnea – voorzitter.

Leden van de FRDO die steunen dit standpunt niet: Mevr. Vanessa Biebel – ondervoorzitster ; Mevr. Françoise Van Tiggelen, Diane Schoonhoven en Ineke De Bisschop en Dhr. Piet Vanden Abeele – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.

[31] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Dhr. Arnaud Collignon en Mathieu Verjans – ondervoorzitters ; Dhr. Arthur Fonsny – vertegenwoordiger van de niet-gouvernementele organisaties voor milieubescherming ; Dhr. Nicolas Van Nuffel en Mevr. Naïma Charkaoui – vertegenwoordigers van de niet-gouvernementele organisaties voor ontwikkelingssamenwerking ; Dhr. Hadrien Vanoverbeke, Thomas Vael en François Sana – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties.

Lid van de FRDO die zich bij dit standpunt onthoudt: Dhr. François-Xavier de Donnea – voorzitter.

Leden van de FRDO die steunen dit standpunt niet: Mevr. Vanessa Biebel – ondervoorzitster ; Mevr. Françoise Van Tiggelen, Diane Schoonhoven en Ineke De Bisschop en Dhr. Piet Vanden Abeele – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.

[32] The French repairability index A first assessment – one year after its implementation. Halte à l’obsolescence programmée

[33] Idem voetnoot 12.

[34] Zie het Franse voorbeeld: www.indicereparabilite.fr.

[35] Leden van de FRDO die dit standpunt steunen: Mevr. Vanessa Biebel – ondervoorzitster; Mevr. Françoise Van Tiggelen, Diane Schoonhoven en Ineke De Bisschop en Dhr. Piet Vanden Abeele – vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties.

Lid van de FRDO die zich bij dit standpunt onthoudt: Dhr. François-Xavier de Donnea – voorzitter.

Leden van de FRDO die steunen dit standpunt niet: Dhr. Arnaud Collignon en Mathieu Verjans – ondervoorzitters ; Dhr. Arthur Fonsny – vertegenwoordiger van de niet-gouvernementele organisaties voor milieubescherming ; Dhr. Nicolas Van Nuffel en Mevr. Naïma Charkaoui – vertegenwoordigers van de niet-gouvernementele organisaties voor ontwikkelingssamenwerking ; Dhr. Hadrien Vanoverbeke, Thomas Vael en François Sana – vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties.

[36] European Product Registry for Energy Labelling.

Opmerkingen, vragen of suggesties?