11 | Advies over het ontwerp van federaal actieplan circulaire economie

  • Op vraag van Pierre-Yves Dermagne, minister van economie en Zakia Khattabi, minister van leefmilieu op 25 mei 2021
  • Samen met de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven en de Bijzondere raadgevende commissie “Verbruik”
  • Dit advies werd voorbereid door de werkgroep innovatieve economische modellen
  • Goedgekeurd door de AV van de FRDO via schriftelijke procedure, 15/07/2021

Advies (pdf)

 

 

INBEHANDELINGNEMING

  • [a] Op 21 februari 2020 formuleerden de CRB en de FRDO een gemeenschappelijk initiatiefadvies over de manier waarop de Belgische federale overheid de transitie naar een circulaire economie zou kunnen stimuleren. In dat advies werd ook gevraagd dat dringend werk zou worden gemaakt van een federaal actieplan circulaire economie.
  • [b] Op 25 mei 2021 bezorgden de minister van Economie en de minister van Leefmilieu een ontwerp van het Federaal Actieplan Circulaire Economie 2021-2024 aan die Raden voor advies. Ook de leden van de brc Verbruik en de NAR werden uitgenodigd om deel te nemen aan de raadpleging.
  • [c] Het ontwerpadvies werd voorbereid door de subcommissie Circulaire economie van de CRB en door de werkgroep Innovatieve economische modellen van de FRDO en werd goedgekeurd door de plenaire vergaderingen van de CRB, de FRDO en de brc Verbruik op 15 juli 2021.
  • [d] De Nationale Arbeidsraad, van zijn kant, heeft zich uitgesproken in een brief van 2 juli 2021. In die brief constateert de Nationale Arbeidsraad dat de circulaire economie een impact heeft en zal hebben op de arbeidsmarkt, op de werkomstandigheden en op de gezondheid en veiligheid op het werk (zie §14 van dit advies) en dat hij daar aandacht aan wil blijven aan besteden. Voorts wijst de Nationale Arbeidsraad erop dat de ecocheques een bijdrage aan de bevordering van de circulaire economie zijn van de sociale gesprekspartners.

 

Advies

1. Algemene opmerkingen op ontwerp van actieplan

  • [1] De Adviesorganen benadrukken reeds verschillende jaren het belang van een circulaire economie zowel economisch als maatschappelijk. Het gaat om een economisch ontwikkelingsmodel dat kan helpen bij het aangaan van verschillende maatschappelijke uitdagingen, zoals de grondstoffenschaarste, de aantasting van de natuurlijke hulpbronnen, de uitputting van de biodiversiteit en de klimaatverandering, en dat ook veel kansen biedt inzake innovatie en op het vlak van creatie van toegevoegde waarde en lokale werkgelegenheid.
  • [2] De Adviesorganen zijn dan ook verheugd dat er een ontwerp van Federaal Actieplan Circulaire Economie (FACE) werd voorbereid en dat ze de mogelijkheid krijgen om hierover een advies te formuleren. Dit federale actieplan moet België in staat stellen deze thematiek ten volle te vatten en de kansen van de circulaire economie te grijpen. Een efficiënte circulaire economie moet volgens de Adviesorganen ook een motor zijn van het Belgische relancebeleid; ze scharen zich dan ook achter de circulaire ambities als essentieel onderdeel van het economisch relanceplan na de COVID-19-crisis.
  • [3] In het algemeen verwelkomen de Adviesorganen het nieuwe actieplan, maar ze hebben toch ook een aantal opmerkingen. De specifieke opmerkingen op het ontwerp van actieplan werden gebundeld in punt 2. De meer algemene opmerkingen worden hieronder opgesomd.

Algemene opmerkingen op vorm en proces

  • [4] Het ontwerp van actieplan mist een duidelijke concretisering en een specifieke timing. Bij bepaalde maatregelen is onduidelijk wat er precies wordt beoogd en tegen wanneer. Er is nog veel onduidelijkheid over wie precies welke rol moet innemen. Vermits het hier gaat over circulaire economie zou de FOD Economie bijvoorbeeld altijd betrokken moeten worden.
  • [5] De Adviesraden vinden het ook spijtig dat er geen evaluatie plaatsvond van het vorige plan Circulaire Economie (het plan van de toenmalige ministers Marghem en Peeters). Ze hopen dat er in 2025 niet opnieuw van nul wordt gestart, maar dat men – opnieuw in dialoog met de Adviesorganen – voortbouwt op de succesverhalen, aanpassingen aanbrengt bij de pijnpunten en inspeelt op de opportuniteiten.
  • [6] De Adviesorganen betreuren tevens het gebrek aan overeenstemming en coördinatie van het ontwerp van actieplan met de regionale initiatieven op het vlak van circulaire economie. Het zou goed zijn mocht er gewerkt worden aan een interfederale roadmap circulaire economie.
  • [7] In het algemeen herhalen de Adviesorganen hun vraag uit eerdere adviezen naar een betere governance op het vlak van circulaire economie. Er is nood aan een dialoog op verschillende niveaus:
    • – EU-niveau: de federale administratie moet volop inzetten op de Europese processen om daar invloedrijk te zijn en impact te hebben. Enkel zo kan België koploper blijven in de circulaire economie.
    • – Interfederaal: binnen België is een goede afstemming nodig en moet dubbel (studie)werk worden vermeden.- Intersectoraal: circulaire voorbeelden en lerende netwerken moeten worden gestimuleerd.
    • – Stakeholders: overleg met de relevante adviesorganen moet toelaten om beleidsvoorstellen te toetsen aan de realiteit van het terrein en het draagvlak voor de transitie naar een circulaire economie te versterken.
  • [8] Dialoog en samenwerking van de administraties en federale beleidscellen met de sectoren, de regio’s en de relevante adviesorganen zullen tevens nodig zijn om het actieplan verder te concretiseren en om het vervolgens succesvol uit te voeren.
  • [9] De Adviesorganen vragen ook een voldoende schaal van de initiatieven die worden aangekondigd (inclusief de acties uit het nationale Plan voor Herstel en Veerkracht). Ze vragen dat hiervoor in voldoende middelen wordt voorzien.
  • [10] De Adviesorganen stellen vast dat een groot aantal maatregelen uit het ontwerp van actieplan op dit moment nog concrete inhoud missen. Dit maakt het moeilijk tot zelfs onmogelijk om hierover een geïnformeerd advies te verschaffen. De Adviesorganen vragen daarom dat ze, tenminste voor deze maatregelen, opnieuw om advies verzocht worden.

