13 | Advies ter opvolging van de conferentie in Santa Marta

  • Op verzoek van de minister van mobiliteit, klimaat en ecologische transitie, belast met duurzame ontwikkeling, Jean-Luc Crucke
  • Voorbereid door de projectgroep “Santa Marta” van de FRDO
  • Goedgekeurd door de Algemene Vergadering op 01/09/2026

Advies (pdf)

 

Dit advies werd door de Algemene Vergadering aangenomen na meerdere maanden van onderhandelingen binnen de projectgroep ; het weerspiegelt de zoektocht naar een compromis binnen deze groep. Hebben deelgenomen aan de werkzaamheden : Greenpeace namens CANOPEA, Oxfam, CNCD, 11.11.11, ABVV, ACV-CSC, Synova, UCM, BV-OECO.

 

 

1. Context

  • [a] De FRDO ontving op 1 juni 2026 de adviesaanvraag van de heer Crucke, minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische transitie, m.b.t. de actieve bijdrage van België aan de transitie weg van fossiele brandstoffen, als lid van de Santa Marta-coalitie in het werk te stellen.
    • Binnen de EU, in het kader van de uitwerking van wetgeving ter uitvoering van de doelstelling voor 2040;
    • Op internationaal niveau, bij de voorbereiding van de volgende Wereldbalans (COP33, 2028), maar ook in andere relevante internationale fora, zoals de IMO, de ICAO, de Wereldbank, de OESO, het IEA, die beleid voeren dat van belang is voor de verwezenlijking van deze ambitie en/of waarvan het beleid onder druk staat van bepaalde lidstaten die weinig positief staan tegenover het internationale klimaatbeleid.
  • [b] Het advies wordt uiterlijk tegen 15 september 2026 gevraagd.

2. Advies

2.1. Voorafgaande opmerkingen Santa Marta-proces

  • [1] Het Santa Marta-proces rond transitioning away from fossil fuels moet gezien worden als een opzichzelfstaand proces op vrijwillige basis, los van het UNFCCC-proces dat voorziet in de organisatie van de klimaat COPs.
  • [2] De raad juicht toe dat, ondanks de huidige geopolitieke spanningen en de vastgelopen multilaterale dynamiek, een nieuw en volgehouden intergouvernementeel proces werd opgezet om gezamenlijke wereldwijde inspanningen te initiëren voor de transitie weg van fossiele brandstoffen. Dit kan bijdragen aan het behouden van politieke momentum en het versterken van samenwerking tussen landen die bereid zijn verder te gaan in de uitbouw van een koolstofarme energievoorziening.
  • [3] De raad stelt vast dat het Santa Marta-proces een belangrijke stap vormt in de explicitering van de vraag hoe de mondiale transitie weg van fossiele brandstoffen zal worden vormgegeven en door welke actoren deze transitie in de praktijk zal worden gedragen. Voor het eerst wordt daarbij op systematische wijze getracht de governance van deze transitie te concretiseren binnen een intergouvernementeel kader, aanvullend op de bestaande UNFCCC-onderhandelingen.
  • [4] De raad benadrukt het belang van de opvolgingsconferentie die zal worden georganiseerd door Tuvalu en Ierland. Een duidelijk en voorspelbaar beleidskader is essentieel om ondernemingen voldoende investeringszekerheid en langetermijnperspectief te bieden en zo de transitie op een economisch en sociaal verantwoorde wijze te ondersteunen. De raad onderstreept dat een betrouwbare energievoorziening, voorspelbare kosten en een goede afstemming van beleid, investeringen en een regelgevend kader noodzakelijke randvoorwaarden vormen voor de elektrificatie van de economie. Deze voorspelbaarheid is eveneens essentieel om werknemers, huishoudens, ondernemingen en overheden in staat te stellen tijdig op de transitie te anticiperen en deze op een doeltreffende en rechtvaardige wijze te begeleiden.
  • [5] De raad verwelkomt volgende initiatieven die tijdens deze conferentie werden behandeld:
    • de oprichting van het Science Panel on the Global Energy Transition (SPGET)[1] dat inzet op de versterking van de wetenschappelijke onderbouwing;
    • de verdere ontwikkeling van de Coalition on Phasing Out of Fossil Fuel Incentives Including Subsidies (COFFIS)[2], waar België ook deel van uitmaakt. De raad vraagt dat België de werkzaamheden van deze coalitie actief ondersteunt;
    • de gesprekken over het initiatief voor een verdrag inzake de non-proliferatie van fossiele brandstoffen. Dit verdrag moet een nauwkeurig tijdschema vastleggen om de productie en het verbruik van fossiele brandstoffen geleidelijk te beëindigen, rekening houdend met de nationale omstandigheden, de respectieve capaciteiten, billijkheid, een rechtvaardige transitie, historische verantwoordelijkheid, de energievoorzieningszekerheid en de nood aan voldoende voorspelbaarheid voor economische actoren. In die lijn kan de federale regering, net als het Brussels Gewest, zich aansluiten bij dit initiatief.
  • [6] De raad onderstreept het belang van het behoud van het UNFCCC als centraal en universeel kader voor internationale klimaatactie. Initiatieven in kleinere of thematische coalities kunnen waardevol zijn om vooruitgang te versnellen.

