09 | Advies over een ontwerp-KB tot wijziging van het koninklijk besluit van 29 juni 2018 tot vermindering van de broeikasgasintensiteit van transportenergie

  • Op vraag van de minister van Energie, leefmilieu en duurzame ontwikkeling, mevrouw Marie Christine Marghem, in een brief van 9 september 2020
  • Met de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven en de bijzondere raadgevende commissie Verbruik.
  • Dit advies werd voorbereid door de werkgroep productnormen
  • Goedgekeurd door de AV van de FRDO via schriftelijke procedure, 16/10/2020

Advies (pdf)

 

 

Draagwijdte van de aanvraag

1 Indiening

  • [a] Mevrouw Marie Christine Marghem, de toenmalige minister van Energie, Leefmilieu en Duurzame ontwikkeling, heeft bij de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling, de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven en de bijzondere raadgevende commissie Verbruik, hieronder de adviesorganen genoemd, op 9 september 2020 een adviesaanvraag ingediend over een ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 29 juni 2018 tot vermindering van de broeikasgasintensiteit van transportenergie. Het advies van deze adviesorganen wordt gevraagd conform artikel 19, §1, eerste lid, van de wet van 21 december 1998 betreffende productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu, de volksgezondheid en de werknemers. De termijn van deze adviesvraag bedraagt één maand.

2 Wettelijke basis

  • [b] Het voorliggende ontwerp van koninklijk besluit beoogt de wijziging van het koninklijk besluit van 29 juni 2018 tot vermindering van de broeikasgasintensiteit van transportenergie. Dit koninklijk besluit werd door de ministerraad van 18 mei 2018 goedgekeurd ingevolge de omzetting van de richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad van 20 april 2015 tot vaststelling van berekeningsmethoden en rapportageverplichtingen overeenkomstig Richtlijn 98/70/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof en de omzetting van artikel 7bis van Richtlijn 98/70/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1998 betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 93/12/EEG van de Raad (Fuel Quality Directive of FQD).
  • [c] De richtlijnen 98/70/EC (art.7a) en (EU) 2015/652 hebben onder meer tot doel om de koolstofintensiteit van transportbrandstoffen te reduceren. Daartoe bevatten ze een reductiedoelstelling van 6% die de lidstaten aan elke individuele leverancier van transportbrandstoffen dienen op te leggen.
  • [d] Het accijnsstelsel voor landbouwtoepassingen en industriële en commerciële toepassingen maakt geen onderscheid naargelang het product aangewend wordt voor verwarmingsdoeleinden dan wel voor mobiele toepassingen. Zoals wettelijk wordt bepaald, wordt gasolie bij de eerste uitslag tot verbruik altijd als gasolieverwarming tot verbruik uitgeslagen. Herkwalificatie naar gasolietoepassingen voor ‘niet voor de weg bestemde mobiele machines’ vindt desgevallend verderop in de leveranciersketen of bij de eindverbruiker plaats.
  • [e] Dit maakt de toepassing van het koninklijk besluit van 29 juni 2018 op brandstoffen voor de ‘niet voor de weg bestemde mobiele machines’ voor de sector moeilijk werkbaar. Bovendien is de naleving van de FQD-verplichtingen voor transportbrandstoffen voor ‘niet voor de weg bestemde mobiele machines’ voor de overheid in de praktijk niet afdwingbaar.
  • [f] De toevoeging van een methode om de hoeveelheid transportbrandstof voor ‘niet voor de weg bestemde mobiele machines’ te berekenen op basis van de in verbruik gestelde hoeveelheid gasolie-10ppm, zou resulteren in een werkbare en afdwingbare bepaling met betrekking tot de FQD-verplichtingen voor transportbrandstoffen voor ‘niet voor de weg bestemde mobiele machines’. Het voorgestelde ontwerp van koninklijk besluit stelt bijgevolg voor om een methode toe te voegen om de hoeveelheid transportbrandstof voor ‘niet voor de weg bestemde mobiele machines’ te berekenen. Daardoor dienen ook de forfaitaire verdeelsleutels die in het koninklijk besluit voorzien worden, te worden geschrapt.
  • [g] Tijdens de uiteenzetting met de vertegenwoordigers van de FOD Volksgezondheid werd nog meegedeeld dat aan het ontwerp van koninklijk besluit zal worden toegevoegd dat voorliggend ontwerp van koninklijk besluit op 1 januari 2021 in werking treedt. Indien het koninklijk besluit nog niet voor deze datum werd gepubliceerd, zal een retroactieve inwerkingtreding vanaf 1 januari 2021 worden voorzien.
  • [h] Na overleg met de gewesten en de Fod Mobiliteit zal tot slot van de gelegenheid gebruik worden gemaakt om een onduidelijkheid in het koninklijk besluit aan te passen.  Conform de Europese richtlijn dienen alle binnenschepen van het toepassingsgebied te worden uitgesloten. De gebruikte woorden “… (met uitsluiting van binnenschepen wanneer deze niet op zee varen)…” in artikel 1, §2 en artikel 2, 7° lijken nu immers te suggereren dat binnenschepen die op zee varen, wel onder het toepassingsgebied vallen. Deze woorden zullen bijgevolg vervangen worden door “… (met uitsluiting van binnenschepen)…”.