Thema’s die volgens de Adviesorganen ontbreken

  • [11] Wat de inhoud betreft, onderstrepen de Adviesorganen het belang van een aantal belangrijke thema’s die momenteel ontbreken in het ontwerp van actieplan:
    • – Vooreerst zijn er de aspecten die betrekking hebben op (de transformatie van) de werkgelegenheid, het initiële onderwijs, de voortgezette opleiding, de omscholing van de werknemers en hun veiligheid en gezondheid, nochtans een van de prioritaire aanbevelingen uit hun eerdere advies rond circulaire economie. De Adviesorganen herhalen hun verzoek dat voldoende aandacht wordt besteed aan de sociale uitdagingen. Ze zijn van oordeel dat het onderwijs- en opleidingsaanbod moet worden aangepast om de arbeidsmarkt voor te bereiden op een circulaire economie. Meer concreet moeten de toekomstige werknemers (studenten en werkzoekenden) de nodige vaardigheden voor jobs in een circulaire economie verwerven en moeten alle huidige werknemers zo worden opgeleid dat ze in een circulaire economie kunnen blijven werken. Bovendien moet voldoende worden toegezien op de veiligheid van personen (burgers en werknemers) en van het leefmilieu. Dit is een basisprincipe dat in alle initiatieven m.b.t. de circulaire economie in aanmerking moet worden genomen. Het is belangrijk dat de bepalingen uit de Codex over welzijn op het werk van 28 april 2017 te allen tijde worden gerespecteerd.
    • – Een belangrijk element dat ook ontbreekt in het Actieplan is een visie op de handhavingsinspanningen van de federale administraties op het vlak van de geharmoniseerde Europese productwetgeving. Recent werd de EU Market Surveillance Regulation[1] goedgekeurd. Deze treedt in werking vanaf 16 juli dit jaar en legt extra rapporteringsverplichtingen bij de lidstaten voor een verbeterde handhaving van de bestaande EU productwetgeving. De federale overheid zal verplicht aan Europa moeten rapporteren welke handhavingsinspanningen ze doen rond de 70 geharmoniseerde EU productwetgevingen. Het is net hier dat de federale overheid een positieve impact kan hebben. Een eengemaakte Europese interne markt en het vrij verkeer van goederen zijn cruciale succesfactoren voor het opschalen van circulaire en duurzame economiepraktijken.
    • – In het ontwerp van actieplan ontbreekt ook aandacht voor de impact van de toenemende digitalisering op het klimaat (denk aan de impact op het energieverbruik). Het is belangrijk dat deze effecten worden opgevolgd en ook worden ingepast in het bredere beleid rond circulaire economie.
    • – De Adviesorganen vragen tevens aandacht voor de recyclage van kritieke metalen. De digitale transitie en de energietransitie zorgen immers voor een sterke vraag naar deze grondstoffen. Bovendien heeft België al een sterke technologische expertise in dit domein. Het is belangrijk dat we deze sterke positie kunnen behouden en verder ontwikkelen, onder meer door het ondersteunen van onderzoek en ontwikkeling.
    • – Ten slotte herhalen de Adviesorganen hun eerdere vraag om alle reeds bekende barrières (regelgevende, fiscale, financiële…) voor de circulaire transitie zo snel mogelijk weg te werken. Een aantal van deze barrières is het voorwerp van actie in het ontwerp van actieplan, maar andere ontbreken. Een voorbeeld zijn de verschillen in implementatie van de Europese afvalregelgeving tussen EU-lidstaten en regio’s (zelfs binnen België) wat het grensoverschrijdend transport van afvalstoffen bemoeilijkt en in bepaalde gevallen zelfs verhindert. Op die manier mist België kansen voor de verwerking van buitenlands afval en dus voor de creatie van toegevoegde waarde en jobs in de circulaire economie.

2. Specifieke opmerkingen op het ontwerp van Federaal actieplan circulaire economie

2.1 Deel 1: Definitie, uitdagingen en kansen

  • [12] De inleidende tekst van het ontwerp van actieplan is heel beschrijvend. Er wordt vaak verwezen naar passages uit de SDGs en de Ellen MacArthur Foundation, maar het bredere Europese kader is te weinig ontwikkeld. Er bestaan nochtans al heel wat iniatieven binnen het nieuwe actieplan Circulaire Economie van de EC (nCEAP).[2]
  • [13] De definitie van een circulaire economie moet ook breder. Het is belangrijk om naast de technologische kringloop ook de biologische cyclus mee te nemen. Er zijn immers bepaalde materialen die zich in beide kringlopen bevinden; het is belangrijk dat alle circulaire eigenschappen meegenomen worden. Hierop aansluitend moet er in punt 1.4 bijvoorbeeld ook aandacht gaan naar de biodiversiteit in gecertificeerde bossen (PEFC).
  • [14] De Adviesorganen zijn tevreden dat in de inleiding een sterke link met de klimaatverandering wordt gelegd. Zo acht de regering het nodig om ‘ambitieuze doelstellingen voor de circulaire economie vast te stellen om nieuwe economisch kansen te creëren en de klimaatverandering, het verlies aan biodiversiteit en de aantasting en vernietiging van ecosystemen tegen te gaan en onze afhankelijkheid van grondstoffen te verminderen’. De Adviesorganen vragen om deze doelstellingen SMART te formuleren en af te stemmen met de regio’s.
  • [15] In punt 1.5 wordt gewezen op de impact die de circulaire economie kan hebben op het verminderen van onze afhankelijkheid van grondstoffen. Deze afhankelijkheid wordt echter niet enkel veroorzaakt door het feit dat België weinig grondstoffen heeft, maar ook door geopolitieke conflicten. Die link wordt in het ontwerp van actieplan nog niet gelegd. Om de afhankelijkheid van grondstoffen te verminderen is het belangrijk om een circulaire maakindustrie te ontwikkelen (onder meer ook door het reshoren van circulaire bedrijven).

2.2 Deel 2: Federale bijdrage aan het Europees programma

  • [16] De Adviesorganen willen vooreerst nogmaals de nadruk leggen op het belang om impact uit te oefenen op het Europese beleid. De beslissingen moeten zoveel mogelijk op Europees niveau worden genomen. Verschillende punten uit het ontwerp van actieplan moeten ook op dit niveau behandeld worden, bijvoorbeeld de uitwerking digital product paspoort SPI; … Tegelijk is het cruciaal dat België een leidende/aansturende rol vervult op het niveau van de EU.