2.2. Weerbare internationale samenwerking: principiële elementen

  • [7] De FRDO benadrukt dat een weerbare internationale samenwerking steunt op de noodzaak van coherentie tussen de verschillende multilaterale fora en supranationale instellingen. Klimaat- en duurzaamheidsambities dienen niet enkel binnen de EU consistent te worden uitgedragen, maar ook binnen het UNFCCC/COP-proces, de IMO en ICAO, evenals in internationale economische en financiële instellingen zoals de Wereldbank, het IMF en de OESO. Een dergelijke coherentie is essentieel om de geloofwaardigheid en effectiviteit van het multilaterale systeem en de rol van België en de EU daarin te bewaren.
  • [8] In dat verband wijst de FRDO erop dat structurele ongelijkheden in de internationale economische en financiële orde een wezenlijke invloed hebben op de mogelijkheid van landen om de klimaattransitie te realiseren. De raad benadrukt dat de beginselen van een rechtvaardige transitie, zoals uitgewerkt door de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), voor alle landen gelden, maar dat de uitvoering ervan rekening moet houden met verschillen in capaciteit, schuldenlast en ontwikkelingsnoden. Daarom onderstreept de raad het belang van een multilateraal systeem dat deze uiteenlopende uitgangsposities in aanmerking neemt.

2.3. Concrete aanbevelingen voor Belgische standpunten in multilaterale fora

2.3.1. UNFCCC & voorbereiding van de tweede Global Stocktake

  • [9] De FRDO vraagt dat België in het kader van COP30 en COP31 actief bijdraagt aan de verdere operationalisering van de resultaten van de eerste Global Stocktake, onder meer door actief deel te nemen aan het proces onder leiding van het Braziliaanse voorzitterschap van COP30 met betrekking tot de opstelling van een wereldwijde routekaart voor de geleidelijke afschaffing van fossiele brandstoffen.
  • [10] De raad vraagt bovendien dat België erop toeziet dat de Europese Unie in de komende internationale klimaatonderhandelingen een ambitieuze en coherente positie ten gunste van een rechtvaardige transitie weg van fossiele brandstoffen behoudt, overeenkomstig de reeds aangegane verbintenissen, en zich verzet tegen elke afzwakking
  • [11] De FRDO benadrukt het belang van een actieve en constructieve Belgische bijdrage aan de tweede Global Stocktake (GST2). De raad vraagt dat België de synthese van de nationale en sectorale routekaarten van de coalitie van Santa Marta actief inzet, om invloed uit te oefenen op de structuur van de toekomstige Nationaal Bepaalde Bijdragen (NDC’s) van andere landen en om de basis te leggen voor de Global Stocktake van 2028 (COP33). In dat verband moet bijzondere aandacht worden besteed aan het versterken van de integratie van een rechtvaardige transitie binnen het kader van GST2, door de leidende beginselen van de IAO (ILO) inzake een rechtvaardige transitie op te nemen in de voorbereidende werkzaamheden.
  • [12] De raad benadrukt daarnaast dat de geïntegreerde nationale en sectorale trajecten rekening moeten houden met de investerings- en aanpassingscapaciteit van de verschillende economische actoren, inclusief kmo’s, om de transitie voor hen mogelijk te maken en het draagvlak van de klimaatverbintenissen te versterken.
  • [13] Tot slot benadrukt de raad het belang van het versterken van de samenhang tussen wetenschappelijke inzichten en het UNFCCC-proces. Hierbij wordt verwezen naar de rol van het nieuw opgerichte Science Panel on the Global Energy Transition (SPGET) tijdens de Santa Marta-conferentie. Dit panel kan bijdragen aan een meer systematische vertaling van kennis naar beleidsontwikkeling binnen de klimaatonderhandelingen.
  • [14] De FRDO roept België op om de belofte na te komen die tijdens de COP30 in het Mutirao-besluit[3] is aangenomen, namelijk om de financiering voor adaptatiemaatregelen ten behoeve van ontwikkelingslanden te verdrievoudigen. De financiering voor adaptatiemaatregelen moet het mogelijk maken om de klimaatmitigatie in de landen in het Zuiden te versnellen door hiervoor budgettaire middelen vrij te maken.