3 Hoorzittingen

  • [i] Naar aanleiding van deze adviesvraag zijn de bevoegde leden van de drie voornoemde adviesorganen op 30 september 2020 virtueel bijeengekomen voor een uiteenzetting door de heren Ivo Cluyts en Brecht Vercruysse (FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu).

4 Werkzaamheden in de subcommissie en plenaire zitting

  • [j] Er werd overeengekomen dat de secretariaten een ontwerpadvies zouden opstellen. Dit ontwerpadvies werd via elektronische weg voorgelegd aan de plenaire vergaderingen van de CRB (goedgekeurd op 16 oktober) en de brc Verbruik (goedgekeurd op 8 oktober) en via elektronische weg aan de algemene vergadering van de FRDO (goedgekeurd op 16 oktober).

Advies

  • [1] De adviesorganen hebben geen inhoudelijke opmerkingen bij het ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 29 juni 2018 tot vermindering van de broeikasgasintensiteit van transportenergie. Ze zijn dan ook tevreden dat met de toevoeging van een methode om de hoeveelheid transportbrandstof voor ‘niet voor de weg bestemde mobiele machines’ te berekenen, de naleving van de FQD-verplichtingen in de praktijk afdwingbaar is gemaakt. Momenteel kent men drie verschillende maximumprijzen voor éénzelfde product naargelang van de toepassing ervan (t.w.  landbouw-,  industriële en commerciële toepassingen en verwarming), wat in de praktijk tot heel wat marktverstoring leidt. Dit wijzigingsbesluit zal bijgevolg ook op korte termijn in een oplossing voorzien om een einde te kunnen stellen aan deze marktverstoring.
  • [2] Vervolgens pleiten de adviesorganen voor een jaarlijkse evaluatie van de regelgeving zodat eventuele struikelblokken worden blootgelegd en er geen sprake is van een marktverschuiving. Men dient immers waakzaam te zijn voor een mogelijk prijsvoordeel van gasolie-50ppm ten opzichte van gasolie-10ppm. De eerste jaarlijkse evaluatie zou bijgevolg eind 2021 moeten plaatsvinden. De adviesorganen wijzen bovendien op de noodzaak van overleg met de administratieve overheid om tot een oplossing op lange termijn te komen.
  • [3] Tot slot willen de adviesorganen de nadruk leggen op het belang van de inwerkingtreding van het koninklijk besluit op 1 januari 2021, aangezien de FQD-verplichting een jaarverplichting is. Indien het koninklijk besluit nog niet voor deze datum werd gepubliceerd, dient een retroactieve inwerkingtreding vanaf 1 januari 2021 van toepassing te zijn. De adviesorganen zijn tevreden dat dit als dusdanig voorzien is, zoals blijkt uit de toelichting van de vertegenwoordigers van de fod Volksgezondheid.

 

 

Opmerkingen, vragen of suggesties?