Europees actieplan voor de circulaire economie

  • [17] Bij het ontwerpen van duurzame producten willen de Adviesorganen dat een sterkere link met het uitfaseren van toxische chemische stoffen (denk aan PFOS) wordt gemaakt. Er moet over gewaakt worden dat dergelijke stoffen niet worden vervangen door andere stoffen die ook schadelijke effecten hebben op gezondheid en milieu. Tegelijk moet opgelet worden met de verwoording van ‘zorgwekkende stoffen’. De termen en definities moeten omzichtig gebruikt worden zodat essentiële functies van stoffen gerespecteerd blijven en niet in gevaar komen.
  • [18] De Adviesorganen verwijzen in dit kader ook naar de vraag uit het advies ‘Naar een vermindering van producten voor eenmalig gebruik’, nl. dat er moet worden gesproken met de stakeholders om voor een totaalverbod alternatieven te vinden die economisch beschikbaar zijn en een vermindering van de impact van die producten op het milieu en de gezondheid garanderen, op basis van een analyse van hun volledige levenscyclus.
  • [19] De Adviesorganen gaan akkoord met de prioritaire sectoren en waardeketens die de EC identificeerde voor de herziening van de richtlijn 2009/125/EG inzake ecologisch ontwerp, maar wat betreft de bouwmaterialen is het belangrijk dat niet alleen gekeken wordt naar de duurzaamheidsaspecten van de materialen zelf, maar dat de duurzaamheid van de hele bouwsector wordt meegenomen. Het volstaat niet om normen op te leggen voor bouwmaterialen; meer algemeen moet het circulair bouwen versneld worden.
  • [20] In het ontwerp van actieplan wordt voorgesteld dat bedrijven die de milieueffecten van hun product of dienst willen meedelen hiervoor de PEF/OEF-methodologie moeten gebruiken. Zoals ook werd aangegeven in het eerdere advies van de CRB-FRDO, erkennen de Adviesorganen het potentieel van deze methodologie om de milieukenmerken van een goed op een duidelijke en transparante manier te communiceren. Ze vragen echter aandacht voor de volgende punten:
    • – De PEF/OEF-methodologie bevindt zich nog in een overgangsfase. Het is dus nog te vroeg om dit specifieke systeem aan te bevelen en het a fortiori te gebruiken als basis voor het creëren van normen.
    • – Het proportionaliteitsprincipe moet te allen tijde gerespecteerd worden, wat ook op Europees niveau wordt erkend. Kmo’s zijn niet in staat om zelf gesofisticeerde analyses uit te werken m.b.t. Environmental Footprint en/of Life Cycle Analysis. De methodes om te communiceren over hun milieu-impact moeten dan ook aangepast zijn aan hun beperktere middelen en capaciteiten. In eerste instantie moeten tools, guidelines, etc. ontwikkeld worden om ondernemingen, en dan vooral Kmo’s, vertrouwd te maken met deze systemen, in een volgende fase moeten instrumenten ontwikkeld worden om bedrijven te helpen om deze systemen te gebruiken.
    • – Ten slotte is de PEF/OEF-methodologie niet toepasbaar voor alle producten op de markt. Bepaalde specifieke producten vereisen een andere aanpak; er moet dan ook een onderscheid gemaakt worden. De Europese Commissie heeft dit reeds erkend voor tussenproducten (Environmental Product Declarations (EPDs) => Product Category Rules (PCRs)).

Handelsbeleid en internationale samenwerking

  • [21] De uitvoer van onverwerkte afvalstoffen voor verwerking in landen buiten de OESO die niet over de nodige milieu- en sociale normen en infrastructuur beschikken moet, rekening houdend met de mogelijkheden voor terugwinning binnen de EU en de milieueffecten van verwerking en vervoer buiten de OESO, tot een minimum worden beperkt (niet verboden). Het kan enkel indien de recyclage en terugwinning er op een evenwaardige manier plaatsvindt, zowel op het vlak van milieu-impact als op het vlak van recyclage-efficiëntie, zodat efficiënt wordt omgesprongen met waardevolle grondstoffen. Hetzelfde geldt voor de behandeling van recyclageresiduen, die eveneens dienen behandeld te worden op een milieuniveau dat vergelijkbaar is met het Europese.
  • [22] Dit gaat natuurlijk enkel op voor materialen waarvoor er voldoende verwerkingscapaciteit en vraag is in de EU. Om deze doelstelling mogelijk te maken moet de nodige capaciteit voor verwerking in de EU gecreëerd worden en moet de vraag naar materialen uit recyclage gestimuleerd worden.

2.3 Deel 3: Maatregelen ter bevordering van de circulaire economie in het kader van het herstelplan

  • [23] In het kader van het nationale Plan voor Herstel en Veerkracht (PHV) zette de federale regering het project ‘Belgium Builds Back Circular’ op de rails. Dit project omvat 3 pijlers.

Pijler 1: Coalitie van actoren om de synergieën tussen de overheid en de betrokken actoren te versterken en te stimuleren