2.3.2. UN Tax Convention

  • [15] De FRDO roept België op het beginsel van de vervuiler betaalt actief te ondersteunen in het kader van de uitwerking van een internationaal belastingstelsel voor duurzame ontwikkeling, zoals voorzien in de opdracht voor het nieuwe VN-Kaderverdrag inzake internationale fiscale samenwerking. In dit verband beveelt de raad aan om de modaliteiten uit te werken voor de invoering, bij voorkeur op internationaal niveau, van een heffing op de winsten van ondernemingen in de fossiele energiesector, met als doel de middelen te mobiliseren die nodig zijn om de transitie in zowel ontwikkelde als ontwikkelingslanden substantieel te ondersteunen.
  • [16] De raad benadrukt evenwel dat de uitwerking van dergelijke mondiale fiscale mechanismen steeds gepaard moet gaan met een rigoureuze effectbeoordeling om te vermijden dat de kosten van deze transitie rechtstreeks of onrechtstreeks worden doorgeschoven naar andere economische actoren[4], in het bijzonder kmo’s, werknemers en huishoudens.

2.3.3. Wereldbank en ontwikkelingsfinancieringsinstellingen (DFI’s)

  • [17] De FRDO benadrukt de cruciale rol van de Wereldbankgroep en de multilaterale ontwikkelingsbanken bij de financiering van de mondiale klimaat- en energietransitie.
  • [18] De raad vraagt dat België binnen de Wereldbankgroep pleit voor het behoud en de versterking van de klimaatambities van de instelling. In dit verband ondersteunt de FRDO een verlenging van het huidige Climate Change Action Plan in afwachting van een nieuw strategisch kader, zodat de klimaatverbintenissen van de Wereldbankgroep worden gevrijwaard en verder ontwikkeld. De raad vraagt tevens dat België zijn internationale engagementen inzake klimaatfinanciering en de ondersteuning van de transitie naar schone energie consequent uitdraagt binnen de Wereldbankgroep en andere multilaterale ontwikkelingsbanken waarin het vertegenwoordigd is.
  • [19] De FRDO vraagt dat België in dit kader ook de rol van de Belgische Investeringsmaatschappij voor Ontwikkelingslanden (BIO) expliciet afstemt op de doelstellingen van de internationale klimaat- en transitieagenda. De raad benadrukt dat publieke en publiek-gesteunde investeringsinstrumenten zoals BIO een belangrijke hefboom kunnen vormen voor de mobilisatie van privaat kapitaal richting duurzame energie, infrastructuur en industriële transformatie in ontwikkelingslanden. Hij vraagt dat deze investeringen consequent en met gepaste zorgvuldigheid worden getoetst aan de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs met bijzondere aandacht voor het vermijden van lock-ins in fossiele infrastructuren.
  • [20] De FRDO benadrukt dat publieke ontwikkelingsfinanciering prioritair moet bijdragen aan de uitbouw van duurzame en toegankelijke energiesystemen. De raad vraagt dat België binnen de multilaterale ontwikkelingsbanken bijzondere aandacht vraagt voor investeringen in hernieuwbare energie, energie-efficiëntie en universele toegang tot energie, en erop toeziet dat financieringsbeslissingen in overeenstemming zijn met de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en een geleidelijke uitfasering van fossiele brandstoffen ondersteunen.
  • [21] De raad onderstreept dat een rechtvaardige transitie niet enkel een ecologische, maar ook een sociale dimensie heeft. Hij vraagt daarom dat België zich inzet voor de systematische integratie van sociale criteria, sociale dialoog, sociale bescherming, rechten op het werk, aandacht voor werkgelegenheid en omscholing in de financieringsstrategieën en investeringsbeslissingen van de Wereldbankgroep en andere multilaterale ontwikkelingsbanken. De raad herinnert eraan dat de IAO-Resolution concerning a just transition towards environmentally sustainable economies and societies for all[5] (2023) oproept tot een versterkte samenwerking tussen de IAO en de multilaterale ontwikkelingsbanken om de financiering voor een rechtvaardige transitie uit te breiden.
  • [22] Tot slot vraagt de FRDO dat België zich inzet voor een betere integratie van klimaat- en transitierisico’s in de schuldhoudbaarheidsanalyses van de Wereldbank en het IMF. De raad benadrukt dat schuldbeheer en internationale financieringsvoorwaarden ontwikkelingslanden niet mogen ontmoedigen om te investeren in klimaatmaatregelen, noch hen afhankelijk mogen maken van verdere fossiele exploitatie om aan financiële verplichtingen te voldoen.

2.3.4. OESO & WTO

  • [23] De FRDO benadrukt het belang van transparantie over de ondersteuning van fossiele brandstoffen als voorwaarde voor een effectieve en rechtvaardige transitie. De raad vraagt dat België de werkzaamheden van de OESO inzake de identificatie, monitoring en vergelijkbaarheid van steunmaatregelen voor fossiele brandstoffen actief ondersteunt, onder meer via de verdere ontwikkeling van het “Inventory of Fossil Fuel Support Measures”, en daarbij de Belgische expertise op het vlak van de inventarisatie en rapportering van fossiele steunmaatregelen actief inzet.
  • [24] De raad vraagt dat België binnen de WTO actief pleit voor een versterkte coherentie tussen internationale handelsregels en de klimaatdoelstellingen, en voor een effectieve afstemming tussen de regels van de WTO, de klimaatkaders van de UNFCCC en het Europese industriebeleid. Hij benadrukt dat handelsregels de uitfasering van fossiele brandstoffen en de transitie naar duurzame economieën moeten ondersteunen en niet belemmeren. De geloofwaardigheid en effectiviteit van het internationale klimaatbeleid hangen daarbij af van het vermogen om het respect voor de milieugrenzen, het belang van een ‘gelijk speelveld’ voor bedrijven, het belang van een rechtvaardige transitie en beleidscoherentie voor economische actoren met elkaar te verzoenen[6]. In dit verband vraagt hij bijzondere aandacht voor de lopende discussies over handel en ecologische duurzaamheid.
  • [25] Tot slot vraagt de raad dat België onderzoekt hoe het zijn engagement voor de hervorming van fossiele subsidies verder kan versterken binnen internationale coalities en samenwerkingsverbanden die zich inzetten voor de afbouw van steun aan fossiele brandstoffen, in het bijzonder de Friends of Fossil Fuel Subsidy Reform-groep (FFFSR) om zo meer te wegen op discussies in de WTO en de OESO.

2.3.5. IMO en ICAO

  • [26] De FRDO benadrukt het belang van ambitieuze internationale actie voor de decarbonisatie van de internationale scheepvaart- en luchtvaartsector, die tot de moeilijkst te reduceren emissies behoren en waarvoor internationale samenwerking essentieel is. De raad verwelkomt de lopende werkzaamheden binnen de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) en de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) om emissiereducties te realiseren die in overeenstemming zijn met de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs.
  • [27] De IMO onderhandelt momenteel over het Net-Zero Framework, dat het eerste wereldwijde mechanisme zou kunnen worden dat een brandstofnorm en sectorale koolstofbeprijzing combineert. Niettemin betreurt de raad dat de formele goedkeuring ervan is uitgesteld als gevolg van politieke tegenstand van bepaalde staten, met name van de Verenigde Staten en verschillende producenten van fossiele brandstoffen.
  • [28] De raad roept België op om binnen de IMO de totstandkoming te ondersteunen van een ambitieus mondiaal kader voor de vermindering van broeikasgasemissies uit de scheepvaart, in overeenstemming met een traject dat de opwarming beperkt tot 1,5°C en met de doelstellingen van de IMO-strategie inzake broeikasgassen van 2023[7]. De FRDO benadrukt daarbij het belang van voorspelbare en effectieve beleidsinstrumenten die investeringen in emissiereductie en duurzame alternatieve brandstoffen stimuleren.
  • [29] De raad merkt op dat deze aanbeveling aansluit bij het federale regeerakkoord[8], waarin de regering zich engageert “een proactieve rol op te nemen bij het sluiten van internationale akkoorden om de mondiale maritieme scheepvaart onder een gelijk speelveld te brengen, zowel wat betreft de fiscaliteit als inzake koolstof, afgestemd op de externe kosten.”
  • [30] De raad is van oordeel dat economische instrumenten een belangrijke rol kunnen spelen bij de decarbonisatie van de internationale scheepvaart. Hij vraagt dat België constructief bijdraagt aan de discussies over mondiale prijsmechanismen voor broeikasgasemissies in de sector en pleit voor een gebruik van de gegenereerde middelen dat niet alleen de verduurzaming van de scheepvaart ondersteunt, maar ook bijdraagt aan een rechtvaardige transitie, met bijzondere aandacht voor de begeleiding van de werknemers in de sector en voor de behoeften van de meest kwetsbare landen, waaronder kleine eilandstaten en de minst ontwikkelde landen.
  • [31] De FRDO benadrukt dat de ontwikkeling van duurzame alternatieve brandstoffen voor de scheepvaart en luchtvaart gepaard moet gaan met investeringen in de noodzakelijke infrastructuur en met voldoende aandacht voor de economische en sociale gevolgen van de transitie. De raad vraagt dat België zich inzet voor een gecoördineerde aanpak die de internationale ontwikkelingen binnen de IMO en ICAO afstemt op de bredere klimaat- en energiedoelstellingen.
  • [32] Tot slot onderstreept de raad dat de transitie in deze sectoren rechtvaardig moet verlopen. Hij vraagt dat België binnen de IMO en ICAO het concept van een rechtvaardige transitie actief ondersteunt, onder meer door aandacht te vragen voor sociale dialoog, opleiding en omscholing, kwaliteitsvolle werkgelegenheid, mensenrechten, inclusief arbeidsrechten en de bescherming van werknemers en getroffen gemeenschappen. De raad verwijst hiervoor naar het IMO 10-punten Actieplan[9] om een rechtvaardige transitie in de maritieme sector te bereiken. De raad benadrukt daarbij het belang van de richtlijnen van de Internationale Arbeidsorganisatie als referentiekader voor de uitwerking van beleidsmaatregelen in deze sectoren.