  • [24] Een eerste pijler van dit project betreft het tot stand brengen van een Coalitie van actoren om ‘de synergieën tussen de overheid en de betrokken actoren te versterken’. Deze Coalitie zou tevens ‘de samenwerking en coördinatie tussen de federale staat en de gewesten kunnen bevorderen om de bestaande initiatieven aan te vullen en te versterken’.
  • [25] De Adviesorganen hamerden in eerdere adviezen al op het belang van verbeteringen op het vlak van de governance van een circulaire economie. De hefbomen om de transitie naar een circulaire economie te ondersteunen, bevinden zich in verschillende beleidsdomeinen en op diverse beleidsniveaus. De Europese Unie, de federale overheid, de gewestelijke overheden en de lokale besturen hebben allemaal belangrijke handvaten in handen. Het is cruciaal dat al deze overheden met hun diverse bevoegdheden, meer dan vandaag het geval is, samenwerken en hun beleid en beleidsinstrumenten op elkaar afstemmen. Daarnaast werd gewezen op het belang van het betrekken van de stakeholders (producenten,[3] werknemers, consumenten en andere relevante actoren) voor een succesvolle transitie naar een circulaire economie.
  • [26] Om deze doelstelling te bereiken, pleiten de Adviesorganen ervoor om zoveel mogelijk verder te bouwen op bestaande structuren. Het opzetten van een Coalitie zoals wordt voorgesteld in het PHV en in het FACE zal enkel nuttig zijn indien er een duidelijke meerwaarde is ten opzichte van reeds bestaande initiatieven, zoals het Intra-Belgisch Platform Circulaire Economie. Dubbel werk moeten te allen prijze vermeden worden. Het betrekken van de volledige maatschappelijke vijfhoek (naar model van Vlaanderen Circulair) zou complementair kunnen zijn met het Intra-Belgisch Platform, dat bestaat in een samenwerking op het niveau van de administraties.
  • [27] Gegeven het belang van governance, is het cruciaal dat op dit vlak effectief vorderingen worden gemaakt. Het is dan ook verontrustend dat er in het actieplan geen concrete uitwerking van de voorgestelde Coalitie te vinden is (ondanks een uitgebreidere beschrijving in het relanceplan). Het is nodig om te specificeren hoe deze Coalitie tot stand zal komen, wie er aanwezig zal zijn, hoe frequent ze zal samenkomen, enz. Ook de relatie met het Intra-Belgisch Platform circulaire economie moet zeker uitgeklaard worden.
  • [28] In hun eerdere advies benadrukten de CRB-FRDO ook het belang van overleg tussen het Intra-Belgisch Platform en de federale en regionale representatieve adviesorganen. Een dergelijk overleg kan ervoor zorgen dat de beleidsvoorstellen afgetoetst worden aan de realiteit van het terrein en het draagvlak voor de transitie naar een circulaire economie versterkt wordt. Er moet wel bekeken worden hoe dit het meest efficiënt kan georganiseerd worden en in welke domeinen de adviesorganen de meeste toegevoegde waarde kunnen leveren.

Pijler 2 : Financiering van projecten op het gebied van vervanging van gevaarlijke chemische stoffen en ecodesign

  • [29] De tweede pijler van het project ‘Belgium Builds Back Circular’ zal projecten financieren die zijn gericht op de volgende twee prioritaire doelstellingen.
  • [30] Vervanging van gevaarlijke chemische stoffen door hetzij veiligere stoffen, hetzij alternatieve technologieën/producten/methoden/bedrijfsmodellen te bevorderen: voor deze doelstelling zijn de Adviesorganen van oordeel dat concrete acties nodig zijn voor het uitfaseren van toxische chemische stoffen, in lijn met de Europese strategie voor duurzame chemische stoffen (Chemicals Strategy for Sustainability) en met het voorzorgsbeginsel. Wanneer chemische stoffen worden vervangen, moet het principe van de geïntegreerde bestrijding van verontreiniging worden nageleefd. Ze voegen eraan toe dat het belangrijk is de Europese terminologie ter zake te respecteren.
  • [31] Ecologisch ontwerp van projecten: in de tekst wordt gesteld dat ‘het kan gaan om de ontwikkeling van nieuwe projecten of diensten en de ontwikkeling van innovatieve bedrijfsmodellen’. De Adviesorganen vragen zich af hoe dit concreet zal gebeuren. Betreft het financiële steun? Enkel de onderzoeks- en ontwikkelingsfase of de omschakeling en opschaling op het vlak van ecodesign in het algemeen? En hoe zal hier worden afgestemd met de steun die verleend wordt door de gewesten?

Pijlers 3: Bewustmaking van en informatieverstrekking aan kmo’s over circulaire economie

  • [32] De Adviesorganen staan positief tegenover bewustmaking van en informatieverstrekking aan kmo’s. Ze stellen zich tevens de vraag of de voorgestelde maatregelen niet het begin kunnen zijn van een begeleidingstraject voor kmo’s.

2.4 Deel 4: Aanvullende federale maatregelen voor een circulaire economie

2.4.1 Voorgestelde maatregelen om het op de markt brengen van circulaire producten en diensten te stimuleren

Maatregel 1: Productnormen en dialoog om het ontwerp van bepaalde producten te verbeteren

  • [33] In de ogen van de Adviesorganen is ecodesign van primordiaal belang. Het is positief dat het Plan hier aandacht aan besteedt. Het is voor de Adviesorganen wel niet duidelijk wat er precies beoogd wordt met maatregel 1 en wat de volgende actiepunten zullen zijn. Betreft de voorgestelde maatregel een tweede ronde van studies met alle sectoren en actoren van de waardeketen? Vooraleer hier een correct advies over kan worden gegeven, moeten de leden de concrete doelstellingen van de plannen kennen. Toch een aantal eerste opmerkingen:
    • – Het is belangrijk dat de acties geënt worden op de Europese evoluties/het Europese kader (cf. Europese standaard rond design for recycling, life-time extension…). Zoals werd benadrukt in het eerdere CRB-FRDO advies rond circulaire economie moet de concrete uitwerking en invoering van normen ook op Europees/internationaal niveau gebeuren.
    • – In de titel en de doelen van de maatregel ontbreekt ‘voorbereiding tot hergebruik’. In het algemeen ligt de focus te veel op recyclage: de studies waar naar verwezen wordt, vertrekken allemaal vanuit het recyclage-perspectief. Nochtans staat recyclage op de circulaire ladder lager dan bv. hergebruik. Verbreding is daarom nodig.
    • – Meer materiaalstromen zouden moeten worden getest en meer interviews moeten worden afgenomen. Daar tegenover staat dat van een aantal voorbeelden ‘die verder zullen worden onderzocht’ al geweten is wat wel of niet goed gerecycleerd kan worden (bv. meerlagige folies of chipszakken zijn moeilijker). In een aantal gevallen kunnen dus al concretere acties geformuleerd worden.
    • – Twee mogelijke acties om de recyclage/het hergebruik van producten te vergemakkelijken zijn: het verbod op niet-demonteerbare producten en het beschikbaar houden van reserveonderdelen door fabrikanten.
  • [34] De Adviesorganen herhalen ook hun eerdere aanbeveling, nl. dat de Ecodesignrichtlijn efficiënt moet worden gehandhaafd. Het is dan wel nodig dat het beleid voldoende middelen en getraind personeel beschikbaar stelt voor de handhaving van deze regelgeving en preciseert welk organisme zal controleren of de regelgeving wordt nageleefd (bv. de algemene directie Kwaliteit en Veiligheid van de fod Economie). Daarnaast kan het ook nuttig zijn om ervaringen en best practices op het vlak van handhaving op stoffen en voorwerpen uit te wisselen tussen EU-landen. Het ECHA-forum dat werd opgezet in het kader van REACH is daarvan een goed voorbeeld.