2.4. Uitvoering van de Santa Marta-pijlers

2.4.1. Vermindering van macro-economische en financiële afhankelijkheden

  • [33] De FRDO benadrukt dat macro-economische en financiële afhankelijkheden een belangrijke belemmering vormen voor de mondiale energietransitie. Hoge financieringskosten, beperkte budgettaire ruimte en een zware schuldenlast beperken in vele landen de mogelijkheid om te investeren in duurzame energie, industriële transformatie en sociale begeleidingsmaatregelen. De raad vraagt dat België zich op Europees en internationaal niveau inzet voor een hervorming van de internationale financiële architectuur die deze structurele barrières helpt wegwerken.
  • [34] De raad vraagt dat België zich inzet voor een hervorming van de internationale financiële architectuur die ontwikkelingslanden beter in staat stelt om investeringen in duurzame energie, industriële transformatie en een rechtvaardige transitie te realiseren. Daarbij dient bijzondere aandacht te gaan naar de ondersteuning van regio’s, sectoren en gemeenschappen die sterk afhankelijk zijn van fossiele brandstoffen.
  • [35] De raad vraagt dat België, zowel in zijn nationale beleidsontwikkeling als binnen de Europese en internationale fora waarin het actief is, de ILO Guidelines for a Just Transition towards Environmentally Sustainable Economies and Societies for All als centrale referentie voor het klimaatbeleid hanteert. De raad herinnert eraan dat België zich hiertoe heeft geëngageerd via de ILO Resolution concerning a just transition towards environmentally sustainable economies and societies for all van 2023.
  • [36] De raad vraagt dat België binnen de Europese Unie, de Wereldbankgroep, het IMF, de OESO en andere relevante fora pleit voor een versterking van concessionele financiering en andere financieringsinstrumenten die geen bijkomende schuldenlast creëren. Daarbij verdienen ook innovatieve mechanismen, zoals schuldverlichting gekoppeld aan klimaatinvesteringen en de heroriëntering van internationale financiële middelen evenals de middelen die vrijkomen uit de afbouw van subsidies voor fossiele brandstoffen, ten behoeve van de transitie, verdere aandacht.
  • [37] De FRDO onderstreept dat de uitfasering van fossiele brandstoffen gepaard moet gaan met een rechtvaardige fiscale en sociale aanpak. Hervormingen van fiscale instrumenten en steunmaatregelen moeten bijdragen aan de vermindering van fossiele afhankelijkheden, zonder de betaalbaarheid van energie voor burgers en ondernemingen in het gedrang te brengen. De raad benadrukt daarom dat de uitstap uit fossiele brandstoffen moet gepaard gaan met een verlaging van de elektriciteitsfactuur voor consumenten en bedrijven.
  • [38] De raad wijst erop dat internationale investeringsakkoorden en investeerdersbeschermingsmechanismen de beleidsruimte van staten om klimaatmaatregelen te nemen niet mogen beperken. Hij vraagt dat België en de Europese Unie zich inzetten voor een systematische evaluatie van dergelijke mechanismen, zodat het recht van overheden om regelgeving vast te stellen ter verwezenlijking van klimaatdoelstellingen voldoende wordt gewaarborgd en buitensporige juridische risico’s worden vermeden.
  • [39] De FRDO herinnert eraan dat verschillende internationale ontwikkelingen, waaronder de uitstap van de Europese Unie uit het Energiehandvestverdrag, het groeiende belang onderstrepen van een betere afstemming tussen investeringsbescherming en klimaatdoelstellingen. De raad vraagt België het nationale overleg over uittreding uit het Energiehandvestverdrag te hervatten in uitvoering van de ingebrekestelling van de Europese Commissie van januari 2026, en deze positie actief te verdedigen op internationaal niveau.

2.4.2. Afstemming tussen vraag en aanbod

  • [40] De FRDO benadrukt dat de transitie naar een klimaatneutrale economie een betere afstemming vereist tussen vraag en aanbod van energie. Daarbij is het essentieel dat consumenten, burgers en ondernemingen op een transparante, toegankelijke en betaalbare manier kunnen deelnemen aan de transitie. De raad vraagt dat België deze principes actief verdedigt in de Europese en internationale beleidsvorming, met bijzondere aandacht voor nieuwe modellen, zoals gedeelde systemen, energiedemocratie[10] en energiecoöperaties.
  • [41] De raad wijst erop dat de huidige afhankelijkheid van ingevoerde fossiele brandstoffen niet alleen een klimaatuitdaging vormt, maar ook een bron van geopolitieke kwetsbaarheid. Hij vraagt dat België actief bijdraagt aan internationale initiatieven die de samenwerking tussen producerende en consumerende landen versterken en de ontwikkeling van duurzame en veerkrachtige waardeketens ondersteunen. Daarbij moet worden gestreefd naar een vermindering van fossiele afhankelijkheden zonder nieuwe vormen van economische of grondstoffengerelateerde afhankelijkheid te creëren.
  • [42] De FRDO vraagt dat België actief deelneemt aan de werkgroep, ondersteund door de OESO, die is voortgekomen uit de Santa Marta-conferentie, over de afstemming tussen producenten en consumenten met het oog op de transitie weg van fossiele brandstoffen.
  • [43] De raad herinnert eraan dat de internationale gemeenschap zich in het kader van de Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen en tijdens opeenvolgende klimaatconferenties (COP26-28) heeft geëngageerd tot de geleidelijke afschaffing van inefficiënte subsidies voor fossiele brandstoffen. Hij vraagt dat België deze engagementen actief ondersteunt en bijdraagt aan een grotere transparantie over zowel expliciete als impliciete steunmaatregelen voor fossiele brandstoffen.
  • [44] De raad benadrukt daarbij dat de middelen die vrijkomen door de afbouw van fossiele subsidies prioritair moeten worden ingezet voor een rechtvaardige transitie, waaronder investeringen in duurzame energie, de omscholing van werknemers en de bescherming van kwetsbare huishoudens.
  • [45] De raad verwijst in dit verband naar de federale inventaris van subsidies voor fossiele brandstoffen van de FOD Volksgezondheid[11]. Deze inventaris toont aan dat de ondersteuning van fossiele brandstoffen in 2024 nog steeds aanzienlijk was en in alle grote sectoren van de Belgische economie voorkomt. In totaal ging in 2024 15,2 miljard euro aan directe of indirecte steun naar fossiele brandstoffen. De Belgische fossiele subsidies zijn bij de grootste in Europa[12]. De raad wijst er tevens op dat ook de Europese Commissie België recent heeft opgeroepen om de algemene afhankelijkheid van fossiele brandstoffen verder te verminderen[13], onder meer door werk te maken van de geleidelijke afschaffing van subsidies voor fossiele brandstoffen.