Maatregelen 2: Invoering van een verplichte herstelbaarheidsindex, die later moet uitgroeien tot een duurzaamheidsindex

  • [35] De invoering van een herstelbaarheidsindex/duurzaamheidsindex is een belangrijke maatregel om de consument beter te informeren, maar ook hier een aantal bedenkingen:
    • – Een dergelijk initiatief op louter Belgisch niveau is, gezien de Europese interne markt en onze open economie, af te raden. België moet zijn invloed op Europees niveau laten gelden om deze maatregel in te bedden op Europees vlak.
    • – De index moet ook informatie geven over de kosten van herstelling en over de beschikbaarheid van wisselstukken.
  • [36] Naast de invoering van een index moeten herstellingen ook aangemoedigd worden. Dit zou bijvoorbeeld kunnen via fiscale instrumenten (bv. lagere btw op herstellingen, belasting op producten voor eenmalig gebruik…), dienstencheques voor herstellingen (reparatiecheques)…
  • [37] Bovendien moeten ook maatregelen worden genomen om de herstelbaarheid van producten verder te faciliteren. In dit kader herhalen de Adviesorganen de aanbevelingen die de CRB-FRDO formuleerden in hun eerder advies en die niet werden opgenomen in het ontwerp van actieplan:
    • – De adviesorganen vragen dat op Benelux-niveau, in het kader van de Ecodesignrichtlijn, wordt nagedacht over minimumeisen voor de beschikbaarheid van wisselstukken en herstelhandleidingen en dat een methodologie wordt uitgewerkt voor de informatie inzake herstelbaarheid en garantie die de producent aan de consument dient te verstrekken.
    • – Het stimuleren van herstellingen vergt niet alleen aandacht voor de producent en de consument, maar tevens voor de vakman die de herstellingen moet uitvoeren. Deze moet over een goede herstelhandleiding kunnen beschikken en moet ook de opleiding kunnen krijgen die nodig is om de herstellingen te kunnen uitvoeren. Het is belangrijk dat het beleid ook voldoende aandacht heeft voor deze actor.
    • – In dit kader vroegen de Adviesorganen om, in overleg met de producenten – die wettelijk gezien bewijzen van technische vaardigheden en van de naleving van de wettelijke verplichtingen kunnen eisen – en met de verschillende betrokken bevoegdheidsniveaus, na te gaan of kwalitatieve criteria kunnen worden vastgesteld voor de erkenning van ‘officiële herstellers’ en of het opportuun is een officieel register van ‘beroepsherstellers’ voor het ganse Belgische grondgebied op te stellen.
  • [38] Ten slotte past het verhogen van de herstelbaarheid in een ruimere doelstelling van levensduurverlenging. In dit kader hebben de Adviesorganen (CRB-FRDO) zich in een eerder advies positief uitgesproken over een definitie van geplande veroudering op Europees niveau en over de bestraffing van deze praktijk (als een misleidende handelspraktijk). Ze bevelen aan om de juridische implicaties ervan te analyseren, waaronder de naleving van de EU-wetgeving (CRB 2020-0640/FRDO 2020a05f).

Maatregel 3: Verstrekking van informatie over de handhaving van sofwarecompatibiliteit

  • [39] Ook op dit vlak is een initiatief op louter Belgisch niveau af te raden. België moet zijn invloed op Europees niveau laten gelden om deze maatregel in te bedden op Europees vlak.

Maatregel 4: Ontwikkeling van betrouwbare certificering voor gerecycleerde inhoud en uitwerking van minimumeisen voor vermelding ‘bevat gerecycleerd materiaal’

  • [40] De Adviesorganen onderschrijven het belang van een betrouwbaar proces te ontwikkelen om te certificeren dat een product een bepaald percentage recycled content bevat, maar willen daarbij de volgende zaken benadrukken:
    • – Een dergelijk proces dient uitgewerkt te worden op Europees niveau.
    • – Een volledige evaluatie van de milieu-impact is nodig: verplichte normen inzake gerecycleerde inhoud zijn nuttig indien deze leiden tot een algemene vermindering van de milieueffecten (transport, milieueffecten eindproduct, technische functie).
    • – Voor elk type van materiaal moet bekeken worden wat de meest aangewezen en haalbare methode is in het licht van de algehele milieuperformantie van het gehele product. Voor bepaalde stoffen (bv. kunststofpolymeren) is het momenteel nog onmogelijk om op basis van testen het aandeel gerecycleerd materiaal te bepalen, maar hierover kunnen wel uitspraken worden gedaan op basis van administratieve gegevens.
  • [41] Verder lezen de Adviesorganen in het ontwerp van actieplan dat ‘het moeilijk is om bij overheidsopdrachten een criterium op te nemen dat een bepaald percentage gerecycleerde materialen oplegt’. Er wordt echter niet uitgelegd waarom dat zo is. In de Europese verordening inzake batterijen wordt dit nochtans wel opgelegd. De Adviesorganen vinden het belangrijk dat, eens een betrouwbare certificering op het gebied van recycled content ontwikkeld is, er in overheidsopdrachten recycled content-eisen kunnen worden opgenomen. Daarnaast dienen overheidsopdrachten ook selectieve afbraak aan te moedigen.

Maatregel 5: Uitstippelen van een strategie op het vlak van REACH, samen met de Belgische REACH-partners

  • [42] Het is positief dat met de verschillende bevoegde actoren binnen België – het is een van de thema’s dat bij voorrang zal worden behandeld binnen de bovengenoemde Coalitie van actoren uit het project Belgium Builds Back Circular – wordt nagedacht over een strategie op het vlak van REACH om de circulariteit van de producten te versterken. De maatregel is echter vrij vaag en het is onduidelijk wat men precies wil doen. Verdere verduidelijking is nodig. De Adviesorganen wijzen echter al op de volgende aandachtspunten:
    • – Het is belangrijk om hierbij rekening te houden met de verschillende bezorgdheden die werden geformuleerd in het eerdere CRB-FRDO-advies rond circulaire economie (zie punt 3.4);
    • – Het is belangrijk om de federale beleidsstrategie af te stemmen op de Europese ontwikkelingen.
  • [43] Verder herhalen de Adviesorganen hun aanbeveling dat de federale overheid een actievere rol zou spelen in de verspreiding van informatie rond REACH. Zeker kleinere bedrijven en start-ups missen vaak informatie over welke stoffen gevaarlijk zijn en aan welke productnormen voldaan moet worden. De Nederlandse REACH-helpdesk is op dit vlak een voorbeeld van een good practice.
  • [44] Ook wat REACH betreft, vragen de Adviesorganen voldoende personeel en middelen voor controle en handhaving, niet alleen voor de in Europa geproduceerde stoffen en voorwerpen, maar ook voor de controle van de registratie van de chemische stoffen die worden ingevoerd en de naleving van de geldende EU-beperkingen voor bepaalde stoffen in ingevoerde voorwerpen (ook via ecommerce), zodat de Europese productstandaarden geen dode letter blijven.