2.5. Coherentie van EU-klimaatbeleid

  • [46] De FRDO vraagt dat België zich binnen de Europese discussies over het post-2030-klimaatkader en de verdere uitwerking van het 2040-klimaatdoel inzet voor een coherente en transparante benadering van de klimaatdoelstellingen. De raad benadrukt dat duidelijke rapportering, vergelijkbare en leesbare indicatoren en transparante monitoring essentieel zijn om de voortgang op een geloofwaardige manier op te volgen en het vertrouwen in het klimaatbeleid te versterken. Deze instrumenten moeten bovendien bijdragen aan het verminderen van regelgevende onzekerheid voor economische actoren, zodat ondernemingen hun investeringsbeslissingen beter kunnen plannen en anticiperen.
  • [47] Tegelijk stelt de raad dat deze fase de facto de routekaart zal bepalen voor de uitfasering van gas, olie en steenkool in alle sectoren, en vraagt hij dat België zich engageert voor de ontwikkeling van samenhangende Europese trajecten die de afbouw van fossiele brandstoffen combineren met rechtvaardige transitieplannen, sociale indicatoren en een structurele betrokkenheid van sociale partners. De raad benadrukt daarbij dat deze trajecten ook de economische haalbaarheid voor ondernemingen moeten nastreven, in het bijzonder de reële investerings- en aanpassingscapaciteit van kmo’s, om de transitie voor hen mogelijk te maken, de uitvoerbaarheid van de uitfasering van fossiele brandstoffen te verzekeren en het draagvlak voor de klimaatverbintenissen te versterken.
  • [48] De raad benadrukt dat de uitvoering van de bestaande en geplande Europese energie- en klimaatwetgeving, waaronder de Gas Directive (2024/1788), de Clean Energy Investment Strategy[14] en het European Grid Package[15], essentieel is om de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen structureel af te bouwen. Deze beleidsinstrumenten moeten volgens de FRDO bijdragen aan lagere elektriciteitskosten, een betere bescherming van consumenten en een versterking van de toegang tot vaste contracten, flexibele contracten en energiedeling, waarbij hun impact op de energiekosten regelmatig en concreet wordt geëvalueerd om te verzekeren dat de beoogde doelstellingen ook effectief leiden tot betaalbare elektriciteit en verbeterde toegang tot energie.
  • [49] De FRDO vraagt dat België zich op Europees niveau inzet voor een versnelde uitrol van hernieuwbare energie en de uitbouw van een performant interconnectienetwerk binnen de EU. De raad onderstreept dat een dergelijke ontwikkeling enkel doeltreffend kan zijn indien alle lidstaten gelijktijdig investeren in de noodzakelijke infrastructuur. Hij benadrukt daarbij ook het belang van Europese financieringsinstrumenten voor een transnationale energie-infrastructuur die de integratie van de Europese energiemarkt en de bevoorradingszekerheid versterken. België dient hierbij een voorbeeldrol op te nemen en actief te pleiten voor gelijke en gesynchroniseerde inspanningen binnen de Unie, om prijsonevenwichten en concurrentieverstoringen tussen lidstaten te vermijden.
  • [50] De raad benadrukt dat de middelen uit het ETS2 en het bijhorende Social Climate Fund prioritair moeten worden ingezet ter ondersteuning van een rechtvaardige transitie. Dit omvat onder meer investeringen in energie-efficiënte renovatie, toegang tot hernieuwbare energie, milieuvriendelijke mobiliteit en gerichte steunmaatregelen voor kwetsbare huishoudens, waarbij deze middelen overeenkomstig Verordening (EU) 2023/955[16] ook ten goede moeten komen aan kwetsbare huishoudens, kwetsbare micro-ondernemingen en kwetsbare vervoergebruikers, om te vermijden dat zij disproportioneel worden getroffen door de transitie naar fossielvrije systemen.
  • [51] Daarbij horend onderstreept de FRDO het belang van een gerichte bescherming van kwetsbare consumenten, waaronder kmo’s, die moeilijk of niet zelfstandig kunnen overstappen van fossiele infrastructuren naar koolstofarme alternatieven. De raad vraagt dat België zich inzet voor Europese maatregelen die deze groepen actief ondersteunen, zodat de transitie sociaal rechtvaardig blijft en niemand achtergelaten wordt.
  • [52] De FRDO benadrukt dat de Europese Unie bij de verdere uitwerking van haar klimaatbeleid een strikte en coherente benadering moet hanteren ten aanzien van internationale koolstofmechanismen. In dit verband stelt de raad dat de EU haar binnenlandse emissiereductie eerst met minstens 90% moet realiseren tegen 2040 alvorens zij overgaat tot het gebruik van internationale koolstofkredieten. Indien dergelijke kredieten worden ingezet, moeten deze voldoen aan de hoogste normen inzake duurzaamheid en mensenrechten, in lijn met en aanvullend op de regels van artikel 6.4 van het Klimaatakkoord van Parijs[17]. De raad vraagt dat de EU deze internationale standaarden verder aanscherpt en dat zij enkel kredieten aanvaardt uit landen met aantoonbaar ambitieuze klimaatdoelstellingen en robuuste garanties inzake mensenrechten en de rechten van minderheden.
  • [53] De raad wijst op de structurele afhankelijkheid van het Europese voedselsysteem van fossiele energie en vraagt dat België zich binnen het Europese landbouwbeleid, in het bijzonder de Gemeenschappelijke Landbouwpolitiek, inzet voor een vermindering van deze afhankelijkheid. Een meer fossielvrij voedselsysteem draagt niet alleen bij aan klimaatdoelstellingen, maar verhoogt ook de veerkracht tegen prijsschokken en externe energiecrisissen. De raad vraagt dat de Europese ondersteuningsmechanismen in dit kader worden geheroriënteerd naar duurzame en koolstofvrije landbouwprocessen.
  • [54] De raad stelt dat het Industrial Accelerator Act een cruciale rol zal spelen in de combinatie van industriële decarbonisatie en economische competitiviteit. Hij vraagt dat België erop toeziet dat de reductie van de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen expliciet wordt verankerd in dit instrument, onder meer via investeringen in elektrificatie, energie-efficiëntie, hernieuwbare warmte en duurzame waterstof waar relevant.
  • [55] De FRDO benadrukt dat publieke steun in het kader van het Industrial Accelerator Act moet worden gekoppeld aan duidelijke voorwaarden inzake een rechtvaardige transitie, met inbegrip van sociale dialoog, opleiding, begeleiding van industriële reconversies, evenals goed bestuur en transparantie bij de aanwending van de steunmaatregelen. Daarbij moet erover worden gewaakt dat steunmaatregelen (en bij uitbreiding het Europees industrieel beleid) ook op maat van kmo’s moeten gemaakt worden, onder andere door de administratieve lasten te beperken, zodat hun vermogen om zich aan te passen niet wordt ondermijnd.
  • [56] Tot slot vraagt de raad dat België zich constructief opstelt in de verdere uitbouw van het EU Just Transition Mechanism en actief pleit voor een uitbreiding van het Europese kader voor rechtvaardige transitie. Dit omvat de versterking van financiële instrumenten die verder reiken dan het huidige Just Transition Fund, alsook de mogelijke ontwikkeling van een breder juridisch en beleidsmatig kader dat de sociale dimensie van de klimaattransitie op EU-niveau structureel verankert, met inbegrip van de mogelijkheid van een Europese richtlijn inzake rechtvaardige transitie. De raad benadrukt daarbij dat deze instrumenten beter rekening moeten houden met de territoriale economische realiteit en met de rol en draagkracht van kmo’s in de uitvoering van de transitie.
  • [57] De raad benadrukt dat de geloofwaardigheid van de Europese strategie voor de uitfasering van fossiele brandstoffen afhangt van de samenhang van het volledige EU-beleid en van de beschikbaarheid van financiële middelen die in verhouding staan tot de vooropgestelde ambities. De raad vraagt dat België erop toeziet dat toekomstige Europese initiatieven, in het bijzonder het volgende Meerjarig Financieel Kader (MFK), de investeringen die nodig zijn voor de decarbonisatie van de economie en voor een rechtvaardige transitie ten volle ondersteunen, met bijzondere aandacht voor de begeleiding van werknemers, kwetsbare huishoudens en kwetsbare micro-ondernemingen en de meest getroffen regio’s. In dit verband dringt de raad erop aan dat België zich in het MFK inzet voor het behoud van het fonds voor een rechtvaardige transitie en ervoor zorgt dat dit fonds op adequate en evenredige wijze wordt gefinancierd. Dat betekent ook dat de huidige criteria om geldstromen richting klimaatinvesteringen en verduurzaming te garanderen, geenszins afgezwakt mogen worden.
  • [58] De raad herinnert eraan[18] om de in eerdere adviezen vermelde elementen voor de Europese NDC op te nemen.