Maatregel 6: Bepaalde wegwerpproducten bannen en herbruikbare alternatieven bevorderen

Maatregel 7: De mogelijkheid onderzoeken om een juridisch kader te scheppen voor het ‘ontwerpen’ van bepaalde nieuwe diensten

  • [46] De Adviesorganen vinden het belangrijk om een duidelijk beeld te krijgen van de milieu-impact van bepaalde nieuwe diensten die aangeboden worden aan consumenten bv. op het vlak van mobiliteit (bv. fietsen/scooters/deelauto’s), voedingsmiddelen (bv. thuisbezorging in verschillende vormen) enz. Een studie hierover kan dus nuttig zijn, maar het is belangrijk om te vertrekken van reeds bestaande studies.[4] Indien nodig kunnen vervolgens op basis van deze studies gepaste maatregelen genomen worden.

Maatregel 8: Ontwikkeling en verspreiding van een methodologie voor ondernemingen die een bedrijfsmodel van het type PAAS willen opzetten

  • [47] Het ontwerp van actieplan wil een methodologie ontwikkelen en verspreiden voor ondernemingen die een bedrijfsmodel van het type PAAS (Product as a Service) willen opzetten. De Adviesorganen onderschrijven dat dit model heel wat potentieel heeft, maar wensen toch een aantal aandachtpunten te formuleren bij dit voorstel:
    • – Als initiatieven in dit domein worden genomen, moet ermee rekening worden gehouden dat elke sector anders is.
    • – Het is tevens belangrijk om alle aanwezige kennis op dit vlak te valoriseren. Zo bestaan er heel wat initiatieven bij diverse spelers in de sectoren. Bovendien moet ook rekening worden gehouden met de bestaande en toekomstige regionale initiatieven in dit domein en moet hierop worden voortgebouwd.
    • – De aanpak inzake financiële analyse en boekhoudregels[5] zal een impact hebben op de ontwikkeling van de nieuwe circulaire economische modellen. Het is belangrijk dat deze topics aan bod komen binnen de vervolgwerkzaamheden die worden opgezet rond de financiering van de circulaire economie (cf. maatregel 16).

Maatregel 9: Een dubbele prijsaanduiding promoten voor energie-intensieve producten, waaronder een prijs die rekening houdt met het energieverbruik van het product

  • [48] De Adviesorganen vinden het belangrijk dat de consument geïnformeerd wordt over verschillende aspecten van de duurzaamheid van een product, maar er is ook aandacht nodig voor de leesbaarheid van deze informatie. Nieuwe initiatieven moeten een duidelijke meerwaarde hebben ten opzichte van wat al bestaat. Daarnaast is ook een stroomlijning nodig van de veelheid aan labels die er op dit moment zijn.
2.4.2 Voorgestelde maatregelen om de circulariteit in de productiemethoden te bevorderen

Maatregel 10: Certificeren van adviseurs en begeleiders die betrokken zijn bij de omschakeling naar een circulaire economie en de toegang tot IE te vergemakkelijken voor uitvindingen op het gebied van circulaire economie

  • [49] De Adviesorganen onderschrijven dat de ontwikkeling van circulaire business modellen moet ondersteund worden, zeker ook bij kmo’s. Ze erkennen tevens dat problemen op het vlak van intellectuele eigendom (IE) de transitie naar een circulaire economie kunnen belemmeren.[6] Vooraleer ze zich uitspreken willen ze echter graag meer duidelijkheid over de scope van deze maatregel.
  • [50] De Adviesorganen hebben ook hun twijfels of ‘het vergemakkelijken van de toegang tot intellectuele eigendom voor uitvindingen op het gebied van circulaire economie’ wel juridisch haalbaar is. Bovendien zien ze andere manieren om de ontwikkeling van circulaire economische modellen bij kmo’s te ondersteunen, zoals het aanmoedigen van samenwerking rond circulaire initiatieven, het uitwisselen van best practices…

Maatregel 11: Ondersteuning van de ontwikkeling van een efficiënt digitaal systeem om materiaalstromen op Europees niveau te traceren

  • [51] De Adviesorganen erkennen dat transparantie binnen de industriële waardeketen belangrijk is, zowel voor de veiligheid van personen (niet enkel de consument, maar ook de werknemer) en het leefmilieu als om een kwaliteitsvolle recyclage mogelijk te maken. Geen enkele waardeketen is evenwel louter Belgisch. Deze actie moet dan ook (minstens) op Europees niveau worden uitgewerkt (zie Sustainable Products Initiative). De Adviesorganen raden aan om eerst de critical product data te definiëren en dan pas de IT-oplossingen uit te werken met bijzondere aandacht voor de haalbaarheid voor kmo’s. Een studie naar de technische behoeften en mogelijkheden op Belgisch niveau kan zeker nuttig zijn voor de standpuntbepaling op Europees niveau. Hierbij dient wel te worden opgemerkt dat geen ‘one-size-fits-all’ oplossing mogelijk is en dat rekening moet gehouden worden met de complexiteit van de toeleveringsketen. De Adviesorganen vragen ook wanneer deze studie beschikbaar zal zijn.
  • [52] Ten slotte verzoeken de Adviesorganen de Belgische autoriteiten actief deel te nemen aan de debatten over het “productpaspoort” dat wellicht zal worden voorgesteld binnen het raam van het actieplan over de circulaire economie op Europees niveau. In dit kader moet bijzondere aandacht uitgaan naar de consumentenrechten en naar de naleving ervan.
2.4.3 Voorgestelde maatregelen om de rol van de consument en de aanbestedende diensten te ondersteunen

Maatregel 12: Wettelijke garantie en omkering van de bewijslast

  • [53] Voor deze maatregel verwijzen de Adviesorganen naar het advies dat de brc Verbruik recentelijk uitbracht over de omzetting van de Europese richlijn inzake consumentenkoop (oa. inzake de al dan niet verlenging van de garantietermijn, de omkering van bewijslast…).

Maatregel 13: Specifieke duurzaamheidsclaims op producten omkaderen met productnormen

  • [54] De Adviesorganen staan positief ten opzichte van het voorstel om specifieke milieuclaims te omkaderen met precieze en objectieve critera, maar vragen wel aandacht voor de volgende punten:
    • – Op het Europese niveau wordt gewerkt aan de omkadering van milieuclaims (PEF/OEF-methodologie). Acties moeten dan ook op dit niveau genomen worden, maar het is belangrijk dat de federale administratie een impact kan hebben op de werkzaamheden op Europees niveau (rekening houdende met de opmerkingen die werden geformuleerd in §20).
    • – Het advies ‘Leidraad voor ondernemingen wat betreft eerlijke milieuclaims’ ‘dat de brc Verbruik in 2018 uitbracht, kan tevens inspiratie bieden.
    • – Controle en monitoring zijn onontbeerlijk. Bv. bij de claim ‘100% recycled content’ is het belangrijk om na te gaan dat recyclaat uit landen buiten de EU evenwaardig is aan lokaal recyclaat. Controle en handhaving moeten een gelijk speelveld verzekeren, ook voor circulaire producten.
    • – Ten slotte lezen de Adviesorganen in de omschrijving van de maatregel dat het doel is om de aanpak die bestaat voor composteerbare en biologisch afbreekbare materialen uit te breiden tot andere aspecten waarop claims kunnen worden gemaakt. De leden vragen welke aspecten dit zijn om de totale reikwijdte van de maatregel te begrijpen.
  • [55] Wat specifiek het kader dat bestaat voor composteerbare en biologische afbreekbare materialen betreft, zijn de Adviesorganen bezorgd dat dergelijke materialen toch nog verbrand kunnen worden. Zowel producenten, sorteerders als afvalinstallaties zullen moeten betrokken worden om dit in de toekomst te vermijden.

Maatregel 14 : De kennis van de aanbestedende diensten op het gebied van circulaire overheidsopdrachten verbeteren en proef-overheidsopdrachten op het gebied van circulaire economie lanceren

  • [56] Overheidsopdrachten zijn een belangrijke hefboom in de transitie naar een circulaire economie. De Adviesorganen ondersteunen deze maatregel dan ook volledig, maar vragen zich af hoe deze concreet zal uitgewerkt worden.
  • [57] Ze willen er ook nog eens op wijzen dat op dit vlak verschillende gewestelijk initiatieven lopen (cf. Green Deal Circulaire Aankopen in Vlaanderen en Wallonië waaruit geleerd kan worden). Een betere samenwerking, waarbij wordt voortgebouwd op de kennis en ervaringen die al bestaan bij de verschillende overheden in België, kan dan ook versterkend werken.
  • [58] Het is tevens belangrijk dat dit instrument het industrieel beleid ondersteunt en, meer in het algemeen, dat het ingezet wordt om zoveel mogelijk waarde te creëren voor de Belgische samenleving en economie. Uit cijfers blijkt dat op dit moment 42% van de overheidsaankopen naar het buitenland vloeit. Dit is een stuk meer dan in vergelijkbare kleine landen zoals Nederland (21%) of Oostenrijk (29%).[7]
  • [59] Ten slotte vragen de leden dat wordt nagedacht over het bedrag vanaf hetwelk de aankopende overheid de aan- of afwezigheid van overwegingen inzake duurzame ontwikkeling in de bestekken moet motiveren. De Adviesorganen zijn van oordeel dat bij de bepaling van dit bedrag een evenwicht moet gevonden worden tussen de opvolgingskosten voor de overheid, enerzijds en de stimulans voor de transitie naar een circulaire economie, anderzijds.

Maatregel 15: Een communicatiecampagne opzetten om de Belgische consument bewust te maken van duurzame consumptie en circulaire economie

  • [60] Het is van cruciaal belang het publiek te informeren over en bewust te maken van duurzame consumptie en circulaire economie. Een communicatiecampagne kan hiertoe bijdragen, al hebben de Adviesorganen wel enkele bedenkingen bij de concrete uitwerking en meerwaarde hiervan. Er moet vermeden worden dat deze maatregel resulteert in een mooie slogan zonder veel impact. Alle actoren die een breed publiek kunnen bereiken moeten hierbij betrokken worden.
  • [61] Maar er zal meer nodig zijn dan een communicatiecampagne om de maatschappij op een duurzame manier bewust te maken van het potentieel van een circulaire economie. Zo zijn de Adviesorganen van oordeel dat ook het onderwijs een heel belangrijke rol speelt bij het informeren en sensibiliseren van jongeren. En de principes van de circulaire economie zouden evenzeer aan bod moeten komen in voortgezette vormingsinitiatieven voor werknemers en werkzoekenden.
2.4.4 Voorgestelde maatregelen om te zorgen voor de nodige stimulansen en instrumenten

Maatregel 16 : Het faciliteren van het zoeken naar concrete oplossingen met de financiële sector voor de uitdagingen op het vlak van de financiering van de circulaire economie

  • [62] Het is belangrijk om de bekende financiële barrières voor de transitie naar een circulaire economie weg te werken. Het voorstel om met verschillende belanghebbenden concrete oplossingen te inventariseren voor de financiering van projecten rond circulaire economie is in dit opzicht positief, maar de Adviesorganen willen de volgende punten onderstrepen:
    • – Het is belangrijk om dubbel werk te vermijden. Ook op regionaal niveau zijn gelijkaardige oefeningen bezig.[8]
    • – De Adviesorganen wijzen erop dat, naast de genoemde actoren (traditionele en alternatieve banken, particuliere en publieke investeerders en projecteigenaars), het opportuun zou zijn ook de NBB, Felbelfin en de FSMA te betrekken bij het zoeken naar oplossingen voor de bestaande uitdagingen inzake financiering van projecten op het vlak van circulaire economie. Aangezien ook de boekhoudkundige regels zullen moeten herbekeken worden om de ontwikkeling van nieuwe circulaire business modellen te stimuleren, zou het ook een goede zaak zijn de Commissie voor Boekhoudkundige Normen en de FOD Financiën bij dit proces te betrekken.
    • – Het doel moet zijn om, vertrekkend van de obstakels die in eerdere studies geïdentificeerd werden, concrete voorstellen van oplossingen te formuleren. Een piste die bijvoorbeeld kan onderzocht worden is de oprichting van een investeringsfonds rond circulaire economie.