2.6. Coherentie van Belgisch klimaatbeleid

  • [59] De FRDO benadrukt dat een geloofwaardige internationale en Europese klimaatpositie enkel mogelijk is indien zij wordt ondersteund door een coherent en ambitieus binnenlands beleid. Hoewel de huidige adviesvraag betrekking heeft op de standpunten die België kan innemen in Europese en internationale fora, herinnert de raad eraan dat de geloofwaardigheid van België als internationale partner in belangrijke mate afhangt van de mate waarin het zijn eigen engagementen nakomt.
  • [60] De raad vraagt daarom een versterkte coördinatie tussen de verschillende Belgische beleidsniveaus en bevoegde ministers, in het bijzonder op het vlak van klimaat, energie, buitenlandse zaken, economie, handel en financiën, en ontwikkelingssamenwerking. Een geïntegreerde aanpak is noodzakelijk om de coherentie tussen het binnenlandse beleid en de internationale standpunten van België te waarborgen en om de Belgische invloed in multilaterale processen te versterken.
  • [61] De raad benadrukt dat België zich op internationaal vlak voorbeeldig moet opstellen en minstens zijn bestaande internationale en Europese verbintenissen moet naleven. In het bijzonder vraagt de FRDO dat België zich blijft inzetten voor de verwezenlijking van de Europese klimaatdoelstellingen en deze doelstellingen actief ondersteunt in de onderhandelingen over het Europese beleidskader na 2030, waaronder de klimaatdoelstelling voor 2040.

 

 

[1] https://www.climatechangenews.com/2026/04/25/climate-scientists-call-for-fossil-fuel-transition-roadmaps/

[2] https://www.iisd.org/coffis

[3] Global Mutirão: Uniting humanity in a global mobilization against climate change en Cf. Initiatiefadvies ter voorbereiding van de Klimaatconferentie van de Verenigde Naties (COP 31), § [17].

[4] Diverse studies tonen aan dat het belasten van winsten op fossiele brandstoffen minder snel wordt doorgerekend aan de consument: zie bv. https://www.transportenvironment.org/articles/taxing-fossil-fuel-profits

[5] Zie artikel 23k: de IAO [should] “engage in global financial initiatives and strengthen collaboration with the international financial institutions, the multilateral development banks and the financial sector to enhance financing for a just transition.

[6] Cf. Initiatiefadvies ter voorbereiding van de Klimaatconferentie van de Verenigde Naties (COP 31), § [3].

[7] Zie: https://www.imo.org/en/ourwork/environment/pages/2023-imo-strategy-on-reduction-of-ghg-emissions-from-ships.aspx

[8] Zie: https://www.belgium.be/sites/default/files/resources/publication/files/Regeerakkoord-Bart_De_Wever_nl.pdf

[9] Zie: https://www.imo.org/en/ourwork/humanelement/pages/maritime-just-transition.aspx

[10]  Energy democracy as a process, an outcome and a goal: A conceptual review. Science direct. https://doi.org/10.1016/j.erss.2020.101768

[11] https://klimaat.be/news/2026/5de-federale-inventaris-van-subsidies-voor-fossiele-brandstoffen

[12] https://www.eea.europa.eu/en/analysis/indicators/fossil-fuel-subsidies

[13] https://economy-finance.ec.europa.eu/economic-surveillance-eu-member-states/country-pages-including-country-reports/country-report-belgium_en

[14] https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/HTML/?uri=CELEX:52026DC0116

[15] https://ec.europa.eu/commission/presscorner/detail/en/ip_25_2945

[16]   Ter herinnering, de regelgeving (EU) 2023/955 identificeert drie doelgroepen voor het Sociaal Klimaatfonds: kwetsbare huishoudens, kwetsbare micro-ondernemingen en kwetsbare vervoergebruikers. https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/HTML/?uri=CELEX:32023R0955

[17] https://unfccc.int/process-and-meetings/the-paris-agreement/article-64-mechanism

[18] Cf. Initiatiefadvies ter voorbereiding van de Klimaatconferentie van de Verenigde Naties (COP 30), 25/09/2025, § [14].

 

Opmerkingen, vragen of suggesties?