Maatregel 17: Een netwerk van experts opzetten om na te denken over mogelijke fiscale hefbomen voor een circulaire economie en om instrumenten voor te stellen

  • [63] De Adviesorganen ondersteunen de oprichting van een netwerk van experten om na te denken over hoe fiscaliteit een hefboom kan zijn voor transitie naar circulaire economie, maar de maatregel moet verder gaan dan het lanceren van een denkoefening. Een concrete timeline is nodig.
  • [64] Verschillende fiscale maatregelen dienen te worden onderzocht, waaronder ook fiscale stimulansen voor herstellingen, zoals een btw-verlaging. Voor de eventueel beoogde maatregelen is een impactanalyse nodig, zowel juridisch, sociaal-economisch als budgettair.
  • [65] De Adviesorganen vragen dat deze voorstellen van maatregelen en de bijhorende impactanalyses vervolgens ter consultatie worden voorgelegd aan de bevoegde adviesorganen.
  • [66] Omgekeerd vragen de Adviesorganen ook om het nut van de bestaande lasten te evalueren en om de opbrengsten uit milieubelastingen meer aan te wenden voor investeringen in de transitie naar een circulaire economie.
2.4.5 Evalueren van de vorderingen

Maatregel 18: Analyse van de Belgische gegevens van het EU-kader voor toezicht op de circulaire economie op basis van het door Eurostat opgezette kader voor toezicht op de circulaire economie

  • [67] De Adviesorganen vinden het positief dat er in het actieplan aandacht is voor het monitoren van de vooruitgang van België op het vlak van de circulaire economie. Het EU-monitoringkader voor de circulaire economie biedt hiervoor een mooie vertrekbasis.

Maatregel 19: Een langetermijnstrategie ontwikkelen om de overgang naar een circulaire economie te monitoren aan de hand van passende indicatoren zoals de materiële voetafdruk van België

  • [68] Een langetermijnambitie en -visie is cruciaal voor de transitie naar een circulaire economie en zou in het kader van deze maatregel uitgewerkt moeten worden, inclusief een analyse van de Belgische cijfers en economische activiteiten. Deze visie en ambitie moeten coherent zijn met de federale langetermijnvisie voor duurzame ontwikkeling en het federaal plan voor duurzame ontwikkeling.
  • [69] Op basis van een dergelijke visie kunnen vervolgens indicatoren ontwikkeld worden om de overgang naar de circulaire economie te monitoren. Indicatoren zoals de materiële voetafdruk van België moeten bv. toelaten om reductiedoelstellingen rond materialengebruik op te volgen.
  • [70] De Adviesorganen vragen om betrokken te worden bij dit proces. Eerdere werkzaamheden van de Adviesorganen (onder meer rond de SDGs)[9] kunnen hiervoor inspiratie bieden.
  • [71] Het zal ook belangrijk zijn om deze oefening goed af te stemmen met de gewesten om dubbel administratief werk te vermijden en een breed gedragen en complementaire visie te creëren.

Maatregel 20: Onderzoek naar de bijdrage van de circulaire economie in de strijd tegen de klimaatverandering, bevordering van biodiversiteit en economische welvaart en monitoring van het actieplan circulaire economie

  • [72] Voor de Adviesorganen is het belangrijk dat elk beleid wordt getoetst aan de doelstellingen die het beoogt. De opvolging van de voortgang en van de impact van de maatregelen van een mogelijk actieplan voor de circulaire economie is bijgevolg van primordiaal belang om zich ervan te vergewissen dat de beoogde doelstellingen worden bereikt dan wel of bijsturingen/aanvullingen nodig zijn. De Adviesorganen vragen om betrokken te worden bij deze opvolging.
  • [73] De Adviesorganen missen op dit moment echter een concrete invulling van de manier waarop dit ontwerp van actieplan zal gemonitord en uitgevoerd worden en van de termijn waarop dit zal gebeuren.

 

 

 

 

[1] https://single-market-economy.ec.europa.eu/single-market/goods/building-blocks/market-surveillance_en#market_surveillance_legislation

[2] https://environment.ec.europa.eu/strategy/circular-economy-action-plan_en?prefLang=nl

[3] De vertegenwoordigers van de werkgevers verwijzen in dit kader graag naar hun Visie Circulaire Economie 2030, waar ze samen met de verschillende sectorfederaties hun ambities bundelen.“Tegen 2030 en binnen een Europees kader, de positie van de Belgische industrie als leider in de circulaire economie verwezenlijken en consolideren.” Ze zullen daarin ook werk maken van vooruitgangsrapporten aan de hand van de tien indicatoren van Eurostat (zie maatregel 18 van het ontwerp van actieplan).

[4] Denk aan de studie ‘Duurzaamheid van innovatieve economische modellen met focus op mobiliteit’ die werd uitgevoerd in opdracht van de FRDO. Maar ook op het niveau van de gewesten werden studies hierover gerealiseerd.

[5] Een voorbeeld van een knelpunt voor PAAS is dat producten die verkocht worden als een dienst ofwel op de balans blijven staan (wat de balans sterk verzwaart), ofwel via een leasemaatschappij moeten gaan (wat aan de marge knibbelt). Ook de financiële beoordeling door kredietinstellingen wordt minder gunstig: doordat producten eigendom blijven van de initiatiefnemer/fabrikant, wordt het project als risicovoller beoordeeld.

[6] Een voorbeeld: het herwerken van een product kan gezien worden als een inbreuk op het octrooi.

[7] Zie: https://www.agoria.be/nl/diensten/expertise/hr-legal-social-dialogue/sociaal-overleg-binnen-het-bedrijf/sociale-partners-metaal-en-technologiesector-overheidsopdrachten-en-investeringen-moeten-meer-naar-belgische-bedrijven-en-werknemers

[8] Zie bijvoorbeeld het werk met de CEVALUATOR op Vlaams niveau (VITO / Vlaanderen Circulair): https://cevaluator.be/nl .

[9] Zie bijvoorbeeld: deel vijf van het verslag van de CRB met als titel “Ambitieniveau en opvolgingsindictoren betreffende de milieugerelateerde SDG’s van de VN” en de documentatienota van het secretariaat van de CRB over de vooruitgang die werk geboekt in het domein van de circulaire economie in België alsook het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het opvolgingskader voor de circulaire economie. Verder kunnen ook het advies over het voorontwerp van federaal plan voor duurzame ontwikkeling (CRB 2021-1665) en het advies over de opvolgingsindicatoren inzake SDG 12 (CRB 2020-0400, punt 8) inspiratie bieden.

Opmerkingen, vragen of suggesties?